Het jaar van de kroon

Het was het jaar van de kroon. De kroon op het harde werk. Want werken in Coronatijden is extra hard werken, of het nu thuis is met kwetterend spelende, jengelende en/of ruziemakende kinderen in de buurt, of op verplaatsing in een setting waar Corona ook voortdurend op de loer ligt. Het was vooral het jaar van de kroon op het geduld!

Nooit werd er zoveel gevraagd van een gemeenschap. En deze gemeenschap was er een van wereldgrootte. We moesten op afstand van elkaar blijven, we mochten bijna niet buitenkomen, we moesten onze gewoontes achterwege laten, onze aandrang bevechten om elkaar een hand te geven, elkaar op te zoeken, elkaar te knuffelen. We leerden onze handen veelvuldig te wassen, te ontsmetten. Allemaal werden we alcoholverslaafden, om de zoveel meter prijkte er een flesje waar je het goedje uit mocht pompen. Allemaal werden we kampioen in het alléén winkelen en onze kar in een recordtempo vol gooien voor minstens een week overleven. Als we al het geluk hadden voldoende geld op onze rekening te hebben… Bij het verlaten van onze woning moesten we een masker achter onze oren spannen, onze bril dampte dan direct aan en we kregen het benauwd. Maar dat verbeterde gaandeweg. We leerden hoe we deze zaken konden vermijden. Op den duur wende het om mensen met een mondmasker te zien. Het werden eerder uitzonderingen die er géén op hadden en die wezen we terecht want we wilden deze miserie zo spoedig mogelijk achter de rug hebben.

Het duurt nu al zolang. Gisteren heb ik voor het eerst geZoomd. Ik ben overstag gegaan. Tot hiertoe had ik het afgehouden want ik had er geen tijd voor en nog minder goesting. Maar ik miste mijn koorgenoten en blijkbaar genoten zij af en toe ervan elkaar als minimensjes op een scherm te zien. Enkel hoofdjes die babbelden. Ik heb het al moeilijk om in een café in groep te zitten en een gesprek te volgen, laat staan te voeren. Ik ben meer een persoon van één-op-één-contact. Niet dat ik exclusieve aandacht wil (hoewel…) maar het begint vaak te rommelen in mijn hoofd als verschillende mensen door elkaar praten. Ik kan den draad dan niet vinden en weet niet waar ik geacht word op in te gaan, wat te kiezen. Bon, ik heb er grotendeels het zwijgen toe gedaan, de commentaren op mijn hoofddeksel -mijn oude paarse baret kwam me goed van pas om mijn Coronatooi te verbergen- met een veelzeggende smile gecapteerd en af en toe geknikt.

Toen na een half uur de laatste 10 minuten van de ‘conferentie’ ingingen kon ik er niet aan weerstaan mijn ondertussen zwaarwegende hoofd te ondersteunen met een hand, hetgeen overkwam als een zeer verveelde pose (je ziet jezelf ook in de mozaïek van deelnemers). Sorry, zanggenootjes, ik zie jullie graag maar geef mij maar de liveversie na het zingen met een goed biertje in de hand aan den toog van onze repetitieruimte! We gaan nog wat geduld hebben en weldra staan we weer vierstemmig mooie klanken voort te brengen in ons aller Leirekencafé, op maandagavond als het enkel voor ons koor open is! We zullen glazen heffend en klinkend ons drinklied zingen, dat nu meer dan ooit toepasselijk is: “Le bon vin nous a rendu gais, chantons, oublions nos peines, chantons!” Weldra, als we weer onbekommerd samen mogen zijn en vrij dicht bij elkaar samen mogen zingen! Want er komen betere tijden.

Mattie

Opgehokt

Rare tijden, heel de wereld geteisterd door een onzichtbare vijand die ongeveer alles lam legt. Je wil het ‘monster’ een gezicht geven of op zijn minst een ander beeld voor ogen hebben dan het groen snotterig bolletje met buisachtige uitstulpingen dat in een twisted brein als het mijne aan een latex seksspeeltje doet denken (my dirty mind which on this very moment is no joy anymore).

Vandaag voel ik me voor het eerst een beetje moedeloos en claustrofobisch. Mag ik het wat van me àf schrijven? Ik ben nl. geen beller, nooit geweest. En de zaken die ik nu zie passeren zijn al helemaal niet aan mij besteed. ZOOM, Praatbox, Jitsi, Skype, Team, Party in the house, Google-meet, Whatsapp-videocall… noch in koorverband, noch voor onlinevergaderingen in werkcontext en eigenlijk ook niet voor familiezaken – al wil ik me voor dit laatste forceren indien nodig. Ik beklaag de mensen die plots gedwongen worden om via deze tools thuis te moeten functioneren terwijl ze gelijktijdig een stel peuters, kleuters en/of tieners in toom moeten houden en schoolwerk dirigeren via nòg andere elektronische platformen! En daarbovenop nog een huishouden moeten runnen…

