Het jaar van de kroon

Het was het jaar van de kroon. De kroon op het harde werk. Want werken in Coronatijden is extra hard werken, of het nu thuis is met kwetterend spelende, jengelende en/of ruziemakende kinderen in de buurt, of op verplaatsing in een setting waar Corona ook voortdurend op de loer ligt. Het was vooral het jaar van de kroon op het geduld!

Nooit werd er zoveel gevraagd van een gemeenschap. En deze gemeenschap was er een van wereldgrootte. We moesten op afstand van elkaar blijven, we mochten bijna niet buitenkomen, we moesten onze gewoontes achterwege laten, onze aandrang bevechten om elkaar een hand te geven, elkaar op te zoeken, elkaar te knuffelen. We leerden onze handen veelvuldig te wassen, te ontsmetten. Allemaal werden we alcoholverslaafden, om de zoveel meter prijkte er een flesje waar je het goedje uit mocht pompen. Allemaal werden we kampioen in het alléén winkelen en onze kar in een recordtempo vol gooien voor minstens een week overleven. Als we al het geluk hadden voldoende geld op onze rekening te hebben… Bij het verlaten van onze woning moesten we een masker achter onze oren spannen, onze bril dampte dan direct aan en we kregen het benauwd. Maar dat verbeterde gaandeweg. We leerden hoe we deze zaken konden vermijden. Op den duur wende het om mensen met een mondmasker te zien. Het werden eerder uitzonderingen die er géén op hadden en die wezen we terecht want we wilden deze miserie zo spoedig mogelijk achter de rug hebben.

Het duurt nu al zolang. Gisteren heb ik voor het eerst geZoomd. Ik ben overstag gegaan. Tot hiertoe had ik het afgehouden want ik had er geen tijd voor en nog minder goesting. Maar ik miste mijn koorgenoten en blijkbaar genoten zij af en toe ervan elkaar als minimensjes op een scherm te zien. Enkel hoofdjes die babbelden. Ik heb het al moeilijk om in een café in groep te zitten en een gesprek te volgen, laat staan te voeren. Ik ben meer een persoon van één-op-één-contact. Niet dat ik exclusieve aandacht wil (hoewel…) maar het begint vaak te rommelen in mijn hoofd als verschillende mensen door elkaar praten. Ik kan den draad dan niet vinden en weet niet waar ik geacht word op in te gaan, wat te kiezen. Bon, ik heb er grotendeels het zwijgen toe gedaan, de commentaren op mijn hoofddeksel -mijn oude paarse baret kwam me goed van pas om mijn Coronatooi te verbergen- met een veelzeggende smile gecapteerd en af en toe geknikt.

Toen na een half uur de laatste 10 minuten van de ‘conferentie’ ingingen kon ik er niet aan weerstaan mijn ondertussen zwaarwegende hoofd te ondersteunen met een hand, hetgeen overkwam als een zeer verveelde pose (je ziet jezelf ook in de mozaïek van deelnemers). Sorry, zanggenootjes, ik zie jullie graag maar geef mij maar de liveversie na het zingen met een goed biertje in de hand aan den toog van onze repetitieruimte! We gaan nog wat geduld hebben en weldra staan we weer vierstemmig mooie klanken voort te brengen in ons aller Leirekencafé, op maandagavond als het enkel voor ons koor open is! We zullen glazen heffend en klinkend ons drinklied zingen, dat nu meer dan ooit toepasselijk is: “Le bon vin nous a rendu gais, chantons, oublions nos peines, chantons!” Weldra, als we weer onbekommerd samen mogen zijn en vrij dicht bij elkaar samen mogen zingen! Want er komen betere tijden.

Mattie

Paul D’Haese, fascinerende fotografie

Ik hou veel van fotografie. Ik kijk graag in fotoboeken. De mijne hebben voornamelijk de mens als centraal onderwerp. Portretfotografie, boeken als “Brussel intiem” (mensen die zich met al hun huisgenoten in hun interieur in een Brusselse woning lieten vereeuwigen), de stad met haar bewoners (Amsterdam en Parijs van Ed Van der Elsken), de mooie thematische boeken van Lieve Blancquaert, de erg geënsceneerde producties van Leni Riefenstahl, de estetisch uitgepuurde foto’s van Robert Mapplethorpe, zelfs Leopold III kan me als fotograaf charmeren en ook wel foto’s van concerten -vb. in Paradiso- of van mensen met hun huisdier. Eerder anekdotische foto’s, beelden waar je een verhaaltje rond kan brouwen door de situatie die je afleest.
Uitzonderlijk heb ik enkele boeken over interieurs waar geen mensen in te zien zijn, maar waar je vanzelfsprekend de mensen in kan waarnemen via hun creaties, hun inrichting, de sporen van maaltijden of rommel en vuiligheid, zichtbare armoede, de lompe TV in het midden van de kamer, het met een morsige sprei gedekte bed. Boeken of tijdschriften over (binnenhuis)architectuur waar alles onder controle is en proper en netjes gepresenteerd omdat de nadruk ligt op het concept van de architect die zich wil verkopen kunnen me eveneens bekoren.

