Het jaar van de kroon

Het was het jaar van de kroon. De kroon op het harde werk. Want werken in Coronatijden is extra hard werken, of het nu thuis is met kwetterend spelende, jengelende en/of ruziemakende kinderen in de buurt, of op verplaatsing in een setting waar Corona ook voortdurend op de loer ligt. Het was vooral het jaar van de kroon op het geduld!

Nooit werd er zoveel gevraagd van een gemeenschap. En deze gemeenschap was er een van wereldgrootte. We moesten op afstand van elkaar blijven, we mochten bijna niet buitenkomen, we moesten onze gewoontes achterwege laten, onze aandrang bevechten om elkaar een hand te geven, elkaar op te zoeken, elkaar te knuffelen. We leerden onze handen veelvuldig te wassen, te ontsmetten. Allemaal werden we alcoholverslaafden, om de zoveel meter prijkte er een flesje waar je het goedje uit mocht pompen. Allemaal werden we kampioen in het alléén winkelen en onze kar in een recordtempo vol gooien voor minstens een week overleven. Als we al het geluk hadden voldoende geld op onze rekening te hebben… Bij het verlaten van onze woning moesten we een masker achter onze oren spannen, onze bril dampte dan direct aan en we kregen het benauwd. Maar dat verbeterde gaandeweg. We leerden hoe we deze zaken konden vermijden. Op den duur wende het om mensen met een mondmasker te zien. Het werden eerder uitzonderingen die er géén op hadden en die wezen we terecht want we wilden deze miserie zo spoedig mogelijk achter de rug hebben.

Het duurt nu al zolang. Gisteren heb ik voor het eerst geZoomd. Ik ben overstag gegaan. Tot hiertoe had ik het afgehouden want ik had er geen tijd voor en nog minder goesting. Maar ik miste mijn koorgenoten en blijkbaar genoten zij af en toe ervan elkaar als minimensjes op een scherm te zien. Enkel hoofdjes die babbelden. Ik heb het al moeilijk om in een café in groep te zitten en een gesprek te volgen, laat staan te voeren. Ik ben meer een persoon van één-op-één-contact. Niet dat ik exclusieve aandacht wil (hoewel…) maar het begint vaak te rommelen in mijn hoofd als verschillende mensen door elkaar praten. Ik kan den draad dan niet vinden en weet niet waar ik geacht word op in te gaan, wat te kiezen. Bon, ik heb er grotendeels het zwijgen toe gedaan, de commentaren op mijn hoofddeksel -mijn oude paarse baret kwam me goed van pas om mijn Coronatooi te verbergen- met een veelzeggende smile gecapteerd en af en toe geknikt.

Toen na een half uur de laatste 10 minuten van de ‘conferentie’ ingingen kon ik er niet aan weerstaan mijn ondertussen zwaarwegende hoofd te ondersteunen met een hand, hetgeen overkwam als een zeer verveelde pose (je ziet jezelf ook in de mozaïek van deelnemers). Sorry, zanggenootjes, ik zie jullie graag maar geef mij maar de liveversie na het zingen met een goed biertje in de hand aan den toog van onze repetitieruimte! We gaan nog wat geduld hebben en weldra staan we weer vierstemmig mooie klanken voort te brengen in ons aller Leirekencafé, op maandagavond als het enkel voor ons koor open is! We zullen glazen heffend en klinkend ons drinklied zingen, dat nu meer dan ooit toepasselijk is: “Le bon vin nous a rendu gais, chantons, oublions nos peines, chantons!” Weldra, als we weer onbekommerd samen mogen zijn en vrij dicht bij elkaar samen mogen zingen! Want er komen betere tijden.