Tot ik ziek werd verliep mijn Coronamatisch leven nog vrij normaal. Ik ging alle dagen de deur uit naar mijn werk. Ik realiseerde me dat ik tot de happy few behoorde die nog gewoon naar buiten mochten als voorheen. Alleen, het was allesbehalve als voorheen. Op de baan werd het alsmaar wezenlozer omdat er haast geen ander levend wezen te bespeuren viel. Niet op de bus noch op de trein, maar ook niet wanneer ik me met de wagen verplaatste wegens ontoereikend openbaar vervoer. ‘s Avonds laat reed ik met de auto over lege rijvakken, ik wachtte als enige automobilist een kwartier tot een ellenlange goederentrein voorbijgesjoekt was maar er stond ondertussen niet één voertuig méér voor de barelen. Ook geen voetganger of fietser.

Overal werd er alleen nog maar gecommuniceerd over Corona si en Corona là. De briefings op het werk waren verre van ‘brief’ en ze gingen vooral over de in het Coronaverhaal passende voortdurend wijzigende afspraken, maatregelen, voorwaarden, veiligheidsvoorschriften en penaliseringen bij overtredingen daarvan binnen ons opvangcentrum. Het Coronahandboek. De Coronalijst (van -mogelijk-besmette bewoners die in quarantaine gezet werden). De Corona-Wiki…

Door de nieuwsbulletins en de duidingsprogramma’s die je overal om de oren slaan, ja die zich ronduit aan je opdringen en die alléén maar over het virus gaan, ging ik angstig worden. Hulp, ik kom alle dagen buiten! Hulp, ik begeef me dagelijks tussen 100-den mensen die de afstandsregels (althans de eerste weken) niet zo nauw nemen. Ook niet altijd nauw kúnnen nemen want verzoekers om internationale bescherming in een opvangcentrum leven noodgedwongen enorm dicht op elkaar. Ze slapen met 4 tot 7 op één kamer, ze eten in een refter die sowieso al te klein is, ze maken gebruik van gemeenschappelijk sanitair, van gemeenschappelijke TV-ruimten, van een gemeenschappelijke fitnessruimte, van gemeenschappelijke laptops, van gemeenschappelijke strijkijzers en -planken, spelmateriaal, poetsgerief… materiaal dat ik en mijn collega’s beheren, hanteren. Bovendien is het niet eenvoudig om al die ingewikkelde – en vaak veranderende- informatie aan anderstaligen uit te leggen!

In het begin mochten wij, werknemers, geen mondmasker dragen (de bewoners zouden kunnen denken dat we ziek waren en ook allemaal mondmaskers eisen, en… er wàren onvoldoende mondmaskers). Dan mochten we enkel onder strikte voorwaarden in bepaalde situaties chirurgische mondmaskers voorbinden. Nu moéten we mondmaskers (gaan) dragen!

C-bal (kl)

De vraag was op den duur niet meer òf ik ziek zou worden, dan wel wanneer.
Het onvermijdelijke gebeurde. Ik werd ziek. En ook mijn partner werd ziek en dat was erger. Want hij behoort tot een risicogroep of twee, drie.

Reeds bijna 3 volle weken ben ik nu arbeidsongeschikt verklaard en mag ik het huis niet verlaten. Nog eens zovele dagen en het is lètterlijk een ‘quarantaine’. Nooit eerder voelde ik me zo volkomen arbeidsongeschikt. Van week tot week moest ik mijn huisdokter bellen voor een evaluatie van de symptomen en telkens schreef ze een verlenging van het attest want ik was overduidelijk niet in staat om mijn werk te verrichten. Ik was “geen chick waard”. In het begin waren er koorts, hoofdpijn, spierpijn en stijve gewrichten, hoesten, geen stem meer hebben en vooral: moe zijn, àltijd moe zijn, enkel willen slapen en in de zetel hangen. Ook de hele vreemde gewaarwording dat je je reukzin volledig kwijt bent, en tevens niets meer proeft. Daarna leek het te verbeteren maar het hoesten blijft en zeker het vermoeid zijn doorkruist je plannen om terug aan de slag te kunnen. Het gaat veel op en af, het lijkt beter en dan gaat het toch weer in neerwaartse spiraal. Je wil op een dag eens proberen om al die vuile was te doen want het wordt zo’n enorme stapel. Okay, daar is een apparaat voor, maar je moet ervoor naar beneden, je moet de was sorteren en daadwerkelijk in de machine steken en er product bijvoegen, na het wasprogramma de kledingstukken aan het rek te drogen hangen enz. Aan het eind van de rit ben je uitgeput en laat je die was maar wapperen want je kan amper uit de zetel.
Wat een geluk dat er lieve vrienden zijn die boodschappen aan huis brengen. Maar zelfs het bedenken en doorzenden van een boodschappenlijst vraagt soms te veel energie.

