Pure poëzie

Van Leo Copers (°1947) kocht ik ooit het meest efemere werk dat men zich kan voorstellen: adem. En dan nog niet eens de adem van de kunstenaar.
Copers was toen reeds bekend omwille van zijn indrukwekkende kunst. Vaak spectaculaire werken waarin een zeis of een gasfles voorkwam, of glasscherven of een machinegeweer. Gevaarlijk werk, dus. Maar nooit ontbrak de poëzie: de zeis zweefde in de ruimte rond, ketste tegen een vloer waarop een hoopje kleurrijke pigmenten ons eraan herinnerde hoe vluchtig alle mooie dingen zijn. Met glasscherven maakte hij grote, elegante siervazen, het gas stak een vijver of de zee in brand. Altijd spectaculair en mooi, maar nooit goedkope effectenjagerij. U hoort het, ik ben een fan.
Ook zijn ironie kon ik best smaken. Zo creëerde hij een begraafplaats voor musea, schilderde hij een zelfportret van van Gogh waarvan de fluokleuren enkel onder een blacklight zichtbaar zijn, of stak hij muziekinstrumenten en meubilair à la Magritte in brand voor een film. Een lege hoek van de museumzaal werd heldhaftig verdedigd door een mitrailleuse achter zandzakjes (dát werk vond dan weer zijn evenknie in gelijkaardig gestapelde goudstaven…).

begrafenis van René Magritte
Beeld uit de film “Begrafenis van René Magritte” (Leo Copers, 1971)

Terug naar het begin: adem dus. Het zat zo: in een mooi linnen foedraal had de kunstenaar, naast een monografie, ook een box gestoken met daarin een aan beide zijden gegraveerde glasplaat. De Griekse tekst werd slechts even zichtbaar door het glas te bewasemen. Adem/Lucht stond er, maar je kon beide woorden uiteraard nooit samen zien. Pure poëzie!

In het SMAK brengen ze nu een tentoonstelling rond de ‘gevaarlijke’ werken van Leo Copers. Meer bepaald de periode 1969-1974 komt hier aan bod. Misschien een wat korte tijdspanne? Tenslotte werkt Copers al meer dan een halve eeuw aan een oeuvre van schilderijen, beelden, installaties en performances. Alleszins een must-see.

Is het ongewilde ironie? Het Gentse museum organiseert ook een rondleiding voor blinden en slechtzienden. En dat voor de expo van een kunstenaar die als performance ooit een rondleiding gaf in een pikdonker museum, met een blinde als gids! (in de verte klinkt een sardonisch lachje.)

Leo Copers | 1969-1974
S.M.A.K.  Gent
Van 2 juni tot 2 september 2018

Yves

The end of the golden age

Hoe een kleine ontgoocheling een grote ontdekking werd :
Schiele, Klimt, Kubin et les autres…

Een uitgebreide citytrip naar Praag, wie zegt daar neen tegen? Bedoeling was, naast het ontdekken van al het moois dat de Tsjechische hoofdstad op het gebied van fin-de-siècle architectuur en pittoresk stedenbouwkundig erfgoed te bieden heeft, ons te laten leiden door instinct, dorstige kelen, hongerige magen en pijnlijke voeten. Goed plan!

Het enige wat vooraf zeker was – een bezoek aan het prentenkabinet van de Národni Galerie v Praze (de Praagse Nationale Galerie), leek eerst op een teleurstelling uit te lopen. De uitgebreide collectie grafiek was namelijk ontoegankelijk voor de duur van de tentoonstelling ‘The end of the golden age’. Daar ging ons plan om de 450.000 prenten eens serieus onder de loep te nemen! Enigszins beteuterd kochten we een ticket voor de expositie , niet goed wetend wat ons te wachten stond. De lift bracht ons naar de vierde verdieping van een gebouw waarvan de diverse plateau’s uitkijken op een gigantische centrale lichtput.

Was alles niet spierwit geschilderd, een mens had zich in Alcatraz gewaand! Die indruk werd nog versterkt door de aanwezige vrouwelijke suppoosten die stuk voor stuk ofwel onaangenaam keken, of het daadwerkelijk ook waren.