Mattie

Een doodgewone griezel

Ik had al van Carl Moll gehoord.
Of liever: zijn naam was mij niet onbekend als medestichter van de Wiener Secession. Hij werd wel eens vernoemd in teksten over die ‘Gouden Eeuw’ van Wenen.
Toen ik echter recentelijk de tentoonstellingscatalogus ‘Von Schiele bis Wotruba’ doorbladerde, viel mijn oog op een schilderij van Moll.
Niet bij de paginagrote reproducties, neen: die expositie ging over werken op papier uit de collecties van de Weense Albertina. De kleine zwart-wit foto zag ik ingelast in de inleidingstekst. Het was ook niet het doek an sich dat mijn aandacht trok, dan wel een opmerkelijk detail erop.
Het schilderij heet voluit ‘Selbstbildnis im Atelier’ en dateert uit 1906. Het stelt een geconcentreerd schrijvende man voor, zittend aan een tafel in een burgerlijk interieur. Het is goed geschilderd, zonder meer, met wat invloeden van Vermeer: de ruimte wordt verdeeld door twee hoge, elegante gordijnen met rijke franjes. De doorkijk naar de achterste ruimte versterkt de suggestie van diepte, mede door de fraai geschilderde lichtinval en het dambordmotief van een marmeren vloer. Er hangen wat schilderijen aan de muur en op de donkere buffetkast staat het beeld dat mijn aandacht trok: een knielende jongeling van George Minne. (Dáárachter een schilderij van van Gogh, maar dat zou ik pas later leren bij het lezen van de tekst).

“La curiosité est un vilain défaut” placht mijn Bonne-maman te zeggen, waarbij mijn vader steevast repliceerde “Ou une grande qualité!”. Niet dat onze nieuwsgierigheid dan bevredigd werd met een antwoord op onze ongetwijfeld gênante vraag, maar kom…
Eenmaal mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld wou ik wel wat meer weten over die Carl Moll, die zichzelf portretteerde in zijn atelier waar geen spoor van artistieke bedrijvigheid te bespeuren viel. Geen ezel, geen tekenplanken, verfdozen, borstels of penselen, geen vieze vodden of spatje verf. De studeerkamer van een rijke burgerman met smaak, dàt was het.
Wat opzoekingswerk later bleek die Moll tóch wel een kunstschilder te zijn. En nog geen slechte ook.

Erg close.
Carl Moll (1861-1945) was de telg van een Weense  familie met brede culturele interesses. Zijn oom landschapsschilder ontwaarde reeds vroeg zijn tekentalent en gaf hem zijn eerste lessen, waarna hij naar de Academie trok. Al snel kreeg hij privé-lessen van zijn leraar aldaar, Emil Jacob Schindler (1842-1892), wiens assistent hij werd en bij wie hij ook inwoonde.  In de Weense salons werd gefluisterd dat de jonge Moll wel erg close was met de echtgenote van zijn leraar,  de operazangeres Anna Sofie Bergen – naar verluid absoluut niet vies van jong artiestenvlees in de kuip. Toen haar man op vijftigjarige leeftijd overleed, duurde het niet al te lang (drie jaar, om precies te zijn) of die ‘lustige Witwe’ hertrouwde met de vierendertigjarige Moll. Hij werd zo ook de stiefvader van haar oudste dochter Alma, begaafde componiste en schrijfster, die later tot groot ongenoegen van haar stiefvader met Gustav Mahler huwde, daarna met Walter Gröpius en tenslotte met Franz Werfel.
Carl Moll schilderde dus, in een stijl die nogal wat verwantschap vertoonde met het post-impressionisme, maar dan eentje die de pointillistische aberraties achterwege liet. Moll hield van een stevige toets en van een wat pasteuze verfbehandeling, zonder daarin te strak in de leer te zijn. Getuige hiervan zijn zelfportret in het atelier, hierbij afgebeeld. Naast het schilderen beoefende Carl Moll ook de houtgravure en bereikte hierin een zeer eigen zeggingskracht.