En wat een geluk dat mijn liefste meestal kookt en de heerlijkste maaltijden op tafel tovert. Tot hij (te) ziek werd en zelfs diende opgenomen te worden in het ziekenhuis.
Dàt is het allerergste, je wil niet weten hoe het voelt om je geliefde in een ambulance te zien verdwijnen en hoe een slap zwaaiend handje als een mogelijk lang of in het ergste geval zelfs definitief afscheid aanvoelt. Want deze onzichtbare vijand heeft al veel mensen weggerukt. Pijnlijk.
Y. wordt snel beter. Momenteel bevindt hij zich in die akelige omgeving waar verplegenden en dokters er eerder als brandweermensen uitzien met hun bevreemdende uitrusting. Er wordt keigoed voor de patiënten gezorgd maar er mag helemaal géén bezoek komen en de organisatie loopt soms spaak omdat er een hele reorganisatie gebeurde waarbij vaak minder mensen het hele logistieke en verzorgende gebeuren op een àndere afdeling op een heel andere wijze moeten bolwerken. Chapeau voor hen allen!
Ik ben blij dat mijn partner niet op intensive care ligt, hij is bij de ‘gelukkigen’ voor wie er vrijwel zeker een gunstige prognose is.

Een nieuw tijdperk lijkt aangebroken. Vroeger toen de dieren nog spraken wordt nu vroeger toen we elkaars grimassen en glimlachen nog konden onderscheiden, toen we elkaar nog een welgemeend schouderklopje konden geven, elkaar tijdens het groeten nog over de rug konden wrijven of in elkaars armen konden vliegen nadat we elkaar een poosje niet gezien hadden. Toen kinderen nog onbezorgd mochten ravotten en op elkaar springen, proeven van elkaars lolly, elkaar kopje onder duwen in het zwembad. Toen leerlingen bij een toets nog een poging konden doen af te kijken van hun ijverige buur. Toen we onze ouders nog onbeperkt mochten knuffelen, ook al waren ze reeds 80 en ouder, al dan niet in een rust- en verzorgingstehuis… Toen we in trein of bus nog rustig een praatje konden slaan met wie naast of tegenover ons zat. Toen mensen niet hoefden te aarzelen om een beetje te flirten op een bank in het park. Toen we nog lekker konden wegzakken in een cinemastoel en geïrriteerd een boze blik konden werpen op een luidruchtig chipsetende cultuurbarbaar vlak naast ons.
Nu zal een (denkbeeldige?) meetstok deel gaan uitmaken van het dagelijks leven.

Maar. Alles wordt beter. Als we ooit de maskers mogen afzetten.

Mattie

Hoe zelfoverschatting en intellectuele leegte tot (slechte) kunst te verheffen.

Een kunstminnende mens moet bij de tijd blijven. Dat je daarvoor een zakenkrant moet lezen, zegt veel over de kwaliteit van de Vlaamse media, maar kom…
Aangetrokken door het perspectief van het gratis Kaaiman-boekje met de gebundelde columns van Koen Meulenaere kwam het er weer eens van: de ‘Tijd’ aan de zaterdagse ontbijttafel. De roze krant (de Financial Times achterna) gaat op zaterdag vergezeld van een reclamevehikel genaamd Sabato (יום שבת, in het Hebreeuws). Het type magazine dat vroeger ‘glossy’ werd genoemd, zij het dat het tegenwoordig op lekker zacht aanvoelend mat papier wordt gedrukt. Het voelt aan als drielagig toiletpapier. Het bevat trouwens ook heel wat shit. Over de nieuwste trends in binnen- en buitenhuisdecoratie, parfumerie en cosmetica, damesmode en dus ook Kunst. Of wat daarvoor moet doorgaan.
Deze week ging het, in een rijkelijk geïllustreerd artikel, over Jan De Cock (Nomen est omen). Ik vermoed dat de zelfverklaarde Meester Beeldhouwer in alle bescheidenheid heeft gemeend dat het tijd werd om de goegemeente kond te maken van zijn nieuwe inzichten. Het is waar: we waren hem bijna vergeten. Dat lag natuurlijk volledig aan ons. We hebben nu eenmaal niet de gewoonte zélf op zoek te gaan naar nieuws over Meester Oplichters in de Kunsten. Daar heb je gespecialiseerde critici, riooljournalisten, broodschrijvers of copywriters voor.

