Dood van een genie.

Ik heb een hekel aan het woord genie. Het veelvuldig rondstrooien met het epitheton ‘geniaal’ om, in het beste geval, getalenteerde kunstenaars te eren, heeft de betekenis ervan volledig uitgehold. Tegenwoordig is elke hond met een hoed op bij wijze van spreken een genie. Als de pluimpjes maar kleurrijk genoeg zijn!

portret van Pessoa
Almada Negreiros, Portret van Fernando Pessoa

Maar hoe omschrijf je dan wél een schrijver wiens oeuvre drieëntachtig jaar na zijn overlijden nog steeds niet volledig is gepubliceerd? Een loser?
Niet dat er geen pogingen toe ondernomen zijn; reeds snel na zijn dood waren enkele van zijn bewonderaars eraan begonnen. Over de kwaliteit en diversiteit van het werk bestond nauwelijks twijfel,  in zijn laatste levensjaren was Pessoa herontdekt door een jongere generatie schrijvers en critici , ook in het buitenland.

Maar Fernando Pessoa (1882-1935) had zélf het probleem geschapen. In de beruchte kist(en) uit zijn nalatenschap werden zomaar eventjes een slordige achtentwintigduizend (!) tekstfragmenten ontdekt. Slordig mag hier trouwens zeer letterlijk genomen worden. De weinige volledig geredigeerde teksten – toch ook al ettelijke honderden – waren vaak neergeschreven in een abominabel, bijna onleesbaar handschrift.
De meeste tekstfragmenten waren echter aanzetten tot later uit te werken artikels, essays, kritieken, verhalen, toneelstukken, gedichten, traktaten of esthetische theorieën. Zelden gedateerd. Het leek erop dat de man die van ‘raciocinar’ (logisch denken) en tot in den treure redeneren zijn handelsmerk had gemaakt, er maar niet in slaagde zijn lawine aan ideeën en ingevingen te kanaliseren. Waarschijnlijk ook de reden waarom hij niet toekwam met een enkel schrijversleven en er daarom een aantal heteroniemen naast bedacht om aan zijn geestesvruchten een stem te geven. De vier belangrijkste zijn wel bekend: Alberto Caeros, Ricardo Reis, Álvaro de Campos en Bernardo Soares. Bij een recent bezoek aan de Casa Fernando Pessoa in Lissabon, leerden we de ware omvang van het fenomeen kennen. Daar waar de Nederlandse vertaler en Pessoa-kenner August Willemsen in een essay* van zo’n twintigtal heteroniemen gewag maakte, toonde de bibliothecaris ons een recent werk** dat 136 afsplitsingen van Pessoa recenseerde! Sommigen hadden enkel een brief of een artikel geschreven, of een enkel gedicht. Anderen, waaronder natuurlijk de vier belangrijksten, een volledig zelfstandig oeuvre.
Vanuit die erfenis een verantwoorde uitgave van het volledig werk uitgeven is – excusez le mot – geen kattenpis!
Want tijdens zijn leven heeft Pessoa natuurlijk ook wel wat gepubliceerd. Velen dachten in de ‘baú’ (hutkoffer) alle onuitgegeven teksten van de schrijver aan te treffen. “Elke dag worden onuitgegeven manuscripten ontdekt (…) overal dezelfde verwondering: wat vroeger bekend was is slechts een deel van zijn werk!” schrijft Leyla Perrone-Moisés in de tentoonstellingscatalogus De wereld van Pessoa, ter gelegenheid van Europalia Portugal ’91.

Pessoa-em fragrante delitro
“Em fragrante delitro”
(“Op ‘literdaad’ betrapt”, schreef Pessoa op een foto bestemd voor Ophelia de Queiróz, zijn enige geliefde)

Pessoa publiceerde veel, zij het in obscure tijdschriften, die een kort leven beschoren waren. Zo telde Orpheu in 1915 maar twee nummers naast een derde dat nooit verscheen wegens geen financiering meer. Toch was het tijdschrift van ongelooflijk belang: het introduceerde de moderniteit in het Portugese, nogal provincialistisch en ingedommeld, culturele wereldje. De uitgave veroorzaakte een schok, waarbij in conservatieve schande werd gesproken van het ‘pornografische’ karakter van sommige bijdragen.