CarlMoll
Carl Moll: Selbstbildnis im atelier, 1906

Wiener Secession, van Gogh, Minne.
In 1897 stichtten Carl Moll (ondervoorzitter en organisator) en Gustav Klimt (voorzitter), samen met een aantal andere kunstenaars, in navolging van gelijkaardige afscheidingsbewegingen in Berlijn en München, de ‘Wiener Secession’ als reaktie op het volgens hen verstard en provincialistisch kultureel klimaat in de Oostenrijkse hoofdstad en met name bij het ‘Wiener Künstlerhaus’. Het zou leiden tot de ‘Gouden Eeuw’ der Oostenrijkse kunst. Al duurde die eeuw dan maar een veertigtal jaren.
Moll werd toen al bekeken als een talentvolle organisator, een vooruitziend intrigant die vanop de achtergrond ook goed voor zichzelf zorgde. Zijn rol in de schaduw als organisator van de eerste Secession-tentoonstellingen (ook wel eens ‘Sezession’ geschreven) staat buiten kijf. Het eerste evenement, in 1898, bracht een indrukwekkende staalkaart van de toenmalige avant-garde in Europa, met namen als Auguste Rodin, Fernand Khnopff,  Mc Neil Whistler of Arnold Böcklin.
Zo introduceerde hij ook het werk van van Gogh in Wenen, al dient wel gezegd dat die eerst in Brussel was te zien op het jaarlijkse Salon van ‘les XX’  in 1890. Groot schandaal op het openingsbanket trouwens, waar Charles de Groux, die van Gogh een dwaas en ‘un agent provocateur’ noemde, weigerde tentoon te stellen “naast de bloempotten met zonnebloemen van zo’n knoeier”. De aanwezige Toulouse-Lautrec daagde hem prompt uit tot een duel, daarin bijgestaan door de schilder Paul Signac die heldhaftig verklaarde dat indien Lautrec zou gedood worden, hij zijn plaats zou innemen om  van Gogh’s eer te redden. Wat een mooie tijden!
Kortom, een beetje commotie was altijd wel goede reclame.
Wat Minne betreft ging het er rustiger aan toe: in 1898 ontdekt door de Duitse criticus annex kunsthandelaar  Meier-Graefe, was zijn werk reeds te zien in diens Parijse winkel ‘la maison moderne’. Speciaal voor zijn ‘Knapenfontein’ (opdracht van de rijke verzamelaar die later ook de ‘Wiener Werkstatte’ zou financieren) bedacht Olbrich in 1900 een rond paviljoen en werden de vijf beelden van knielende jongelingen in plaaster gegoten – met een  lichtjes afwijkende vorm van de voeten, zodat die net over de rand van het waterbekken zouden uitkomen. De presentatie zou een enorme indruk maken op pers, publiek en vele kunstenaars. Met name in het werk van Oskar Kokoschka en van Egon Schiele lieten de knielende knapen duidelijke sporen na.

Palacio-Stoclet-6
Paleis Stoclet, Brussel. Architect: Josef Hofman, 1905-1911

Wiener Werkstatte
In 1905 verliet Moll met slaande deuren de Secession, met in zijn zog Klimt en heel wat andere kunstenaars. Hij was ondertussen tot artistiek directeur aangesteld van de toonaangevende Galerie Miethke en was een bepalende figuur geworden binnen de Weense kunstwereld. De Wiener Werkstatte, de commerciële uitloper van de Secession, waar hij mede inspirator van was, samen met zijn vriend architekt Josef Hofman, verschafte veel van die (ex)-leden van de Secession lucratieve opdrachten. Het Paleis Stoclet in Brussel, bijvoorbeeld, werd quasi volledig bemeubeld en versierd door de vrienden van Hofman en Moll: Klimt, Khnopff, Metzner en anderen, waaronder ook Minne, wiens knielende jongeling de vestibule  nog altijd versiert.
Langzamerhand werd Carl Moll incontournable. Zo was hij verantwoordelijk voor de selectie van de kunstenaars die Oostenrijk vertegenwoordigden op Wereldtentoonstellingen en was hij de curator van de Oostenrijkse inzending voor de biënnale van Venetië in 1932.

Wrok.
Door de inflatie en devaluaties zag Moll in 1917 zowat zijn volledig vermogen  verdampen en moest hij zelfs zijn omvangrijke kunstcollectie laten veilen. De wrok hierom zou hem later in de armen van Hitler’s NSDAP drijven en begin dertiger jaren een aktieve nazi van hem maken. Niet zonder enige tegenstrijdigheden, weliswaar.
Hij organiseerde in 1934, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Kokoschka, een grote tentoonstelling van diens werk in de Österreichischer Werkbund, de Unie van artiesten, architecten en kunstambachters naar Duits model. Voorwaar een gedurfde onderneming: Kokoschka (die lange tijd in Berlijn had gewoond) werd toen reeds door de nazi’s als een ‘entartete Kunstler’ beschouwd en was veiligheidshalve net van Wenen naar Praag verhuisd.