38.jan de cock (gec)
Jan De Cock voor een recent schilderij (foto Alexander D.Hiet)

Hoe verder ik las, hoe meer ik de indruk kreeg dat de Laatste der Vlaamse Primitieven (his words) het slachtoffer was geworden van een practical joke. Nietsvermoedend werd hij voor zijn doelgroep (de welstellende, West-Vlaamse neringdoener) te kakken gezet als de zelfingenomen beotiër die hij is. Het is altijd leuker en efficiënter als zulke blaaskaken de poten van hun zelfgetimmerde troon dóórzagen. Tenslotte is Jan Frederik De Cock (zijn nieuwe merknaam, werd ons minzaam medegedeeld) ook een Meester Schrijnwerker, dus van poten doorzagen heeft hij wel kennis. Hij heeft dat trouwens ten overvloede bewezen toen hij in Brussel op een niet te evenaren wijze een samenwerking met de Sint Lukas/Sint Lucasscholen opzette. Wat aanvankelijk een grootmoedig, altruïstisch project leek, draaide binnen de kortste keren uit op een fiasco, waarbij de kunstschool en de gemeenschap voor nogal wat onvoorziene kosten opdraaiden. De boel (het Brussels Art Institute) werd uiteindelijk opgedoekt, waarna de Meester een ‘burgermanifest’ van zeven pagina’s publiceerde waarin hij iedereen – zonder enige uitzondering behalve zichzelf – tot achterlijke debielen uitriep, om vervolgens een klacht mét burgerlijke partijstelling tegen vier mediagroepen neer te leggen wegens “het doodzwijgen van de inlandse culturele elite (…), wij vreemden”. De tekst en de klacht werden op hoongelach onthaald, niet in het minst door de woordenbrij en de wartaal waarin De Cock zijn ideeën probeerde te formuleren. De Cock leek alle krediet verloren te hebben, letterlijk en figuurlijk. Hij diende gebouw en inboedel te laten veilen.

Enfin, zoals men in Brussel pleegt te zeggen, blijkbaar had hij toch nog wat centen over om een voormalige Olivetti-fabriek en een Palladiaans huis in de buurt van Turijn te kunnen kopen om daar een gelijkaardig project op te zetten. Hoe het daar verder mee zit, komen we in het artikel niet te weten. Wél worden we ten overvloede rondgeleid in zijn nieuwste stek in Brugge. Een huurhuis ditmaal, we komen zelfs de naam van de Knokse immomakelaar te weten – voor wat hoort wat, in die middens. In zijn oneindige goedheid heeft de “Grootste Beeldhouwer van zijn generatie” (sic) besloten het provinciestadje te vereren met zijn aanwezigheid en er een culturele Renaissance op gang te brengen. Helemaal in zijn eentje. En belangeloos, dat spreekt. Oké, zijn huis en kelder zijn volgestouwd met onverkochte rommel, maar die mag nu weg voor een zacht(er) prijsje. De Cock werkt nu namelijk zonder galerie, dus dat scheelt algauw een stevige slok op de borrel. Zijn doelgroep zal het graag horen! Of zijn eerdere kopers de solden evenzeer zullen smaken is nog maar de vraag! Zijn strapatsende Hoogheid had al de waarde van hun aankopen gekelderd, en nu dít…
“Ik wil weg uit het verstikkende kapitalistische systeem van galeries en veilingen dat de kunstwereld verziekt heeft.” verzucht de man die inderdaad geen galerie meer bereid vindt hem te vertegenwoordigen. Hij heeft er over de jaren wel een paar tientallen versleten, en niet de minsten, die in zijn peptalk en talrijke Manifesten geloofden. Of deden alsof.
Maar vrees niets: ondertussen houdt zijn bevriende immobiliënmakelaar de zaken draaiende en heeft de Meester een eerste leerling toegelaten die hij het vak zal leren. “voorlopig gratis” verduidelijkt de Cock. Op termijn moeten het er twaalf worden.
Een messias heeft nood aan volgelingen, maar of de blijde boodschap zal blijven aanslaan?

Yves

The Factory aan de reien
Sabato/De Tijd 21/12/2019

 

Attention/opgepast: fragile/breekbaar!

Elke minderbegaafde – zelfs een architect – hoort een aantal dingen te weten. Dat glas breekbaar is, bijvoorbeeld. En dat hoe méér glas, hoe meer kans op glasschade. Zeker in wat zo mooi het ‘openbaar domein’ heet te zijn. Op straat, quoi!
De ontwerpers van het vernieuwde Rogierplein denken daar blijkbaar anders over. Zeer tot hun scha en schande. Of liever: zeer tot hun schande en ónze schade.

Piere-verwaaid
Drielagig gewapend glas van centimeters dik blijkt niet bestand tegen vandalisme. Wie had dát kunnen vermoeden?     (foto: Mattie Billen)