Gisteren bezocht ik twee tentoonstellingen met foto’s van Paul D’Haese (1958°). Ik kende het werk van deze fotograaf niet. Maar wat een ontdekking! Ik geraakte niet uitgekeken op de haarscherpe beelden van desolate landschappen en/of afgeleefde gebouwen, braakliggende terreinen of bruggen. Ik denk dat de fotograaf urenlang op zoek gaat naar de locaties en er naar terugkeert om een juiste lichtinval en toevallige ‘passanten’ (een kat, een vrachtwagen, een caravan…) in de cadrage te krijgen, met behulp van een technische camera waarmee hij alles uitgemeten vat. De compositie lijkt wiskundig berekend, soms is er net geen symmetrie en àltijd is er een prachtig spel van lijnen en vlakken en terugkerende vormen in sombere doch meestal warme kleuren. Vaak in combinatie met bomen, struiken, pilaren, kabels. Hoe lelijk, oud en vervallen de huizen, koterijen, muren, asfaltstroken of parkeerplaatsen ook zijn en hoe ‘bric-à-brac’ de voorwerpen die zich erbij bevinden -schotelantennes, keien, nadarhekken, kasseien, balkjes, afdekmatten, verkeersborden, elektriciteitskasten, vuilbakken… het levert schitterende, soms zelfs ontroerende, beelden op. De tijd laat zich lezen in de letterlijke littekens van huizen en bouwwerken die in diverse perioden bij elkaar gebracht werden. Het zijn tekens van afbraak en restauratie, leegtes die een verleden suggereren, vlekken die wijzen op herstel en slijtage en opnieuw herstel.

foto Paul D’Haese

Bouwsels leunen tegen elkaar aan, ze staan vloekend en onlosmakelijk van elkaar in wat een eeuwigheid lijkt. Diverse grijzen in een strak lijnenspel van fabrieksmuren met schaduwpartijen vormen een contrast met een crème-fraîchelucht van witte wolken die uit de trapeziumvormige uitsnijding op de foto van deze hall opstijgen; op de binnenplaats liggen grote bij elkaar gebonden buizen en twee enorme industriële voorwerpen die ik niet kan duiden. Sowieso zijn de foto’s heel fascinerend en opwindend doordat ze je fantasie prikkelen. Een reeks bleke garagepoorten staan repetitief te wezen met het accent op één donkerbruine poort. Elders staan betonnen wanden afgebiesd met prikkeldraad dominant in het beeld, op de hoeken enkele staalharde metalen muurankers. Op een verlaten binnenkoertje omzoomd door hoge witte muren staat het karkas van wat ooit een schommel was; op de wand achter dit staketsel zie je de schaduw van een reeks kale boomkruinen waarvan de (schaduw)stammen over de grond naar je toe kruipen. Op de dwarse witte wand is er een schuinaflopende schaduw van een leuning die zich boven op het dak bevindt van het gebouw dat je slechts héél fragmentarisch ziet. Op een andere foto met enkele kleine arbeidershuisjes die solidair driehoekig omhoog pieken in diverse kleuren en materialen, prijken scheuren in de muren haast vertederend naast ronde raampjes van hoop.

Industriële rommel krijgt op de foto’s van Paul D’Haese een dimensie van schoonheid door het haast abstracte ervan: een toren van autobanden, een stapel houtwerk met ergens bovenop een oude boot. Ik zou eindeloos kunnen doorgaan met het trachten beschrijven van wat ik zag. Ik zag twee tentoonstellingen achtereen, ze zijn heel verschillend maar ik beschouw ze hier als één geheel van zeer herkenbaar werk van een interessante fotograaf. Ik ben enthousiast. Paul D’Haese heeft een nieuwe volger.

Mattie

Paul D’Haese

Winks of Tangency (Contretype, Fontainashof 4, 1060 Brussel)
16/9 – 8/11/2020

Borderline (Hangar, Photo Art Center, Kasteleinsplein 18, 1050 Brussel)
5/9 – 24/10/2020

Opgehokt

Rare tijden, heel de wereld geteisterd door een onzichtbare vijand die ongeveer alles lam legt. Je wil het ‘monster’ een gezicht geven of op zijn minst een ander beeld voor ogen hebben dan het groen snotterig bolletje met buisachtige uitstulpingen dat in een twisted brein als het mijne aan een latex seksspeeltje doet denken (my dirty mind which on this very moment is no joy anymore).

Vandaag voel ik me voor het eerst een beetje moedeloos en claustrofobisch. Mag ik het wat van me àf schrijven? Ik ben nl. geen beller, nooit geweest. En de zaken die ik nu zie passeren zijn al helemaal niet aan mij besteed. ZOOM, Praatbox, Jitsi, Skype, Team, Party in the house, Google-meet, Whatsapp-videocall… noch in koorverband, noch voor onlinevergaderingen in werkcontext en eigenlijk ook niet voor familiezaken – al wil ik me voor dit laatste forceren indien nodig. Ik beklaag de mensen die plots gedwongen worden om via deze tools thuis te moeten functioneren terwijl ze gelijktijdig een stel peuters, kleuters en/of tieners in toom moeten houden en schoolwerk dirigeren via nòg andere elektronische platformen! En daarbovenop nog een huishouden moeten runnen…

Tot ik ziek werd verliep mijn Coronamatisch leven nog vrij normaal. Ik ging alle dagen de deur uit naar mijn werk. Ik realiseerde me dat ik tot de happy few behoorde die nog gewoon naar buiten mochten als voorheen. Alleen, het was allesbehalve als voorheen. Op de baan werd het alsmaar wezenlozer omdat er haast geen ander levend wezen te bespeuren viel. Niet op de bus noch op de trein, maar ook niet wanneer ik me met de wagen verplaatste wegens ontoereikend openbaar vervoer. ‘s Avonds laat reed ik met de auto over lege rijvakken, ik wachtte als enige automobilist een kwartier tot een ellenlange goederentrein voorbijgesjoekt was maar er stond ondertussen niet één voertuig méér voor de barelen. Ook geen voetganger of fietser.