Zeer goed bewust van wat hem te wachten stond, koos de oude Carl Moll voor de dood. Toen de Russische troepen in 1945 op het punt stonden Wenen in te nemen, pleegde hij zelfmoord, samen met zijn zoon en schoondochter.
Daarna kwamen Moll en zijn werk in het vagevuur terecht. Ze werden verzwegen en kwamen zelden of nooit nog aan bod in overzichtstentoonstellingen. Een lot dat wel meer artiesten uit die periode te beurt viel.

Yves

Verboden te lezen!

Waarschijnlijk had u nog nooit gehoord van het café ‘Spot Fenix Portela’ in Loures. Ik ook niet. Loures is een stad(je) ten Noorden van Lissabon. Ik ken het alleen van er over de autostrade langs te rijden op weg naar de hoofdstad of de luchthaven . Er schijnt ook een vestiging van Ikea gevestigd te zijn. U bent verwittigd!
‘Spot Fenix Portela’. Zo’n naam laat vermoeden dat er ooit een café Portela bestond dat over de kop is gegaan en uit zijn as herrezen is op dezelfde hotspot.
Die Spot Fenix Portela kwam gisteren in het nieuws via een stuk in de Portugese kwaliteitskrant ‘Diario de Noticias’, u weet wel, de krant die zich beroept op het feit dat het ooit een Nobelprijswinnaar literatuur onder zijn medewerkers telde. José Saramago begon er als letterzetter, maar kom. In het artikel (een staaltje van ‘investigative journalism’) kwam aan het licht dat Spot Fenix Portela – Portela is de naam van de luchthaven van Lissabon, Zaventem quoi, dus dat café lag oorspronkelijk misschien wel naast de landingsbaan, wat een faillissement kan uitleggen, natuurlijk – er kwam dus aan het licht dat in voornoemd café niet mag gelezen worden. U leest het goed; er mag niet gelézen worden! Geen krant, geen tijdschrift, geen boek, geen cursus. Er mag niét gelezen worden. Punt.
Een beetje onderzoeksjournalist die op zulke rariteit in horecawereld gewezen wordt door een verbolgen lezer (!) spoedt zich natuurlijk ter plekke om hier het fijne van te weten. En neemt de proef op de som.

Verboden te lezen !Spot Fenix Portela is gelegen in het lieflijk parkje Jardim Almeida Garrett. Je verzint het niet: João Baptista da Silva Leitão de Almeida Garrett (1799-1854), eerste burggraaf van Almeida Garrett, wordt beschouwd als de belangrijkste Portugese dichter van het romantisme. Hij was ook toneelschrijver, auteur van historische romans en volbloed revolutionair (let wel: van de  ‘liberale’ revolutie van 1820; hij werd twee jaar voor zijn dood tot de adel verheven). Dat uitgerekend het cafeetje in zijn park er zulk obscurantistisch gedachtegoed op na houdt wijst op zijn minst op een gebrekkig historisch besef. Cafébazen, u moet ze míj niet leren kennen!
De proef op de som bestond er voor de journalist in om een koffietje te bestellen en – wat had u gedacht – de Diario de Noticias open te slaan. Meteen werd hij tot de orde geroepen: “Não esta a ver o aviso?” Zie je het bericht niet? waarbij nors naar een waarschuwende affiche werd gewezen. ‘Não é permitido estudar ou ler (jornais, revistas, livros,…) na esplanada!’ Een totaalverbod op lectuur op het terras van het café!
Portugezen zijn van nature vriendelijke, zelfs meegaande mensen. Er zijn echter twee dingen waar ze het moeilijk mee hebben: regels en onrecht. Vooral als ze het gevoel hebben dat die regels hén onrecht aandoen. Er zijn al revoluties voor uitgebroken! Liberale en andere.
Enfin, van het ene onvriendelijke woord kwam de andere belediging en uiteindelijk werd de politie erbij gehaald, die met enige tegenzin moest vaststellen dat geen enkele wet werd overtreden, maar dat anderzijds de uitbater ook het constitutionele recht had gedragsregels op te leggen in zijn eigen zaak. Dat werd dan weer tegengesproken door de journalist die, op alles voorbereid, de diensten van de Procurador da República had geconsulteerd. Die stelden dat enkel in geval van manifeste overlast artikel 27 van de Portugese grondwet, die de Vrijheid van de burger garandeert, kan ingeperkt worden. Lezen op een terras met nog voldoende vrije zitplaatsen  en dat door een consumerende klant, valt daar voorlopig nog niet onder.
Gelukkig kennen Portugese handelszaken een verplichte ‘Livro de reclamações’ (klachtenboek) waarin de journalist zijn ongenoegen over de situatie kon ventileren, om vervolgens zijn Diario verder te gaan lezen, gezeten op het muurtje rond het terras.
En er een vlammend artikel aan te wijden.