Waarschijnlijk gesponsord door Glaverbel of Saint-Gobain (of hoe heten die glasboeren alweer?) hebben de heren (dames weten wel dat ruiten regelmatig moeten gelapt worden, het zou mij verbazen indien zij zoveel glas zouden aanwenden – op Zara Hadid na, maar die is dood en die kon zich een poetsvrouw veroorloven…), de Heren dus, van het ongetwijfeld toonaangevend architectenbureau XDGA hebben zich hier eens goed laten gaan. De stadsvandalen konden de uitnodiging niet negeren en zijn er dan ook enthousiast op ingegaan. Het was erom vrágen, natuurlijk. De overhellende glaswand moet iets suggereren (wát? een bushalte? een transparante dazibao-muur? openheid van bestuur? transparante financiering?). Het pronkstuk lijkt niet alleen bijzonder fragiel, het is het duidelijk ook. Daarenboven is de constructie zo ontworpen (waarschijnlijk als practical joke tijdens de happy hour op een ‘dress down friday’ van het bureau, dan durft een mens zich al eens te laten gaan…) dat het vervangen van de centimetersdikke glaspanelen het openbreken van het plaveisel vereist. Handig is dat. En ook goed voor de werkgelegenheid, natuurlijk. De platen zijn dan ook zo zwaar en lomp dat vermoedelijk de volledige benedenstad zal moeten ontruimd worden om ze ter plekke te krijgen. Even werd een levering per helikopter overwogen, maar dat bleek niet te kunnen omwille van de (glazen!) overkapping van het plein dat op diezelfde happy hour werd besloten door diezelfde scheve architecten.
Elke minderbegaafde hoorde te weten dat het Rogierplein/Place Rogier hét grootste tochtgat van Brussel is -enkel het halfrond van het Brussels Parlement komt in de buurt, qua windmaken. En net dát tochtgat krijgt dan zo’n overkapping die de niet geringe (eufemisme!) windstromen, die met zo’n 5 Beaufort vanaf het Noordstation langs de Belfiustoren het plein opwaaien richting Adolphe Max, naar beneden drukt, om zeker te zijn dat passanten er ten volle kunnen van ‘genieten’. Langs voornoemde schuine glazen wand worden de busreizigers verondersteld enige beschutting te vinden tegen regen en wind. Quod non! Bij regenweer – dat gebeurt wel eens in onze contreien – wordt de regen nét in die lengterichting geblazen zodat zelfs de stevigste paraplu van geen nut is. Als de bui dan over is, blijft een vieze wand achter, vol spetters regenwater vermengd met het fijn cementstof van de talrijke bouwwerven in de buurt. En geen poetsvrouw/man in de buurt om het glas met zeemlap en aftrekker te lijf te gaan! Geen wonder dat de transmigranten de catacomben van het Noordstation verkiezen boven deze glazen paddestoel. Je hebt er misschien geen Starbucks, maar je zit er tenminste droog. Alhoewel, ‘zitten’ is hier niet helemaal op zijn plaats: het project van 29.000.000 euro (volgens krantenartikels uit 2006; maak er dus gerust vijftig miljoen van) voorzag blijkbaar geen zitbanken. Er zijn nu enkel een soort stalen meerpalen om te gaan zitten, ijskoud en te laag, waarschijnlijk bedoeld om gemotoriseerde terroristen van het plein weg te houden. De vermoeide reiziger loopt er niet enkel een dubbele pleuris op, maar ook nog eens aambeien en aderspat!

Yves

Eindejaarssomberte

Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan.
“Ben jij niet véél te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna 10 minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat ze om 12u22 kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (wààr ging dit heen?) maar deze bus reed finaal óók richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.
Ik mocht vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260 maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met déze bus sneller op mijn bestemming zou zijn.
Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.

“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. 14 dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed… Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen. Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer terug zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en…
Ik maakte me los van deze praatgrage man, “Ik ga je gerust laten; jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”

Ik ging vooraan zitten lezen. Werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit zodat ik me kon concentreren op mijn boek. Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren waar er nog plaatsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.
Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik kéék inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.

Zou ik nog wat verder lezen, was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over 10 minuten… Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.
drukke Nieuwstraat
Aan het Rogierplein sprong ik er uit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pré-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat méér opbrengst genereren?
Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg, wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent. Opnieuw -net als vorig jaar- nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.

Mattie

Black out?

28.Kerstdolligheid nog meer
Stadhuis Mechelen begin december bij dreigend elektriciteitstekort…

Van Brussel wist ik het al. Van Antwerpen ook.
Wégblijven tot ruim na Nieuwjaar was de boodschap. Wegens Winterpret en overdosis Bing Crosby (voor de jongeren onder ons: denk Jingle Bells en White Christmas en je weet wat ik bedoel…)
Maar Mechelen.
De stad die er prat op gaat door de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld bestuurd te worden.
Uitgerekend Méchelen!
Een mens is nergens meer veilig. Wat een rustige wandeling van de Onze-Lievevrouwestraat (boekhandel de Zondvloed) via de Bruul naar het gezellig Marokkaans eethuisje even voorbij de Grote Markt had moeten worden, bleek op een visuele nachtmerrie uit te draaien. We hadden het voelen aankomen, natuurlijk: de eerbiedwaardige Brusselse Poort kreunde al onder wat sommigen een sfeervolle kerstverlichting zullen noemen: witte ijspegels die voornoemde witte Kerst moeten evoceren. Een mens zou voor minder een stal opzoeken om te bevallen.
Over de Bruul kan ik kort zijn. Het is een winkelstraat, dan weet je het wel! Maar wat gezegd van het huis waar de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld kantoor houdt?  De foto spreekt boekdelen, denk ik. Waar is de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld als je hem nodig hebt? Of de bevoegde Schepen van Electriciteit? Ook de Beste-Ter-Wereld, naar het schijnt. Hebben ze plots een black out? Misschien gewoon vergeten het licht te doven bij het verlaten van het Stadhuis. Niemand is perfect, zélfs niet de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld.