Naast bijdragen aan literaire tijdschriften en kranten liet Pessoa slechts weinig verschijnen: 35 English Poems en Antinous, in eigen beheer uitgegeven, hadden zijn doorbraak in Engeland moeten betekenen (Fernando Pessoa was niet gespeend van enige megalomanie) maar werden daar genegeerd. Het leverde hem welgeteld twee krantenrecensies op: een in de Times en eentje in de … Glasgow Herald. Niet bepaald een triomfantelijk onthaal.

Alles voelen, op alle wijzen!
De enige keer dat Fernando Pessoa zich expliciet met een literaire beweging identificeerde, was toen hij in 1917 in een krant de verdediging opnam van zijn eigen heteroniem Álvaro de Campos, wiens Ultimatum! voor een rel zorgde in weldenkende kringen. Hij ondertekende zijn bijdrage met: Fernando Pessoa, Sensationist.
Het Movimento Sensacionista, door Pessoa zelf gesticht, was, eenvoudig gesteld, de Portugese versie van het Futurisme. De Campos’ Ultimatum! was trouwens rechtstreeks geïnspireerd door het Futuristisch Manifest dat Marinetti in 1909 in de Franse krant Le Figaro had gepubliceerd. Naast de bevriende schrijvers uit de entourage van Pessoa, maakten ook plastische kunstenaars zoals Almada Negreiros of de grapjas/schilder Santa Rita Pintor deel uit van de beweging.
Pessoa’s sensationisme onderscheidt zich van zijn collega futuristen door een tot in het extreme doorgevoerde symbiose van denken en voelen. Het maakt zijn oeuvre meer tot writers’ writings, minder spectaculair en toegankelijk, misschien. Die permanente analyse van gevoelens en gedachten is de essentie van het werk, waarbij de uitspraak van Álvaro de Campos “alles voelen, op alle wijzen!” ook kan gelezen worden als “alles denken, ook het voelen, alles voelen, ook het denken!”.
Velen zullen er een wat puberale ingewikkelddoenerij in willen zien. Feit is dat, na het decadente en epicuristische symbolisme van het einde van de negentiende eeuw, de kunstwereld in Portugal best enige intellectuele diepgang kon gebruiken. De mannen (er is mij in die periode geen vrouwelijke artieste bekend in Portugal) van Orpheu trokken de lijn onder het verleden trouwens niet zo abrupt als Ultimatum! van de Campos/Pessoa zou laten vermoeden: zelfs Pessoa publiceerde er teksten in die nog schatplichtig waren aan bv. Maeterlinck, waarvan hij een grote bewonderaar was.

We kunnen stellen dat zijn ingewikkeld rollenspel met heteroniemen Pessoa parten gespeeld heeft. Hij is bij wijze van spreken verstrikt geraakt in een zodanig ingenieuze constructie, dat het quasi onmogelijk leek er zonder kleerscheuren uit te komen. Elke figuur had zijn rol die gespeeld moest worden. Zo nodig liet de schrijver hen verdwijnen, sterven (Caeiro), emigreren (de Campos) of in ballingschap vertrekken (Reis).
Het moet een enorme mentale belasting geweest zijn voor iemand met een naar eigen zeggen zwakke psyche.

Yves

*August Willemsen, Fernando Pessoa: Het ik als vreemde. Ed. Arbeiderspers
**Jerónimo Pizarro & Patricio Ferrari, Eu sou uma antologia. 136 Autores Fictícios. Ed. Tinta da China.

Fernando Pessoa °13/06/1888 – ◊29/11/1935

Volgende week: Fernando Pessoa, mythe en werkelijkheid

De gruwelijke sprookjes van Paula Rego

Wie zich rept kan nog tot eind november op een dertigtal kilometer van de Portugese hoofdstad Lissabon, in het lieflijke kuststadje Cascais, de gruwelijke sprookjes van Paula Rego ontdekken. Geen beter excuus om een citytrip naar Lisboa te boeken!