Over de tentoonstelling niets dan goeds, behalve dat de opstelling nogal bizar was en de toegang ertoe nogal weggestoken. Dat zal waarschijnlijk geheel aan ons liggen, maar de dienstdoende cipier wist ons, nadat we een rondje vruchteloos een verdieping hadden afgelopen, óók niet te vertellen waar de aangekondigde Klimts of Schieles te zien waren…

Ondertussen hadden we kunnen genieten van de prachtige architectuurtekeningen en even prachtig geaquarelleerde gevelontwerpen van de gebouwen die we daags voordien, langs de oevers van de Moldau of aan het Wenceslasplein, hadden kunnen bewonderen.

Er waren ook uit de kluiten gewassen maquettes te zien, maar die laat ik hier onvermeld wegens de schandalig vuile vitrinekasten, waar veel bezoekers een boodschap hadden achtergelaten in het vettig stof van de ruiten. Recht uit kelder of zolder en vergeten te poetsen, waarschijnlijk.

Ook was het wat vreemd motieven voor wandbekleding of textiel stevig uitvergroot en rechtstreeks op de wanden afgedrukt te zien.

Kubin - Zwerg-mit-Kerze
Alfred Kubin – Zwerg mit Kerze, 1901-1902

Hoogtepunt van het bezoek vormden uiteindelijk de tekeningen, schilderijen en grafiek van Egon Schiele, Gustav Klimt en Oskar Kokoschka, naast een hele reeks werken van de hier minder bekende kunstenaars, waaronder Bohemer Alfred Kubin (1877-1959). De drie eersten hadden wij ooit al uitgebreid kunnen bewonderen tijdens Europalia Oostenrijk in 1987 en komen trouwens  in het najaar nog aan bod in Bozar.

Kubin, daarentegen was een herontdekking en het was een zeer plezierige kennismaking met klein maar fijn teken- en graveerwerk van wat toch wel een voorloper van het surrealisme mag genoemd worden. De jonge Kubin kende een tragische jeugd met seksuele en andere trauma’s die zijn later oeuvre blijvend zouden beïnvloeden. Dat oeuvre zou wrang en donker zijn, maar niet gespeend van fantasie en ironie. Hij illustreerde ook boeken, waaronder zijn eigen ‘Die Andere Seite’, die invloed zou hebben op onder andere Franz Kafka’s ‘Het Slot’. Door de nazi’s beschouwd als Entartete Kunstler, maar, waarschijnlijk door zijn teruggetrokken leven  (hij woonde van 1906 tot zijn dood op een kasteeltje nabij Linz) werd hij verder ongemoeid gelaten.

Kubin - Der beste Arzt (kl)
Alfred Kubin – Der beste Arzt, 1901

De getoonde werken, voornamelijk boekillustraties in potlood, krijt en inkt, vragen om een geconcentreerde blik. Zij zetten aan tot mijmeren en vormen aldus een zeer geschikt eindpunt van deze uiteindelijk onverwacht boeiende tentoonstelling.

Yves

Tot 15/07/2018
Nationale Galerie
Praag, Tsjechië

 

 

 

6.000 vroege vogels

Zesduizend voorintekenaars op de Museumpas – die eigenlijk pas in september gelanceerd wordt – zullen een aantal plezierige bijkomstigheden kunnen genieten.

De museumpas geeft vanaf eerste gebruik 1 jaar lang onbeperkt toegang tot een honderdtal deelnemende musea over het ganse land. Voor cultuurliefhebbers die er snel bij zijn en die nu reeds hun pass aankopen is er extra genot: zij mogen hun pass direct beginnen gebruiken en deze wordt automatisch verlengd tot eind september 2019. Toch zowat een gratis trimester voor de vroege vogels, waaronder uw beide Pierewitters!

Vermoedelijk zal de huidige lijst mettertijd nog aangroeien, maar voor ons waren er toch al meer dan redenen genoeg om meteen in te tekenen.

Niet doorslaggevend, maar wel leuk is ook dat we onze pass mochten personaliseren door te kiezen uit een aantal kunstwerken van Belgische artiesten om er op af te drukken.

MPM_PASS_Rinus Van de Velde
Deze Rinus VAN DE VELDE is helaas al “uitverkocht” om je museumpas te personaliseren. Rest keuze uit 5 andere…

Wat ons wél helemaal over de streep trok is de prijs van het kleinood: de investering van €50,00 heeft een beetje kunstliefhebber er zo weer uit. Temeer omdat niet enkel de vaste collecties gratis en onbeperkt mogen bezocht worden, maar ook gelegenheidstentoonstellingen (soms met een kleine opslag, afhankelijk van museum en expositie).