Yves

 

Keuzestress

In winkels manifesteert het zich telkens: ik weet niet wat te kiezen. Er zijn tientallen soorten van een zelfde product en nog steeds komen er regelmatig nieuwe bij. Eetbare dingen verschillen meer of minder in prijs (duur – goedkoop), in samenstelling (vet – mager), in vorm (in blok – sneetjes – gemalen), in verpakkingsmateriaal (plastic – papier/karton – bulk) en vooral in smaak (vies – zonder smaak – lekker). Waarom is er zo véél? Ik begin altijd te duizelen en raak de weg kwijt in die veelheid. “Stick to the usual” is het motto.

Keuzestress2
http://www.loesje.nl

Dezer dagen raak ik geagiteerd door verkiezingspropaganda. Ik word hoorndol van al die blaadjes en boekjes die uit de brievenbus puilen en van de grote portretten die je supersmilend begroeten vanuit de tuintjes van burgers die plots kleur bekennen.

Democratie is vanzelfsprekend belangrijk en ik ga akkoord dat we met z’n allen voor een goed bestuur moeten kiezen. Alleen komt het nogal ongeloofwaardig over wanneer we om de 6 jaar in enkele weken tijd overspoeld worden door een tsunami aan informatie over de goede intenties van politieke partijen die plots het allerbeste met de burger voorhebben. Terwijl je er jaren lang weinig of niets van hoorde – enkele ijverige oppositieleden niet te na gesproken – en als een roepende in de woestijn bij het gemeentebestuur klaagde over wantoestanden in de kinderopvang, wildgroei in de bermen (over hangende reuzedistels en netels die jouw fietserskuiten prikkelden), putten in fietspaden – als deze laatsten er überhaupt al wàren!

Van sommige obscure partijen heb je zelfs nog nooit gehoord. Vooral op provinciaal niveau zie je over het ganse land de gekste benamingen tussen de ouwe getrouwen opduiken: Piratenpartij, Voluit Respect, Be.One, SamBa, Spiegel Partij, Pokémon-lijst … Ik verzin het ècht  niet.

In onze gemeente is het overzichtelijk. Vier partijen – oranje, rood, groen en geel – zijn hier opgelijst. Je ziet dat ze hun best deden om een redelijk evenwicht tussen de diverse geslachten te presenteren. Één partij heeft een nieuwe naam – denk ik toch. De oude naam is nergens meer te bespeuren. Angst voor de erfzonde? Er prijken nochtans veel oudgedienden op. Ik ben geneigd te denken: oude wijn in nieuwe zakken…

De programma’s van de 4 verschillen nagenoeg niet. Het is één pot nat. Bij de diverse partijen is er niets specifieks terug te vinden over respectievelijk christelijk, sociaal, ecologisch of Vlaams. De nieuwe alliantie pakt zelfs in bijna elk van haar slogans uit met het woord “groen”. Het moeten al hersenloze dommeriken zijn die dan per abuis het bolletje voor geel rood gaan inkleuren terwijl ze eigenlijk groen wilden stemmen! Ze riskeren een blauwtje te lopen.

Allee! Zondag ga ik mijn verantwoordelijkheid nemen en me naar de stemlokalen begeven. Misschien tussen de soep en de patatten (het is op 100 meter hier vandaan). Maar toch een weloverwogen keuze maken.
Daarna een pintje drinken en naar een concert gaan. Tenminste, als ik niet alsnog word opgeroepen om een dolgedraaide bijzitter te vervangen…

Mattie

Gemeente- en provincieraadsverkiezingen
14 oktober 2018
In heel België

Wat een zak!

Het promomeisje was er zelf mee verveeld, gaf ze toe.
Welke wereldvreemde oen haalt het anno nu in zijn hoofd om de bezoekers van een voor het overige vreedzaam stadsfestival als Boterhammen in het Park een grote papieren zak aan te smeren, waarin een gratis(!) exemplaar van de Standaard. Oké, de krant is medesponsor van de gratis boterhammen met kaas in de Brusselse Warande en voor wat hoort wat, maar een kingsize draagtas uit luxueus gebleekt machinegestreken papier? In tijden van ecologisch en ander burgerbewustzijn had een béétje marketing manager toch kunnen vermoeden dat dat wrevel zou opwekken? Wat een zak!

zak klVoor mij had het alleszins wat bescheidener gemogen.
Waarom niet voor een servetje gekozen? Altijd handig in de blakende augustuszon, wanneer de kaas van tussen je boterham wilt weglopen. Camembert for Président, of is het omgekeerd?