Overal werd er alleen nog maar gecommuniceerd over Corona si en Corona là. De briefings op het werk waren verre van ‘brief’ en ze gingen vooral over de in het Coronaverhaal passende voortdurend wijzigende afspraken, maatregelen, voorwaarden, veiligheidsvoorschriften en penaliseringen bij overtredingen daarvan binnen ons opvangcentrum. Het Coronahandboek. De Coronalijst (van -mogelijk-besmette bewoners die in quarantaine gezet werden). De Corona-Wiki…

Door de nieuwsbulletins en de duidingsprogramma’s die je overal om de oren slaan, ja die zich ronduit aan je opdringen en die alléén maar over het virus gaan, ging ik angstig worden. Hulp, ik kom alle dagen buiten! Hulp, ik begeef me dagelijks tussen 100-den mensen die de afstandsregels (althans de eerste weken) niet zo nauw nemen. Ook niet altijd nauw kúnnen nemen want verzoekers om internationale bescherming in een opvangcentrum leven noodgedwongen enorm dicht op elkaar. Ze slapen met 4 tot 7 op één kamer, ze eten in een refter die sowieso al te klein is, ze maken gebruik van gemeenschappelijk sanitair, van gemeenschappelijke TV-ruimten, van een gemeenschappelijke fitnessruimte, van gemeenschappelijke laptops, van gemeenschappelijke strijkijzers en -planken, spelmateriaal, poetsgerief… materiaal dat ik en mijn collega’s beheren, hanteren. Bovendien is het niet eenvoudig om al die ingewikkelde – en vaak veranderende- informatie aan anderstaligen uit te leggen!

In het begin mochten wij, werknemers, geen mondmasker dragen (de bewoners zouden kunnen denken dat we ziek waren en ook allemaal mondmaskers eisen, en… er wàren onvoldoende mondmaskers). Dan mochten we enkel onder strikte voorwaarden in bepaalde situaties chirurgische mondmaskers voorbinden. Nu moéten we mondmaskers (gaan) dragen!

C-bal (kl)

De vraag was op den duur niet meer òf ik ziek zou worden, dan wel wanneer.
Het onvermijdelijke gebeurde. Ik werd ziek. En ook mijn partner werd ziek en dat was erger. Want hij behoort tot een risicogroep of twee, drie.

Reeds bijna 3 volle weken ben ik nu arbeidsongeschikt verklaard en mag ik het huis niet verlaten. Nog eens zovele dagen en het is lètterlijk een ‘quarantaine’. Nooit eerder voelde ik me zo volkomen arbeidsongeschikt. Van week tot week moest ik mijn huisdokter bellen voor een evaluatie van de symptomen en telkens schreef ze een verlenging van het attest want ik was overduidelijk niet in staat om mijn werk te verrichten. Ik was “geen chick waard”. In het begin waren er koorts, hoofdpijn, spierpijn en stijve gewrichten, hoesten, geen stem meer hebben en vooral: moe zijn, àltijd moe zijn, enkel willen slapen en in de zetel hangen. Ook de hele vreemde gewaarwording dat je je reukzin volledig kwijt bent, en tevens niets meer proeft. Daarna leek het te verbeteren maar het hoesten blijft en zeker het vermoeid zijn doorkruist je plannen om terug aan de slag te kunnen. Het gaat veel op en af, het lijkt beter en dan gaat het toch weer in neerwaartse spiraal. Je wil op een dag eens proberen om al die vuile was te doen want het wordt zo’n enorme stapel. Okay, daar is een apparaat voor, maar je moet ervoor naar beneden, je moet de was sorteren en daadwerkelijk in de machine steken en er product bijvoegen, na het wasprogramma de kledingstukken aan het rek te drogen hangen enz. Aan het eind van de rit ben je uitgeput en laat je die was maar wapperen want je kan amper uit de zetel.
Wat een geluk dat er lieve vrienden zijn die boodschappen aan huis brengen. Maar zelfs het bedenken en doorzenden van een boodschappenlijst vraagt soms te veel energie.

En wat een geluk dat mijn liefste meestal kookt en de heerlijkste maaltijden op tafel tovert. Tot hij (te) ziek werd en zelfs diende opgenomen te worden in het ziekenhuis.
Dàt is het allerergste, je wil niet weten hoe het voelt om je geliefde in een ambulance te zien verdwijnen en hoe een slap zwaaiend handje als een mogelijk lang of in het ergste geval zelfs definitief afscheid aanvoelt. Want deze onzichtbare vijand heeft al veel mensen weggerukt. Pijnlijk.
Y. wordt snel beter. Momenteel bevindt hij zich in die akelige omgeving waar verplegenden en dokters er eerder als brandweermensen uitzien met hun bevreemdende uitrusting. Er wordt keigoed voor de patiënten gezorgd maar er mag helemaal géén bezoek komen en de organisatie loopt soms spaak omdat er een hele reorganisatie gebeurde waarbij vaak minder mensen het hele logistieke en verzorgende gebeuren op een àndere afdeling op een heel andere wijze moeten bolwerken. Chapeau voor hen allen!
Ik ben blij dat mijn partner niet op intensive care ligt, hij is bij de ‘gelukkigen’ voor wie er vrijwel zeker een gunstige prognose is.