In 1976 dong de (toen nog) Portugese kunstenares naar een werkbeurs bij de befaamde Fundação Gulbenkian. Zij vroeg en bekwam de nodige middelen om onderzoek te doen naar traditionele volksverhalen en sprookjes. Paula Rego genoot toen al enige bekendheid met werk gebaseerd op thema’s uit de Oudheid. Gaandeweg schakelde ze over naar een eigen mythologie die door Sprookjes en volksverhalen werd bevolkt.

Paula Rego - branca de neve
Paula Rego, Snow White and Her Stepmother, 1995

Sprookjes en populaire cultuur zouden haar blijvend inspireren.
Verwacht hierbij echter geen zeemzoeterige vertelseltjes voor brave kinderen: naast een moraliserende boodschap hebben de sinds mensenheugenis doorvertelde verhaaltjes dit gemeen dat ze steevast een ferme portie gruwel bevatten, naast amper verdoken seksuele toespelingen. Het lijkt erop dat de kunstenares de thematiek aangrijpt om eigen angsten te lijf te gaan. Niet iedereen zal het hiermee eens zijn, maar bij mij riep de rol van de afwezige vader beklemmende vragen op. Vooral omdat die in Paula’s jeugd niét afwezig was: het volledige gezin verhuisde naar Londen toen zijn ingenieurscarrière hem daar riep.
In de grote zaal van de Casa das Histórias Paula Rego draait een video op groot scherm. Je ziet er de artieste in haar Londens atelier. Samen met haar assistenten bouwt ze een hele constructie met zwevende vrouwenlichamen, opgezette vogels en een barende man. In de commentaar zegt ze dat ze het fascinerend zou vinden indien mannen ook eens zouden zwanger raken en bevallen…
In dezelfde zaal hangt een reeks over Roodkapje. De eerste tekening heet ‘a happy family’ en toont de oma, de moeder en het dochtertje met rode kapmantel. Roodkapje. Van de vader geen spoor te bekennen, dat kan geen toeval zijn. Wel van een vervaarlijk uitziende getatoeëerde man die later onder de wolfsvacht Roodkapje aanrandt. Daarna volgt een tekening waarbij de moeder (en niet een Jager, zoals in het sprookje!) de wolf te lijf gaat met een riek. Een laatste toont diezelfde moeder, op een moderne bureaustoel gezeten, getooid met de ruige vacht van de wolf. ‘Als een trofee’ zegt het bijhorende tekstplaatje.
Paula Rego voerde haar onderzoek grondig en analyseerde zowel de sprookjes van Hans-Christian Andersen, van de gebroeders Grimm, de Fransman Perrault, als deze van een obscure Italiaanse auteur uit de quatrocento, naast verhalen uit de Portugese mondelinge traditie.
De Sneeuwwitjes, Repelsteeltjes, Roodkapjes allerhande passeren de revue, samen met minder voor de hand liggende figuren. Of had ú al gehoord van Principe Porco? Een prins als een varken geboren? Diens zoektocht naar de Ware Liefde die hem zijn prinselijk uiterlijk moest bezorgen, inspireert Paula Rego tot prachtige, liederlijke litho’s, waarin zij haar tekentalent en kleurgevoel ten volle kan tonen. Absoluut meesterlijk!

Met haar werk rond sprookjes en volksverhalen heeft Paula Rego de bakens van het genre verzet. Daar waar bijvoorbeeld Salvador Dalí met zijn illustraties bij ‘Pantagruel’ van François Rabelais nog dicht bij de tekst bleef, heeft zij resoluut de verhalen naar haar hand gezet. Ze blijven herkenbaar, maar hebben er een persoonlijke dimensie bij gekregen, gevoed door (on)verwerkte trauma’s, angsten en verlangens. De verhalen worden hier een voorwendsel voor introspectie.

Casa Paula Rego - Architect Souto de Moura
Casa Paula Rego – Architect Eduardo Souto de Moura (2005-2009)

De bezoeker moet er wat voor over hebben, maar de verplaatsing loont de moeite: bovenop de werken van Paula Rego komt hij/zij in een atypisch, maar wondermooi museum terecht, gebouwd door tweevoudig Pritzker Prize-winnaar Eduardo Souto de Moura. Het gebrek aan bewegwijzering ernaartoe moet men er maar bijnemen.
Het kustplaatsje Cascais is trouwens een wandeling waard.