We zouden er voorwaar lyrisch van worden en hierbij een vrolijk deuntje kwelen!

Word ook ambassadeur van de museumpas:
https://nl.shop.museumpassmusees.be

Yves & Mattie

Een muur van onbegrip

Bij het overlijden van Per Kirkeby (°1/9/1939-9/5/2018)

Ter gelegenheid van Antwerpen ’93 Culturele hoofdstad van Europa, organiseerde Bart Cassiman de prestigieuze tentoonstelling Nieuwe Beelden. Park Den Brandt (Het Middelheim Museum) vormde de idyllische locatie voor de presentatie die niet echt uitblonk in coherentie. Er waren beelden, oké, en ze waren vaak nieuw, dàt wel! Of de kwaliteiten  ervan een kwarteeuw later nog steeds even duidelijk zijn, wil ik hier in het midden laten. Het is altijd makkelijk praten achteraf.

Per Kirkeby - Zonder titel
Per KIRKEBY – Zonder titel, 1993

Een van de meest besproken werken op de tentoonstelling was een titelloze sculptuur,  een bouwwerk eigenlijk, van de zopas op 79-jarige leeftijd overleden Deense kunstenaar Per Kirkeby. De gemetste bakstenen constructrie volgt een labyrintisch grondplan met de imposante afmetingen van negen op vijftien meter. Ondanks, of misschien net omwille van, de vijf meter hoge muren, bekroop menig bezoeker een claustrofobisch gevoel bij het betreden van het werk.

Kirkeby, van vorming een geoloog die pas op latere leeftijd tot de kunst gekomen is, maakte wel meer bakstenen sculpturen. Vaak zijn het werken die zeer herkenbare architecturale elementen tot de meest basale vormentaal herleiden: de zuilenrij, het romaanse gewelf, seriële raampartijen,… zonder die te koppelen aan een functie. Zijn bogen vormen geen gewelf, zijn zuilen staan daar maar in de rij, de ramen hebben geen vensters. Zijn minimalistische bouwsels zijn dan ook in geen geval gebouwen. Een enkele keer vormen ze wel de ruimte waarin zijn bronzen beelden worden getoond (zoals in datzelfde Middelheim in 1995).

‘Zonder titel’ werd niet begrepen door het publiek: had er een dak op gestaan, dan had men tenminste nog van een paviljoen kunnen spreken. Nu vergaarde het werk dorre bladeren in weer en wind. Om de creatie echt te kunnen appreciëren was er natuurlijk een klein probleem: de subtiele vlakverdeling in vierkanten en cirkels kon pas vanuit vogelperspectief ten volle genoten worden. Dat is natuurlijk lastig met muren van vijf meter hoog! Indien een beeld  enkel door middel van maquette, ontwerptekening of luchtfotografie  tot zijn recht komt, schort er wat aan. Of aan de aankoopcommissie, dachten velen. Diezelfden, trouwens, die later moeite hadden met de stalen tegels van Carl André in een van de lanen van het park (‘Weathering Way’) of met het statement ‘Wind en de Wilgen’ van Laurence Weiner, schots en scheef geschilderd op de buitenmuur van het sanitair. Toegegeven, het is mij ook niet helemaal duidelijk. Of liever, helemaal niet duidelijk…

Laurence Weiner - Wind en de wilgen
Laurence WEINER – Wind en de Wilgen

Maar laat deze bedenkingen u vooral niet weerhouden dit prachtige museumdomein te bezoeken, wel integendeel! Zelfs voor klassieker gerichte kunstliefhebbers zijn er topwerken te (her)ontdekken. Van Rodin bijvoorbeeld, of Bourdelle, Moore, Calder, Manzú, Dodeigne of Rik Wouters. Je moet er dan Franz West en zijn gigantische drollen maar bij nemen. Of niet.

Yves

MIDDELHEIMMUSEUM
Middelheimlaan 61
2020 Antwerpen
http://www.middelheimmuseum.be

Cultureel Kolonialisme

Het wordt vermoeiend om steeds weer in de contramine te moeten gaan, maar ja, het is nu eenmaal zo.

Blijkbaar heerst er euforie bij de drommen bezoekers van Kanal-Pompidou, het nieuwe museum in de gewezen Citroënvestiging aan het Brusselse Saincteletteplein.

Het zal geheel aan mij liggen, uiteraard, maar noch euforie, noch beate bewondering zijn mijn deel. Ten eerste omdat dat niet meteen in mijn karakter ligt, vervolgens omdat ik de zo geroemde tentoonstelling nog niet bezocht heb.