Een nieuw tijdperk lijkt aangebroken. Vroeger toen de dieren nog spraken wordt nu vroeger toen we elkaars grimassen en glimlachen nog konden onderscheiden, toen we elkaar nog een welgemeend schouderklopje konden geven, elkaar tijdens het groeten nog over de rug konden wrijven of in elkaars armen konden vliegen nadat we elkaar een poosje niet gezien hadden. Toen kinderen nog onbezorgd mochten ravotten en op elkaar springen, proeven van elkaars lolly, elkaar kopje onder duwen in het zwembad. Toen leerlingen bij een toets nog een poging konden doen af te kijken van hun ijverige buur. Toen we onze ouders nog onbeperkt mochten knuffelen, ook al waren ze reeds 80 en ouder, al dan niet in een rust- en verzorgingstehuis… Toen we in trein of bus nog rustig een praatje konden slaan met wie naast of tegenover ons zat. Toen mensen niet hoefden te aarzelen om een beetje te flirten op een bank in het park. Toen we nog lekker konden wegzakken in een cinemastoel en geïrriteerd een boze blik konden werpen op een luidruchtig chipsetende cultuurbarbaar vlak naast ons.
Nu zal een (denkbeeldige?) meetstok deel gaan uitmaken van het dagelijks leven.

Maar. Alles wordt beter. Als we ooit de maskers mogen afzetten.

Mattie

Waar is de eenvoud?

Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.

Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden. In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en 100-en mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend 10-tallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of één of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijks volksfeest en rookt de ganse buurt uit met zijn gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.

31eenvoudIeder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij 100-en kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis… Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers. Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen… In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd; in de Middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al-dan-niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.

Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai, grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shóppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.

Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nóg grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten! Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik 2 weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten… Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met Tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op TV, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord omwille van deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd -want heus veel lekkers!- en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond …the sound of silence!

Mattie

Eindejaarssomberte

Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan.
“Ben jij niet véél te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna 10 minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat ze om 12u22 kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (wààr ging dit heen?) maar deze bus reed finaal óók richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.
Ik mocht vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260 maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met déze bus sneller op mijn bestemming zou zijn.
Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.

“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. 14 dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed… Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen. Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer terug zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en…
Ik maakte me los van deze praatgrage man, “Ik ga je gerust laten; jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”

Ik ging vooraan zitten lezen. Werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit zodat ik me kon concentreren op mijn boek. Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren waar er nog plaatsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.
Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik kéék inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.

Zou ik nog wat verder lezen, was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over 10 minuten… Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.
drukke Nieuwstraat
Aan het Rogierplein sprong ik er uit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pré-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat méér opbrengst genereren?
Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg, wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent. Opnieuw -net als vorig jaar- nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.

Mattie

Sylvia: een tragisch leven

Het moet erg moeilijk geweest zijn voor Sylvia Plath om in de jaren ’50 door te breken als dichteres en tegelijkertijd te fungeren als ideale huisvrouw/echtgenote. Zeker naast een partner, Ted Hughes, die wèl succes boekte als poëet, terwijl hij gesoigneerd werd door zijn talentvolle, stimulerende muze. Hèm viel veel aandacht ten deel na publicatie van enkele gedichten, zij bleef in de luwte.
De rol van ideale huisvrouw was haar duidelijk niet op het lijf geschreven, deze van getormenteerde ziel die prachtige gedichten schreef maar hier geen erkenning voor kreeg, des te meer. Zij vertrouwde haar zielenroerselen toe aan het papier tijdens gestolen uurtjes in de ochtend; ze zette haar wekker op 6 uur om te kunnen werken vóór de huiselijke drukte van het gezin aanvatte.

Sylvia Plath

In de voorstelling “Sylvia” van de jonge regisseur Fabrice Murgia, een muziektheater of ook wel ‘pop-opera’, krijgen we een wervelwind aan beelden te zien. We horen mooie muziek, gecreëerd en live gebracht door An Pierlé met haar quartet.

De enscenering vertrekt vanuit een filmset die met enkele camera’s verschillende fragmenten uit het leven van Sylvia Plath capteert. Het wordt letterlijk in stukjes gekapt door een clapboard dat telkens een titel toont waarna er daarover iets getoond wordt. Juliette van Dormael -dochter van Jaco- filmt live en boven de scène op een groot wit scherm worden de beelden geprojecteerd. Soms wordt er ingezoomd op details waardoor betekenissen worden uitgepuurd.
Er gebeurt veel tegelijk op diverse plekken op de scène. Wat mij betreft: te veel. Ik heb maar twee ogen en twee oren en slechts één stel hersenen om indrukken op te doen en te interpreteren. De combinatie muziek, film en theater zou een secure evenwichtsoefening moeten zijn.
Je krijgt alles in stukjes en beetjes en brokjes te zien en te horen in talloze mini-scènetjes met allerlei accessoires in wisselende decors in een zeer dynamische enscenering met paraderende, lopende, dansende, zingende, becommentariërende, filmende actrices. Zij helpen mee de grote decorstukken (kamers, trappen, platformen…) verslepen en verrijden de grote mobiele perch camera. Om de paar minuten zijn er zulke bewegingen, op een gegeven moment is er zelfs een duizelingwekkende dans van de actrices tussen vier ronddraaiende grote wanden met lichtjes.