Yves

Zin en onzin

(afscheid van M.)

Iedereen die regelmatig met de trein reist is wel eens geconfronteerd met de ingrijpende mededeling van de sporenorganisatie: “Verstoord treinverkeer wegens persoonsongeval”. Waarbij ‘persoonsongeval’ een eufemisme is voor ‘zelfdoding’ (hetgeen sommigen een eufemisme vinden voor ‘zelfmoord’). Vervelend voor wie zijn rit afgeschaft ziet, nog meer pech als je op de betreffende trein zit. Verschrikkelijk voor de treinbestuurder en de conducteur die minstens een trauma oplopen maar die hun werk verder professioneel moeten blijven uitvoeren en geïrriteerde reizigers te woord dienen te staan. Of die een andere job moeten zoeken omdat ze nooit meer in die cabine willen kruipen waarin ze eventueel een seconde lang zicht hadden op een mens in uiterste wanhoop waar ze met grote snelheid willens nillens op ingereden zijn. Met alle gevolgen vandien en hetgeen ze daarna onder ogen moesten zien, je mag er niet aan denken.
Het hoeft geen betoog dat er een geweldig wrede impact is op het leven van de nabestaanden, en dit niet enkel emotioneel want de kosten bij een suïcide door middel van een trein worden vaak verhaald op de familie.

Maar beeld je eens in hoe erg dit moet (geweest) zijn voor de mens die voor die aanstormende trein is gesprongen. Welke wanhoop en pijn torste die, welke onoplosbaar lijkende problemen wogen ontzettend zwaar, welke ingewikkelde complexen had die, welke emotionele strijdtonelen moeten er voorafgegaan zijn aan die ene fractie van een seconde waarin er niet meer gedacht wordt, waarbij men zich overgeeft aan een wens die misschien al maanden, wie weet zelfs jaren sluimert of op de voorgrond zit: dit moet stoppen. Het draadje dat tot nu toe nog telkens aan die mens getrokken had en hem of haar deed terugdeinzen, knapt. Er is geen weg meer terug wanneer je letterlijk het toch al zo wankele evenwicht verliest en je laat voorover vallen of springt.

Vorige week waren er op 4 dagen tijd even zovele zelfdodingen op de rails in en om Duffel. Het haalde de pers, er waren Facebookposts. Er verscheen o.a. een kaart van Europa met aanduiding voor ieder land van het aantal zelfdodingen per 100.000 mensen per jaar (zie ook: artikel +kaart). Hieruit kwam België als een koploper naar voren. De man die dit bericht gepost had -nadat hij zelf oponthoud had geleden in het treinverkeer en wiens trein omgeleid was door ‘het vierde geval’ van de week in Duffel- stelde zich de vraag: “Wat is dat toch met ons?” Velen hadden iets zinnigs of onzinnigs daarover te melden.

De commentaren gingen in eerste instantie vooral over de betrouwbaarheid van de gehanteerde statistieken. Maar maakt het wat uit of de getallen en verhoudingen in deze heel precies zijn? Ieder geval van zelfdoding is er één te veel; er kan hier absoluut niet gerelativeerd worden!

Anderen hadden het over het egoïsme van de zelfmoordenaar: “après moi le déluge!” En “neem dan medicatie of zoek goede hulp!”.
Ja, als alles daarmee opgelost raakte dan was het leven echt één groot feest! Het is helaas zo dat er nauwelijks ‘propere’ manieren voorhanden zijn om een einde aan het leven te stellen om maar te zwijgen van de tegenstand die men nog steeds ondervindt bij het willen regelen van een euthanasie omwille van ondraaglijk psychisch lijden.

Gelukkig waren er ook meer genuanceerde berichten zoals dit: “Wij verloren als 20-ers al een vriend in die beruchte bocht van Duffel. Ik zat toevallig in de trein na die noodlottige ‘aanrijder’, en sakkerde toen, onwetend, dat ik door een idioot op de sporen, te laat dreigde te komen op mijn eerste sollicitatiegesprek. Die avond hoorde ik dat het onze vriend was. Nog altijd voelen we dat verlies, en dat van alle anderen die hem achterna gingen.”

Ook ik deed mijn zegje, maar beperkte dat tot “Djeezes, wát is er met Litouwen??” omdat dat land er wel héél erg bovenuit steekt (cijfer is 2x zo hoog als het gemiddelde van Europa). Waarna ook weer een hoop reacties die hier nu niet terzake doen.

depressedHoe wrang en zelfs wreed was het kort daarna een bericht in mijn mailbox te vinden met de zeer droevige tijding dat een (ex)collega/vriendin voor zelfdoding gekozen heeft.
In Duffel. Slik.