Tenslotte hebben we daar nog meer dan een jaar de tijd voor. Haast en spoed, weet u wel! Daarna gaat het gebouw voor minstens vier jaar dicht naar het schijnt. Gezien het strakke ritme waarop in dit land bouwprojecten vorderen, vermoed ik dat de toekomstige suppoosten nog even mogen wachten om de plooi in hun uniformbroek te strijken.

citroën (kl)
De voormalige Citroëngarage

Tegen dan is het publiek allang vergeten wie verantwoordelijk is voor het negeren van alle specialisten (àllen, zonder uitzondering, spraken zich uit tegen het in gebruik nemen van een voornamelijk uit glas bestaand industrieel gebouw om kunst in te tonen en bewaren in optimale omstandigheden).
Problemen met overvloedig licht, temperatuurschommelingen en vochtigheidsgraad zullen niet van de poes zijn. Om nog maar te zwijgen van de stookkosten of de factuur voor de beveiliging. Waren dat trouwens geen argumenten om het toen nog bestaande Museum voor Moderne Kunst te sluiten? Of zouden de verantwoordelijke excellenties misschien toch eerder inzetten op een ‘gemengd’ project waarin naast het culturele aspect ook een immobiliënproject om de hoek komt kijken? Ik weet het niet en zou niet durven insinueren dat onze politieke elites door enige electorale bijbedoelingen zouden gedreven zijn. Toch niet in Molenbeek? Toch niet in Brussel?!

Wat ik wél weet – om het dossier van bij de prille aanvang van nabij gevolgd te hebben – is dat het Franse cultureel kolonialisme in Brussel/Bruxelles terug is van eigenlijk nooit weggeweest.

Les petits Belges, zoals onze landgenoten ‘Outre-Quiévrain’ minzaam genoemd worden, zijn in de kont genaaid. En nog geen klein beetje!

Alle grootspraak en zalvende (?) woorden ten spijt, is het kanaalproject stevig in Franse handen. Zelfs de oorspronkelijke projectleider Yves Goldstein is een kind van Franse ouders die een textielimportzaak runden in de ‘Triangle’ van Anderlecht. Lieve mensen, dat wel, die af en toe een schilderij kochten van jonge artiesten. Maar of dat nu volstaat om van de kabinetchef van Rudy Vervoort een specialist in museologie of cultuurmanagement te maken, betwijfel ik ten zeerste. De man heeft trouwens een stap opzij gezet ten voordele van een àndere ‘cabinettard’. Waarschijnlijk omdat hij door zijn arrogantie in een recordtempo erin geslaagd was zowat iederéén binnen het hoofdstedelijke kunstmilieu tegen zich in het harnas te jagen. Parijse toestanden, quoi!

Weinigen durven trouwens even duidelijke taal te spreken als Dirk Snauwaert, directeur van het Brusselse Centrum voor Hedendaagse Kunst Wiels: “Veel heeft natuurlijk te maken met de grote budgetkortingen die er ook in Frankrijk geweest zijn. Pompidou slaagt er niet meer in zijn eigen tentoonstellingen te financieren, dus zoeken zij hun financiering in het buitenland. Pompidou komt naar Brussel om middelen op te halen en opnieuw te mobiliseren voor zijn activiteiten in Parijs.”

Of Kanal-Pompidou (ooit heette het project MAC/MAK, weet u nog? Musée au canal-Museum aan het kanaal) uiteindelijk een franchisedépot wordt waar werken in overtal uit de reserves van Parijs worden gedelokaliseerd om in Brussel te worden gestockeerd, bewaakt, verzekerd en onderhouden, zal later blijken. Feit is dat er nu al grof geld op tafel komt en nog zal komen. Voor personeel in Parijs betaalt Brussel alleszins al 18 à 20 miljoen euro, gespreid over het volgend decennium. En dat zal uiteraard uit de zakken van Les petits Belges komen…

Genaaid, Cher Monsieur, er is geen ander woord voor!

Yves

Wordt vervolgd, uiteraard.