Negen actrices, op pumps en gekleed in kleurrijke, opwaaiende jaren ’50-jurkjes en -rokken, veruiterlijken bepaalde aspecten van de complexe persoonlijkheid van Plath. Ze cirkelen beurtelings rond één centrale figuur en vormen een soort van spreekkoor, nu eens bewonderend of aanmoedigend en ondersteunend, dan weer roddelend, ondervragend of gemeen…
De drukke actie suggereert de chaotische innerlijke toestand van een vrouw die vaak te kampen heeft met ernstige depressies en die lijdt aan een bipolaire stoornis. Op haar 20ste overleeft ze ternauwernood een zelfmoordpoging, later studeert ze aan de universiteit van Cambridge (waar ze Ted Hughes ontmoet), ze trouwt, wordt zwanger, krijgt een miskraam, baart kinderen, ervaart bedrog door haar partner, scheidt van hem, gaat met haar kinderen in Londen wonen. Tussendoor schrijft ze als een bezetene en doet ze verwoede pogingen om haar poëzie gepubliceerd te krijgen, met matig succes. Pas na haar zelfgekozen dood in 1963 wordt haar werk uitgegeven.

Oh ja, er speelt ook nog een gemaskerde Ted Hughes mee, maar het zou ons te ver leiden daarover uit te wijden. Ted komt hier over als een hulpeloze bijfiguur, zelfs een beetje meelijwekkend. Door de wijze waarop hij wordt opgevoerd – op de achtergrond blijvend – wordt vermeden dat men een ‘kant’ moet kiezen. Er is immers veel commotie rond Hughes, die het beheer kreeg over Plaths persoonlijke en literaire nalatenschap en dit misschien niet altijd optimaal uitoefende…

Kan ik me na het meemaken (zien, horen, ondergaan) van deze pop-opera een voorstelling maken van wie Sylvia Plath was? Weet ik nu meer over haar wanhoop, haar tumultueuze emoties, angsten, obsessies (o.a. met de dood), haar kwetsuren? Ja, het geeft een indruk van hoe haar leven kan geweest zijn. Ik wist niet dat ze hyperactief, gewelddadig èn brutaal was. Of toch: onlangs las ik het boek van Connie Palmen, Jij zegt het, waarin alles vanuit het standpunt van Ted Hughes benaderd wordt. Dit resulteerde ook reeds in een bijgesteld beeld over de dichteres/schrijfster die willens nillens in het ‘kamp’ van de feministen werd geplaatst omdat ze te lijden had onder haar sexe in de jaren 1950-‘60. Voor ‘de feministen’ was Ted Hughes zowat een baarlijke duivel!

Ik stelde al te lang het lezen van Sylvia Plaths autobiografische roman The Bell Jar (De Glazen Stolp) uit. Daartoe stimuleert deze muziektheaterervaring me nu wel, en dat is goed.
Toch blijf ik achter met een gevoel van “less is more”.

Mattie

Sylvia – Fabrice Murgia / Cie. Artara – An Pierlé Quartet
Gezien op 10.10.2018 in Théatre National
Nog te zien op tournee (zie p.13  in dit document)

Keuzestress

In winkels manifesteert het zich telkens: ik weet niet wat te kiezen. Er zijn tientallen soorten van een zelfde product en nog steeds komen er regelmatig nieuwe bij. Eetbare dingen verschillen meer of minder in prijs (duur – goedkoop), in samenstelling (vet – mager), in vorm (in blok – sneetjes – gemalen), in verpakkingsmateriaal (plastic – papier/karton – bulk) en vooral in smaak (vies – zonder smaak – lekker). Waarom is er zo véél? Ik begin altijd te duizelen en raak de weg kwijt in die veelheid. “Stick to the usual” is het motto.

Keuzestress2
http://www.loesje.nl

Dezer dagen raak ik geagiteerd door verkiezingspropaganda. Ik word hoorndol van al die blaadjes en boekjes die uit de brievenbus puilen en van de grote portretten die je supersmilend begroeten vanuit de tuintjes van burgers die plots kleur bekennen.

Democratie is vanzelfsprekend belangrijk en ik ga akkoord dat we met z’n allen voor een goed bestuur moeten kiezen. Alleen komt het nogal ongeloofwaardig over wanneer we om de 6 jaar in enkele weken tijd overspoeld worden door een tsunami aan informatie over de goede intenties van politieke partijen die plots het allerbeste met de burger voorhebben. Terwijl je er jaren lang weinig of niets van hoorde – enkele ijverige oppositieleden niet te na gesproken – en als een roepende in de woestijn bij het gemeentebestuur klaagde over wantoestanden in de kinderopvang, wildgroei in de bermen (over hangende reuzedistels en netels die jouw fietserskuiten prikkelden), putten in fietspaden – als deze laatsten er überhaupt al wàren!

Van sommige obscure partijen heb je zelfs nog nooit gehoord. Vooral op provinciaal niveau zie je over het ganse land de gekste benamingen tussen de ouwe getrouwen opduiken: Piratenpartij, Voluit Respect, Be.One, SamBa, Spiegel Partij, Pokémon-lijst … Ik verzin het ècht  niet.