Yves

https://www.dn.pt/pais/interior/ha-um-cafe-que-proibe-a-leitura-de-jornais-revistas-e-livros-e-pode-11134143.html

Waar is de eenvoud?

Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.

Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden. In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en 100-en mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend 10-tallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of één of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijks volksfeest en rookt de ganse buurt uit met zijn gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.

31eenvoudIeder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij 100-en kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis… Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers. Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen… In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd; in de Middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al-dan-niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.

Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai, grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shóppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.

Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nóg grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten! Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik 2 weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten… Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met Tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op TV, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord omwille van deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd -want heus veel lekkers!- en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond …the sound of silence!

Mattie

Black out?

28.Kerstdolligheid nog meer
Stadhuis Mechelen begin december bij dreigend elektriciteitstekort…

Van Brussel wist ik het al. Van Antwerpen ook.
Wégblijven tot ruim na Nieuwjaar was de boodschap. Wegens Winterpret en overdosis Bing Crosby (voor de jongeren onder ons: denk Jingle Bells en White Christmas en je weet wat ik bedoel…)
Maar Mechelen.
De stad die er prat op gaat door de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld bestuurd te worden.
Uitgerekend Méchelen!
Een mens is nergens meer veilig. Wat een rustige wandeling van de Onze-Lievevrouwestraat (boekhandel de Zondvloed) via de Bruul naar het gezellig Marokkaans eethuisje even voorbij de Grote Markt had moeten worden, bleek op een visuele nachtmerrie uit te draaien. We hadden het voelen aankomen, natuurlijk: de eerbiedwaardige Brusselse Poort kreunde al onder wat sommigen een sfeervolle kerstverlichting zullen noemen: witte ijspegels die voornoemde witte Kerst moeten evoceren. Een mens zou voor minder een stal opzoeken om te bevallen.
Over de Bruul kan ik kort zijn. Het is een winkelstraat, dan weet je het wel! Maar wat gezegd van het huis waar de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld kantoor houdt?  De foto spreekt boekdelen, denk ik. Waar is de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld als je hem nodig hebt? Of de bevoegde Schepen van Electriciteit? Ook de Beste-Ter-Wereld, naar het schijnt. Hebben ze plots een black out? Misschien gewoon vergeten het licht te doven bij het verlaten van het Stadhuis. Niemand is perfect, zélfs niet de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld.

Yves

 

Op een Blauwe Maandag

In tegenstelling tot wat vroeger aan kindjes werd wijsgemaakt, is nieuwsgierigheid een schone deugd. Men weet nooit genoeg, volgens mij.
Maar net zoals bij het reizen is niet de eindbestemming het belangrijkste, wel de ervaringen opgedaan onderweg. Bij het vergaren van kennis is het dus zaak vooral verloren te lopen en van de ene wetenswaardigheid naar de andere onbenulligheid te hinkstappen.

Zo was ik, op een blauwe maandagmorgen, bij het bekijken van een pastel van de Belgische pionier van de abstractie, Joseph Lacasse (1896-1975), geïntrigeerd geraakt door de slechte staat van de drager. Het dun zwart papier dat de kunstenaar gebruikte, vertoonde een patroon van rimpelingen, alsof het waterschade had geleden. Het droge krijt vertoonde dan weer geen sporen van vocht.

lacasse
Joseph Lacasse, ‘Caillou’ pastel op dun papier, 1910

Enfin, zo kwam ik ertoe wat te gaan grasduinen (mooi woord, grasduinen, moet ik de oorsprong eens van opzoeken!) in de historische en technische aspecten van het schilderen met pastel.

U las het goed, schilderen, niet: tekenen. In onze contreien heeft men het steevast over pasteltekeningen, maar de bakermat van de pastel(schilder)kunst ligt bij onze Zuiderburen. En daar is het “peindre au pastel”. De sfumato-effecten die met de droge pigmentpijpjes konden bereikt worden, lagen dichter bij geschilderde resultaten dan bij potlood- of zilverstifttekeningen, vandaar. En het klonk ook chiquer.