 

Een vos in de Garage

broucke dawn (1024x463)
Koen Broucke – Dawn

“(…) bijvoorbeeld de patrijzen wier merkwaardige lokroep ’s nachts vaak te horen is, of de leeuwerik wier veelstemmig gezang bij het eerste ochtendgloren boven de loopgraven klinkt.” (Ernst Jünger, In Stahlgewittern – 1920)

Een vos loopt tegen de muur van de Garage op. Kwetsbaar en onbeschermd; geen gras of  struikgewas. Alleen de sneeuw van witte wanden met hier en daar een donker schilderij van Koen Broucke. En ook wat exemplaren van verschillende edities van steeds hetzelfde boek van Ernst Jünger:  zijn oorlogsmémoires  ‘In Stahlgewittern’ .
De metafoor is natuurlijk sterk: in confrontatie met het oorlogsgeweld rest de eenzame, dolende mens slechts de vlucht vooruit. Al lijkt de vos daar niet echt mee opgezet.
Het landschap biedt trouwens geen soelaas. Op doek heerst nacht en ontij met hier en daar een schamel lichtpuntje in de duisternis. Een verre ochtendschemer, een fonkelende ster, wat dauw op de graszoden? Er mag getwijfeld worden.
In 1909 gaat Filippo Tomasso Marinetti in het Futuristisch Manifest de decadentie te lijf en brengt een ode aan snelheid, techniek en ook geweld. De dynamiek van fabriek, machine en oorlog meent hij te moeten verheerlijken. Het zat in de tijdsgeest: ook Fernando Pessoa zou het geratel van tandwielen tot poëzie verheffen. Het besef dat de oude uitdrukkingsvormen  nooit meer zouden voldoen in de ‘moderne’ tijden  leefde sterk bij een generatie die de spleen  van de fin-de-siècle voluit had mogen ervaren:

Ah, poder exprimir-me todo
como um motor se exprime!
Ser completo como uma máquina!

Ach, mezelf volledig te kunnen uitdrukken
zoals een motor zich uitdrukt!
Volmaakt zijn als een machine!

(Álvaro de Campos / Fernando Pessoa. Ode triunfal, 1914)

Als overtuigd Nietzscheaan ziet Jünger de schoonheid van de viriele actie en vecht hij vol overtuiging mee in de Grote Oorlog. Heldhaftig, dat wel, hij brengt het er gekwetst maar levend vanaf, voorzien van de nodige eretekens.
De ondraaglijke vreugde van de beelden – Het herbarium van het slagveld, heet de tentoonstelling voluit. Niet dat er veel vreugde te ontwaren valt, maar net als in een herbarium is het leven ogenschijnlijk voorbij. Het zal heropflakkeren, mits de nodige zorgen. Of net niet, want onberoerd schiet onkruid hoger op.
Net als in een herbarium, trouwens, is Koen Broucke met een zekere systematiek te werk gegaan, en daar schuilt volgens mij dan ook de zwakte van de expositie. Ik had te vaak het gevoel met reeksen schilderijen te maken te hebben waarbij de spontaneïteit van het schilderen in toom werd gehouden door wat voorspelbare want bijna identieke aangebrachte verftoetsen die dan een boom of plantengroei suggereerden.
Toch zijn er knappe werken te zien, op een tentoonstelling die misschien de regie van een curator had verdragen. Was het echt nodig een grote tafel in het midden van een van de zaaltjes te reserveren om affiches van eerdere projecten uit te stallen? Of al die buitenlandse pocketuitgaven van Jünger? Dan liever wat meer knappe, gevoelig neergezette schetsboekpagina’s gezien.

Yves

Koen Broucke
De ondraaglijke vreugde van de beelden / het herbarium van het slagveld
Cultureel Centrum de Garage
Onder den Toren 12A
Mechelen
Tot 27 mei 2018
do-zo 13-18u

De grote leegte

tom_poelmans_zelfhero (1)
Tom Poelmans – Zelfhero

Een schilder die van zichzelf stelt dat hij ‘opereert in een soort picturaal niemandsland’. Dat is om problemen vràgen bij steller dezes…
Het zou onvriendelijk zijn op te merken dat deze omschrijving perfect past bij het getoonde, beter alleszins dan ‘Inside Tom’ zoals de expo eigenlijk heet. Of het zou moeten zijn dat daar ook een grote leegte heerst.
Een tweeluik kan je de presentatie bezwaarlijk noemen, maar feit is dat de twee zalen twee facetten tonen van een mij totnogtoe onopgemerkt gebleven artiest. Tom Poelmans genoot zijn opleiding aan de Antwerpse academie en heeft nochtans nogal wat tentoonstellingen op zijn conto.
De eerste (grote) zaal had eigenlijk pas als laatste moeten bezocht worden, werd door de vriendelijke aangestelde verteld, zij het wat laat.
Ik vrees trouwens dat ik in dat geval niet zover was geraakt. Het leven is te kort om naar intellectualistische neuspeuterij te staren. Na een zaaltje met vijftien stuk voor stuk vervelende werken – het leken wel parodieën op andere kunstenaars – zou ik het waarschijnlijk allang voor bekeken (!) hebben gehouden.
Maar we begonnen dus bij die Grote Zaal met Tien Grote Werken. En Grote Werken zijn het!  In een picturaal niemandsland inderdaad. Het onvermogen om iets interessants op doek neer te zetten is hier schrijnend. Wat een verspilling aan materiaal!