In onze gemeente is het overzichtelijk. Vier partijen – oranje, rood, groen en geel – zijn hier opgelijst. Je ziet dat ze hun best deden om een redelijk evenwicht tussen de diverse geslachten te presenteren. Één partij heeft een nieuwe naam – denk ik toch. De oude naam is nergens meer te bespeuren. Angst voor de erfzonde? Er prijken nochtans veel oudgedienden op. Ik ben geneigd te denken: oude wijn in nieuwe zakken…

De programma’s van de 4 verschillen nagenoeg niet. Het is één pot nat. Bij de diverse partijen is er niets specifieks terug te vinden over respectievelijk christelijk, sociaal, ecologisch of Vlaams. De nieuwe alliantie pakt zelfs in bijna elk van haar slogans uit met het woord “groen”. Het moeten al hersenloze dommeriken zijn die dan per abuis het bolletje voor geel rood gaan inkleuren terwijl ze eigenlijk groen wilden stemmen! Ze riskeren een blauwtje te lopen.

Allee! Zondag ga ik mijn verantwoordelijkheid nemen en me naar de stemlokalen begeven. Misschien tussen de soep en de patatten (het is op 100 meter hier vandaan). Maar toch een weloverwogen keuze maken.
Daarna een pintje drinken en naar een concert gaan. Tenminste, als ik niet alsnog word opgeroepen om een dolgedraaide bijzitter te vervangen…

Mattie

Gemeente- en provincieraadsverkiezingen
14 oktober 2018
In heel België

Zin en onzin

(afscheid van M.)

Iedereen die regelmatig met de trein reist is wel eens geconfronteerd met de ingrijpende mededeling van de sporenorganisatie: “Verstoord treinverkeer wegens persoonsongeval”. Waarbij ‘persoonsongeval’ een eufemisme is voor ‘zelfdoding’ (hetgeen sommigen een eufemisme vinden voor ‘zelfmoord’). Vervelend voor wie zijn rit afgeschaft ziet, nog meer pech als je op de betreffende trein zit. Verschrikkelijk voor de treinbestuurder en de conducteur die minstens een trauma oplopen maar die hun werk verder professioneel moeten blijven uitvoeren en geïrriteerde reizigers te woord dienen te staan. Of die een andere job moeten zoeken omdat ze nooit meer in die cabine willen kruipen waarin ze eventueel een seconde lang zicht hadden op een mens in uiterste wanhoop waar ze met grote snelheid willens nillens op ingereden zijn. Met alle gevolgen vandien en hetgeen ze daarna onder ogen moesten zien, je mag er niet aan denken.
Het hoeft geen betoog dat er een geweldig wrede impact is op het leven van de nabestaanden, en dit niet enkel emotioneel want de kosten bij een suïcide door middel van een trein worden vaak verhaald op de familie.

Maar beeld je eens in hoe erg dit moet (geweest) zijn voor de mens die voor die aanstormende trein is gesprongen. Welke wanhoop en pijn torste die, welke onoplosbaar lijkende problemen wogen ontzettend zwaar, welke ingewikkelde complexen had die, welke emotionele strijdtonelen moeten er voorafgegaan zijn aan die ene fractie van een seconde waarin er niet meer gedacht wordt, waarbij men zich overgeeft aan een wens die misschien al maanden, wie weet zelfs jaren sluimert of op de voorgrond zit: dit moet stoppen. Het draadje dat tot nu toe nog telkens aan die mens getrokken had en hem of haar deed terugdeinzen, knapt. Er is geen weg meer terug wanneer je letterlijk het toch al zo wankele evenwicht verliest en je laat voorover vallen of springt.

Vorige week waren er op 4 dagen tijd even zovele zelfdodingen op de rails in en om Duffel. Het haalde de pers, er waren Facebookposts. Er verscheen o.a. een kaart van Europa met aanduiding voor ieder land van het aantal zelfdodingen per 100.000 mensen per jaar (zie ook: artikel +kaart). Hieruit kwam België als een koploper naar voren. De man die dit bericht gepost had -nadat hij zelf oponthoud had geleden in het treinverkeer en wiens trein omgeleid was door ‘het vierde geval’ van de week in Duffel- stelde zich de vraag: “Wat is dat toch met ons?” Velen hadden iets zinnigs of onzinnigs daarover te melden.

De commentaren gingen in eerste instantie vooral over de betrouwbaarheid van de gehanteerde statistieken. Maar maakt het wat uit of de getallen en verhoudingen in deze heel precies zijn? Ieder geval van zelfdoding is er één te veel; er kan hier absoluut niet gerelativeerd worden!

Anderen hadden het over het egoïsme van de zelfmoordenaar: “après moi le déluge!” En “neem dan medicatie of zoek goede hulp!”.
Ja, als alles daarmee opgelost raakte dan was het leven echt één groot feest! Het is helaas zo dat er nauwelijks ‘propere’ manieren voorhanden zijn om een einde aan het leven te stellen om maar te zwijgen van de tegenstand die men nog steeds ondervindt bij het willen regelen van een euthanasie omwille van ondraaglijk psychisch lijden.

Gelukkig waren er ook meer genuanceerde berichten zoals dit: “Wij verloren als 20-ers al een vriend in die beruchte bocht van Duffel. Ik zat toevallig in de trein na die noodlottige ‘aanrijder’, en sakkerde toen, onwetend, dat ik door een idioot op de sporen, te laat dreigde te komen op mijn eerste sollicitatiegesprek. Die avond hoorde ik dat het onze vriend was. Nog altijd voelen we dat verlies, en dat van alle anderen die hem achterna gingen.”