Vanzelfsprekend ben ik véél bezig met dit onderwerp de laatste dagen. De onvermijdelijke “Wat alsen…” die door m’n hoofd flitsen. Wreed en hard en verbijsterend hoe niks dit drama deed vermoeden, al wist ik dat ze zich slecht voelde en gingen we het gesprek erover niet uit de weg.
Veel nagedacht over vriendschap. Zoals een vriendin met wie ik dit leed deel mij schreef: “Vriendschap, wat is dat precies, wie beschouw je als vriend of eerder als kennis, hoe ver gaat een vriendschap, hoe zit het met de wederkerigheid in die vriendschappen, hoe toon je je vriendschap – hoe weet je dat jouw vriendschapsintentie/beleving zo overkomt zoals je ze bedoelt, wat zeg je binnen een vriendschap … ?”

Zo een gebeurtenis blijft alsmaar door je kop malen. Vandaar deze blogpost.

“Niet te veel mopperen” was een andere frappante post, en dat is mijn voornemen nadat ik gisteren afscheid nam van mijn betreurde vriendin. Het leven is een wrange grap, dus laten we maar lachen als we uitgehuild zijn.

Mattie

Pleinvrees

Ik hou van pleinen. Of liever: ik hou van pleintjes.
Wat is er gezelliger dan zonder plan of doel door de stad te slenteren en, verscholen om een anonieme straathoek, een pleintje met een boompje, een bankje, een klein cafeetje misschien, te ontdekken. Overal waar ik geregeld kom loop ik graag verloren. Ik hou er favoriete plekjes aan over. Niet altijd makkelijk om terug te vinden, trouwens.
In Brussel bijvoorbeeld is dat het Vrijheidsplein met het monument ter ere van Charles Rogier. Niet écht een zakdoek groot, dit plein, maar het grasperk met de bomen en de terrasjes errond, geven het een je-ne-sais-quoi dat mij zeer aanspreekt. Een ideale plek om even te verpozen tussen Madou en Congres.

brussel-vrijheidsplein

Helaas houden Brusselse beleidsverantwoordelijken er duidelijk een andere visie op na. Ze hebben meer oog voor grote pleinen en gigantische esplanades dan voor de discrete charme van eenvoudige rustplekjes in de stad. Eerder dan deze in ere te houden, kiezen ze voor het grof geweld van het megalomaan heraanleggen. En daarbij worden telkens weer dezelfde nepargumenten bovengehaald van het ‘heroveren van de openbare ruimte’ of het ‘creëren van levendige publieke ontmoetingsplekken’. De plannen worden steevast goedgekeurd ‘na een uitgebreide consultatieronde’ heet het dan. Alsof er iemand zou wonen aan het Rogierplein, in de Madou-toren of op het Poelaertplein vóór het Justitiepaleis!
Heel af en toe loopt het verkeerd af, met die consultatieronde. Dan verzetten bewoners zich tegen plannen die zonder pardon hun leefomgeving voor jaren naar de kl..en wil helpen. De dagelijkse Voddenmarkt op het Vossenplein (d’aa Mèt, zoals we hier zeggen) wordt dan, zeer tegen de zin van de initiatiefnemende Schepen, gered. Tot een volgende megalomane stadsbestuurder weer op de proppen komt met hetzelfde plan voor een ondergrondse parking. Hopende op het korte geheugen van de bewoners.

De eerste Brusselaar die onder de glazen luifel van het Rogierplein een ‘levendige ontmoetingsplek’ gaat zoeken, moet ik nog tegenkomen. Dáárvoor is, na zonsondergang de vlakbijgelegen beeldentuin van de Botanique meer geschikt, als u begrijpt wat ik bedoel?
In het beste geval biedt zo’n fraaie overkapping van het grote Niets even beschutting tegen de regen voor wie van punt A (het Noordstation) naar punt B (de Primark in de Nieuwstraat) wil stappen wanneer de metro weer eens staakt. In de zomer wil ik er zelfs niet aan denken welke temperaturen daar genoteerd zullen worden. Een microklimaat in wording!

brussel-rogier met luifel (kl)De verkozenen des volks moeten natuurlijk sporen nalaten voor het nageslacht. Dat is een vorm van uitgestelde verloning bovenop hun schamele emolumenten. Zoals krolse katers vlaggen, laten zij bronzen inhuldigingsplaten achter. Stel je voor dat volgende generaties Brusselaars niet zouden weten dat Pascal Smet of Els Ampe het initiatief namen ter verfraaiing van hun stad!
Met het budget voor de glazen parasol aan Rogier of voor de blauwe stenen van het de Brouckèreplein kan je ongetwijfeld een halve eeuw lang een legertje stadsarbeiders in dienst nemen om uitpuilende vuilnisbakken regelmatig te legen of de eenvoudige houten zitbanken een likje verf te geven. Er hoeft zelfs geen plaatje bij dat mij uitlegt wie daar het initiatief toe nam!

Yves