Yves

Tom Poelmans
Inside Tom
Cultuurcentrum de Garage
Onder den Toren 12A
Mechelen
tot 27 mei 2018
do-zo  13-18u

 

ROT – alles behalve rot

Rule  of three – Jan Martens

Ik was zowat in trance toen ik me na de voorstelling naar de parkeergarage begaf.

Het begon met een kwartier vertraging en dicht bij de ingang wachtend op de gang hoorde ik de voorbereidingen met oorverdovend slagwerk. Wijselijk propte ik de oordoppen die we bij het onthaal aangeboden kregen in beide oren.  Degenen die bij de aanvang in het donker de plastic verpakking nog aan ’t openprutsen waren of zij die niet van plan waren hun gehoor te beschermen, vlogen enkele centimeters van hun stoel omhoog bij de eerste luide slagen! 

Ik keek gefascineerd naar de 3 dansers die na een korte introductie meteen stevig inzetten in een speelse pas waarbij ze elkaar ternauwernood konden ontwijken en telkens net niet hevig botsten. Moest de kleine danseres geen veel grotere passen nemen? Hóe doen ze dat? Moeten die dansers de hele tijd tellen, luisteren ze naar welbepaalde clues van de drummer? Die zwaaiende broekspijpen is dat niet hinderlijk? Ik kan er niet aan doen, de eerste minuten ben ik altijd bezig met het technische van zo’n stuk. Spannend! Dat verdwijnt stilaan op de achtergrond, er komt een soort afstand, een andere blik. 

ROT©PhileDeprez (verkleind)
ROT – foto Phile Deprez

Mooie bewegingen, kijken en niet kijken naar elkaar, geen of weinig contact. Zweetdruppels plensen op de vloer. Afstand, nabijheid, spanning, ontspanning, snelheid, concentratie. Prikkelende fragmenten waarbij ik spijt heb dat ik die domme oordoppen in heb want ik hou van de discrete doch soms toch waarneembare geluiden die een lichaam maakt wanneer het dergelijke repetitieve bewegingen maakt. Vlees tegen vlees, een bot dat lichtjes kraakt, een voet die zich stilletjes terug op de grond plaatst… Ik durf de gele moesjes er niet uit halen want die slagwerker kan onverwacht nogal ‘kepit’ geven. Goh wat geniet ik van die onvermoeibare knappe lijven in een ketting van bewegingen, die kleren, die kleuren binnen dat licht en dat ritme. Het zoemt en klopt en hamert en jankt en lacht en zeurt. Het schrijnt en zalft tegelijkertijd.

Na enkele scènes verandert de sfeer, zonder een duidelijke intentie -het lijkt even of ze op adem moeten komen, pauzeren, ze drinken daadwerkelijk water uit een fles – en ze doen alle drie hun kleren uit. Zoals ze enkele keren van kledij veranderden zijn ze nu veranderd in hun naakte zelf. Kwetsbaar en zoekend naar elkaar, vertraagd, rustig. Dit is zooo puur, het is nu ook muisstil. Ze komen in diverse constellaties bij elkaar, een enkele aarzeling en dan kruipen ze als het ware ín elkaar, als passende puzzelstukken. Ze vlijen een hoofd op een lichaamsdeel van de ander, laten een hand mooi rusten op een dij of kuit. Voor mijn ogen kijk ik naar levende composities zoals ik soms naar kunstwerken in een tentoonstelling kijk. Hier krijg ik op een andere manier veel meer, het telkens wisselende trio straalt -soms aarzelend maar door een subtiele glimlach toestemmend- vertrouwen en tederheid uit. En dan is het plots gedaan. En ik ben voldaan. Verrijkt. Wat een knappe voorstelling! 

Mattie – Mechelen, begin 2018