Ook ik deed mijn zegje, maar beperkte dat tot “Djeezes, wát is er met Litouwen??” omdat dat land er wel héél erg bovenuit steekt (cijfer is 2x zo hoog als het gemiddelde van Europa). Waarna ook weer een hoop reacties die hier nu niet terzake doen.

depressedHoe wrang en zelfs wreed was het kort daarna een bericht in mijn mailbox te vinden met de zeer droevige tijding dat een (ex)collega/vriendin voor zelfdoding gekozen heeft.
In Duffel. Slik.

Vanzelfsprekend ben ik véél bezig met dit onderwerp de laatste dagen. De onvermijdelijke “Wat alsen…” die door m’n hoofd flitsen. Wreed en hard en verbijsterend hoe niks dit drama deed vermoeden, al wist ik dat ze zich slecht voelde en gingen we het gesprek erover niet uit de weg.
Veel nagedacht over vriendschap. Zoals een vriendin met wie ik dit leed deel mij schreef: “Vriendschap, wat is dat precies, wie beschouw je als vriend of eerder als kennis, hoe ver gaat een vriendschap, hoe zit het met de wederkerigheid in die vriendschappen, hoe toon je je vriendschap – hoe weet je dat jouw vriendschapsintentie/beleving zo overkomt zoals je ze bedoelt, wat zeg je binnen een vriendschap … ?”

Zo een gebeurtenis blijft alsmaar door je kop malen. Vandaar deze blogpost.

“Niet te veel mopperen” was een andere frappante post, en dat is mijn voornemen nadat ik gisteren afscheid nam van mijn betreurde vriendin. Het leven is een wrange grap, dus laten we maar lachen als we uitgehuild zijn.

Mattie

O, de dode dieren

Kort voor de middag neem ik de trein naar Brussel. In het compartiment naast het mijne zit een ouder koppel gezellig te keuvelen. Ik open mijn boek en begin te lezen.

Controle van de biljetten. De oudere meneer blijkt één of ander nodig document niet te kunnen tonen en moet onmiddellijk een behoorlijke toeslag betalen. Niet zonder morren maar zich beheersend doet hij dit. Zijn partner heeft het duidelijk moeilijker met aanvaarden want ze protesteert dat zijn kaart toch tot 2021 geldig is, en dat dat strookje er uit gevallen moet zij want het hoesje is helemaal versleten. De conducteur is onverbiddelijk. Wanneer hij zich naar de volgende wagon begeeft is het koppel in een hevige discussie verwikkeld waarbij het de man amper lukt om de boze vrouw te kalmeren. “Ze zouden zich beter meer toeleggen op àndere zaken (ze wijst naar de graffiti op de vensters), het is toch schandalig dat ze een mens die al veel pech heeft en moet leven van een verhoogde tegemoetkoming een boete doen betalen omdat hij ocharme een klein stukje papier kwijt is…”. “Hij doet wat hij moet doen, hij past het reglement toe…”. Zichtbaar kokend doet zij er de verdere rit het zwijgen toe. Ik tracht te lezen.

In Brussel Centraal tref ik mijn zus en een vriendin. We gaan op weg naar het Bellevuemuseum om op het terras een hapje te eten. Helaas, de restauratie blijkt er uitzonderlijk gesloten tot eind juni.

Door het Warandepark steken we over, richting Belliardstraat. Er rijden slechts enkele auto’s over de 5 banen, waardoor het bijna rustig wandelen is op het trottoir van deze anders vreselijk drukke weg. De weinige café-resto’s hier zijn potdicht; de Europeeërs leven èlders in het weekend. In het Leopoldpark heerst een feestelijke stemming en ik hoor er bekende klanken: het is Dia de Portugal, de Camões e das Comunidades Portuguesas, een nationaal feest dat over heel de wereld gevierd wordt door de Portugees sprekende gemeenschap, naar aanleiding van de dood in 1580 van de belangrijkste Portugese schrijver Luís Vaz de Camões. Overal liggen tientallen sardienen op grote grillen te dampen. Onze honger wordt aangescherpt maar het is hier te druk, te rookrijk en… te Portugees!

Op het Jourdanplein strijken we neer voor een aperitief en een slaatje. Koffie toe. Op naar het Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in de Vautierstraat. Daar is er om 17u een concert van het stiekem Brussels stadskoor Stemmer. Met ons ticket voor “O, de dode dieren” mogen we vooraf het museum bezoeken. Eerlijk gezegd heb ik vlug genoeg van al die homo sapiens en aanverwanten met hun rare schedels, kromme ruggen en platte billen. Ook de dinosaurussen kunnen mijn aandacht niet bijster lang vatten. Ik ben hier al enkele keren geweest toen mijn kinderen klein waren. Als je één pterodactylusskelet hebt gespot, heb je ze toch allemaal gezien?

dood beest

Het concert is zoals ik het verwachtte: chaotisch vrolijk vlot, met veel background noise (infofilmpjes over dino’s, rondkrossende kindjes en de bezoekers van het museum die toevallig daar zijn), te veel en te luide interventie van een ingehuurde improvisator die op en af springt van pied-de-stallen met dino’s in glazen kasten en die overmatig door het gezang heen roept… Verplaatsingen van groepen toehoorders achter de zangers en hun klapwiekende dirigent aan. Boeiend en voor zover je het goed kan horen zeker een aangenaam repertorium aan liedjes. De receptie nadien buiten in het groen is heerlijk zonovergoten en ontspannen.