Pastel komt dus uit Frankrijk, meer bepaald uit het Zuiden van Frankrijk, waar Occitaans werd gesproken, of Provençaals, dat ben ik even kwijt (checken!). Pastel is Occitaans/Provençaals voor pasta. De wedeplant (Isatis tinctoria) werd er lang geleden, voor de komst van indigo, geoogst en te rotten gelegd tot er een kleiachtige pasta ontstond. Deze pastel werd in de lakenindustrie gebruikt om wol te kleuren. Het weekproces startte op zaterdag, pas op maandag werden de stukken textiel uit de week gehaald en te drogen gehangen. Die ‘verloren’ dag moesten de wevers verplicht werkloos toekijken. Sommigen beweren dat de uitdrukking ‘Op een Blauwe Maandag’ hier zijn oorsprong vindt.

De pastel werd ook in bolletjes gerold, ‘cocagnes’ genaamd, die dan tot droge staafjes werden geperst, een soort krijtjes. Door toevoeging van andere pigmenten, bekwam men een gans gamma kleurtjes die niet alle even lichtecht waren. Zeker in de negentiende eeuw leidde dat tot regelrechte rampen. Kunstwerken verkleurden helemaal binnen de paar weken.

Aangezien pastels ook geen bindmiddel, zoals olie, bevatten, vormt de hechting aan de drager óók een groot probleem. Daarvoor werd er fixatief ontwikkeld, dat door middel van een blaaspijpje voorzichtig op het werk werd geprojecteerd. Nu hebben we daar spuitbussen voor.

Bij nader inzien, denk ik dat de mooie pastel ‘Caillou’ door Lacasse in 1910 op flinterdun papier geschilderd/getekend, eerder te lijden heeft gehad onder een iets te enthousiast gebruik van de fixatiefspuit dan van waterschade. En misschien vond Lacasse het effect van rimpelingen, als van een kei die in het water wordt gegooid, gewoon een leuke toevalligheid. We hoeven tenslotte niet álles te weten, wanneer het om Kunst gaat.

Yves

Wat een zak!

Het promomeisje was er zelf mee verveeld, gaf ze toe.
Welke wereldvreemde oen haalt het anno nu in zijn hoofd om de bezoekers van een voor het overige vreedzaam stadsfestival als Boterhammen in het Park een grote papieren zak aan te smeren, waarin een gratis(!) exemplaar van de Standaard. Oké, de krant is medesponsor van de gratis boterhammen met kaas in de Brusselse Warande en voor wat hoort wat, maar een kingsize draagtas uit luxueus gebleekt machinegestreken papier? In tijden van ecologisch en ander burgerbewustzijn had een béétje marketing manager toch kunnen vermoeden dat dat wrevel zou opwekken? Wat een zak!

zak klVoor mij had het alleszins wat bescheidener gemogen.
Waarom niet voor een servetje gekozen? Altijd handig in de blakende augustuszon, wanneer de kaas van tussen je boterham wilt weglopen. Camembert for Président, of is het omgekeerd?

Yves

GPS-gewijs dan wel volgens serendipiteit

Onderweg naar de Tsjechische hoofdstad namen we een willekeurige afrit naar een pittoresk ogend dorpje in de verte om ergens neer te strijken voor een geïmproviseerde picknick met een snee brood, wat kaas en een stuk fruit. Bleken we naast een prachtig kerkhof te zitten, waar de graven omgeven waren door kleurrijke struiken en bloemen. Er lagen heel veel “Rodina’s” begraven; wat vreemd dat er in een zelfde dorp zoveel mensen met dezelfde voornaam zijn!

Hoe verken je een grote, cultureel rijke stad het best?

Volg je de reeds uitgetekende routes zodat je haast zeker geen bezienswaardigheid zal missen, geen kilometers fout zal lopen, geen 4 keer hetzelfde historische gebouw zal kruisen, geen ettelijke malen in de verkeerde richting op de metro stapt? Stressarm, voetvriendelijk. Veel volk verzekerd.