Stemmer

Aangezien openbaar vervoer naar mijn verre thuis op een zondagavond niet evident is moet ik me plots reppen en geraak ik op het nippertje op een lijnbus. De plaatsen zijn bijna allemaal bezet en ik ga naast een jong meisje zitten dat me vriendelijk toeknikt. Ik haal mijn boek boven en begin te lezen. Plots begint het meisje te praten, met dat typisch accent dat zwarten hebben als ze Vlaams spreken. Verward kijk ik op uit mijn boek; ze richt zich tot de jongen die achter haar zit. Broer en zus waarschijnlijk; ze hebben het over schoolresultaten en het gebrek aan inzet. Een pittige conversatie waarin de verwijten niet van de lucht zijn. Het ontaardt in een regelrechte ruzie waarbij ik me gedeisd hou om niet in de klappen te delen.

Ik ben blij wanneer ik 3 kwartier later kan uitstappen, amper gevorderd in mijn boek.

Mattie

GPS-gewijs dan wel volgens serendipiteit

Onderweg naar de Tsjechische hoofdstad namen we een willekeurige afrit naar een pittoresk ogend dorpje in de verte om ergens neer te strijken voor een geïmproviseerde picknick met een snee brood, wat kaas en een stuk fruit. Bleken we naast een prachtig kerkhof te zitten, waar de graven omgeven waren door kleurrijke struiken en bloemen. Er lagen heel veel “Rodina’s” begraven; wat vreemd dat er in een zelfde dorp zoveel mensen met dezelfde voornaam zijn!

Hoe verken je een grote, cultureel rijke stad het best?

Volg je de reeds uitgetekende routes zodat je haast zeker geen bezienswaardigheid zal missen, geen kilometers fout zal lopen, geen 4 keer hetzelfde historische gebouw zal kruisen, geen ettelijke malen in de verkeerde richting op de metro stapt? Stressarm, voetvriendelijk. Veel volk verzekerd.

Ik moet bekennen dat ik me een Praaggids aanschafte en heel wat zaken had uitgestippeld, gepland, opgelijst. Na enkele uren begon dat letterlijk te botsen telkens ik alweer halt hield om het boekje uit de rugzak te diepen, het stadsplan open te vouwen en te bestuderen en mijn reisgenoot – die bv. net naar de bovenzijde van een gebouw aan ’t turen was – tegen me aan stootte. Het drong tot me door dat we redelijk wat gemeenschappelijke ervaringen rateerden doordat ik voortdurend aan ‘t opzoeken en verifiëren was.

Op een bepaald moment geraakte ik totaal overstuur toen er een massa volk uit de tegenovergestelde richting bleef komen. We waren op weg naar dé toeristische trekpleister van Praag: de Karlův Most (Karelsbrug). Verstikkend, er was geen doorkomen aan. We strompelden met moeite zijwaarts een andere straat in. Ik hoefde ècht die brug niet van nabij gezien te hebben.

Je kan ook heel bewust de ‘verkeerde’ richting uitgaan en inzien dat dat juist tot wat boeiends en moois kan voeren. Het leidt tot de ontdekking van niet geijkte paden waar de toeristen nog niet over elkaar heen tuimelen. Het brengt je in achterafstraatjes en bij achterkanten van huizen en gebouwen met mensen en bomen en struiken en grassen die niet netjes sporen en toch erg de moeite waard zijn om te bezien. Het brengt je aan de dis met de locals die authentieke kost eten aan al even authentieke prijzen.

Wèg dus met die reisgids en op goed geluk straten kiezen, op trams springen, onze neus volgen.
Puur geluk, dat op-goed-geluk! Plots zie je zoveel meer, zoveel détails die je anders voorbij bent, al zoekend naar wat je thuis reeds had opgezocht.

waar mijn voeten me brengen (gec.)Je wordt ook lekker moe van al dat kuieren wat noopt tot halthouden in hypermooie cafés, in donkere kroegen, op terraszitjes en banken op pleintjes en in parken. Daar kan je dan eveneens overal vinden wat je niet zocht. Of een uurtje lezen terwijl je regelmatig opkijkt om voorbijgangers te observeren. Die zijn veelsoortig: de plaatselijke bevolking (pendelaars, joggers, overvolle boodschappenzakken zeulende Pragenaars…), de steeds zoekende toeristen met de gids in de hand, de reizigers die op tocht zijn en rondkijken, een groot aantal havelozen – dat ook. Mensen die schijnen te wonen in de parken, die er thuis lijken en op eender welk tijdstip al stevig in het aperitief gevlogen zijn, die elkaar kennen en banken bezet houden voor elkaar om er wat te eten of te slapen.

We gingen ook wel eens met een klein gevouwen tram- en metroplan in de hand wat gerichter op pad naar een museum, een stamkroeg-tip van een vriend, de terugweg naar het pension. En om met de wagen de stad weer uit te rijden richting Brussel stelden we de GPS opnieuw in.

Maar het leukste aan een citytrip is toch het verdwalen, het verloren lopen, het vinden wat je niet zoekt!

Af en toe probeer je je enkele woorden Tsjechisch eigen te maken om bijvoorbeeld je dankbaarheid uit te drukken aan iemand. Goeiendag, “dobrý den”. Dank u, “děkuju”. Dan leer je ten slotte dat “Rodina” ‘familie’ betekent.

Mattie