Ik moet bekennen dat ik me een Praaggids aanschafte en heel wat zaken had uitgestippeld, gepland, opgelijst. Na enkele uren begon dat letterlijk te botsen telkens ik alweer halt hield om het boekje uit de rugzak te diepen, het stadsplan open te vouwen en te bestuderen en mijn reisgenoot – die bv. net naar de bovenzijde van een gebouw aan ’t turen was – tegen me aan stootte. Het drong tot me door dat we redelijk wat gemeenschappelijke ervaringen rateerden doordat ik voortdurend aan ‘t opzoeken en verifiëren was.

Op een bepaald moment geraakte ik totaal overstuur toen er een massa volk uit de tegenovergestelde richting bleef komen. We waren op weg naar dé toeristische trekpleister van Praag: de Karlův Most (Karelsbrug). Verstikkend, er was geen doorkomen aan. We strompelden met moeite zijwaarts een andere straat in. Ik hoefde ècht die brug niet van nabij gezien te hebben.

Je kan ook heel bewust de ‘verkeerde’ richting uitgaan en inzien dat dat juist tot wat boeiends en moois kan voeren. Het leidt tot de ontdekking van niet geijkte paden waar de toeristen nog niet over elkaar heen tuimelen. Het brengt je in achterafstraatjes en bij achterkanten van huizen en gebouwen met mensen en bomen en struiken en grassen die niet netjes sporen en toch erg de moeite waard zijn om te bezien. Het brengt je aan de dis met de locals die authentieke kost eten aan al even authentieke prijzen.

Wèg dus met die reisgids en op goed geluk straten kiezen, op trams springen, onze neus volgen.
Puur geluk, dat op-goed-geluk! Plots zie je zoveel meer, zoveel détails die je anders voorbij bent, al zoekend naar wat je thuis reeds had opgezocht.

waar mijn voeten me brengen (gec.)Je wordt ook lekker moe van al dat kuieren wat noopt tot halthouden in hypermooie cafés, in donkere kroegen, op terraszitjes en banken op pleintjes en in parken. Daar kan je dan eveneens overal vinden wat je niet zocht. Of een uurtje lezen terwijl je regelmatig opkijkt om voorbijgangers te observeren. Die zijn veelsoortig: de plaatselijke bevolking (pendelaars, joggers, overvolle boodschappenzakken zeulende Pragenaars…), de steeds zoekende toeristen met de gids in de hand, de reizigers die op tocht zijn en rondkijken, een groot aantal havelozen – dat ook. Mensen die schijnen te wonen in de parken, die er thuis lijken en op eender welk tijdstip al stevig in het aperitief gevlogen zijn, die elkaar kennen en banken bezet houden voor elkaar om er wat te eten of te slapen.

We gingen ook wel eens met een klein gevouwen tram- en metroplan in de hand wat gerichter op pad naar een museum, een stamkroeg-tip van een vriend, de terugweg naar het pension. En om met de wagen de stad weer uit te rijden richting Brussel stelden we de GPS opnieuw in.

Maar het leukste aan een citytrip is toch het verdwalen, het verloren lopen, het vinden wat je niet zoekt!

Af en toe probeer je je enkele woorden Tsjechisch eigen te maken om bijvoorbeeld je dankbaarheid uit te drukken aan iemand. Goeiendag, “dobrý den”. Dank u, “děkuju”. Dan leer je ten slotte dat “Rodina” ‘familie’ betekent.

Mattie

 

 

 

De merels zijn terug

’s Ochtends worden we weer wakker met dat heerlijke gezang van allerlei vogels. De merels steken er met kop en vleugels bovenuit door hun toonrijke deun. Het is nochtans bang afwachten geweest.

Vorig jaar vielen ze met hopen dood neer. Eén of andere ziekte decimeerde de merelpopulatie. Ze waren niet te redden. Eentje zat er een hele dag zielig dood te gaan, vlak naast mijn tuinbank. Hij piepte een bijna onhoorbaar piepje en legde na enkele uren het kopje neer. Voor altijd. Mijn vriend groef een kuil dicht bij de composthoop en stak de vogel onder de grond. De volgende dag lag er weer een lijk in de tuinkamer, net achter de rietkraag. Nog een begrafenis. En het getwiet verstomde.
We zijn gestopt met ze namen te geven. Het is zo droevig telkens afscheid nemen.

Dode merel in onze tuin (kl)

Maar nu zijn ze terug. En dat is fijn.
Van die smerige buxusrupsen daarentegen mag ik hopen dat ze NIET terug komen!

Mattie