Yves

Tot eind november (waarna opnieuw de vaste collectie te zien is)
in Casa das Histórias Paula Rego
Avenida da Republica 300
Cascais – Portugal

www. casasdashistoriaspaularego.com

Op een Blauwe Maandag

In tegenstelling tot wat vroeger aan kindjes werd wijsgemaakt, is nieuwsgierigheid een schone deugd. Men weet nooit genoeg, volgens mij.
Maar net zoals bij het reizen is niet de eindbestemming het belangrijkste, wel de ervaringen opgedaan onderweg. Bij het vergaren van kennis is het dus zaak vooral verloren te lopen en van de ene wetenswaardigheid naar de andere onbenulligheid te hinkstappen.

Zo was ik, op een blauwe maandagmorgen, bij het bekijken van een pastel van de Belgische pionier van de abstractie, Joseph Lacasse (1896-1975), geïntrigeerd geraakt door de slechte staat van de drager. Het dun zwart papier dat de kunstenaar gebruikte, vertoonde een patroon van rimpelingen, alsof het waterschade had geleden. Het droge krijt vertoonde dan weer geen sporen van vocht.

lacasse
Joseph Lacasse, ‘Caillou’ pastel op dun papier, 1910

Enfin, zo kwam ik ertoe wat te gaan grasduinen (mooi woord, grasduinen, moet ik de oorsprong eens van opzoeken!) in de historische en technische aspecten van het schilderen met pastel.

U las het goed, schilderen, niet: tekenen. In onze contreien heeft men het steevast over pasteltekeningen, maar de bakermat van de pastel(schilder)kunst ligt bij onze Zuiderburen. En daar is het “peindre au pastel”. De sfumato-effecten die met de droge pigmentpijpjes konden bereikt worden, lagen dichter bij geschilderde resultaten dan bij potlood- of zilverstifttekeningen, vandaar. En het klonk ook chiquer.

Pastel komt dus uit Frankrijk, meer bepaald uit het Zuiden van Frankrijk, waar Occitaans werd gesproken, of Provençaals, dat ben ik even kwijt (checken!). Pastel is Occitaans/Provençaals voor pasta. De wedeplant (Isatis tinctoria) werd er lang geleden, voor de komst van indigo, geoogst en te rotten gelegd tot er een kleiachtige pasta ontstond. Deze pastel werd in de lakenindustrie gebruikt om wol te kleuren. Het weekproces startte op zaterdag, pas op maandag werden de stukken textiel uit de week gehaald en te drogen gehangen. Die ‘verloren’ dag moesten de wevers verplicht werkloos toekijken. Sommigen beweren dat de uitdrukking ‘Op een Blauwe Maandag’ hier zijn oorsprong vindt.

De pastel werd ook in bolletjes gerold, ‘cocagnes’ genaamd, die dan tot droge staafjes werden geperst, een soort krijtjes. Door toevoeging van andere pigmenten, bekwam men een gans gamma kleurtjes die niet alle even lichtecht waren. Zeker in de negentiende eeuw leidde dat tot regelrechte rampen. Kunstwerken verkleurden helemaal binnen de paar weken.

Aangezien pastels ook geen bindmiddel, zoals olie, bevatten, vormt de hechting aan de drager óók een groot probleem. Daarvoor werd er fixatief ontwikkeld, dat door middel van een blaaspijpje voorzichtig op het werk werd geprojecteerd. Nu hebben we daar spuitbussen voor.

Bij nader inzien, denk ik dat de mooie pastel ‘Caillou’ door Lacasse in 1910 op flinterdun papier geschilderd/getekend, eerder te lijden heeft gehad onder een iets te enthousiast gebruik van de fixatiefspuit dan van waterschade. En misschien vond Lacasse het effect van rimpelingen, als van een kei die in het water wordt gegooid, gewoon een leuke toevalligheid. We hoeven tenslotte niet álles te weten, wanneer het om Kunst gaat.

Yves

Ichi-go, ichi-e

Verhalen en reflecties heet het boek(je) dat Axel Vervoordt vorig jaar liet uitbrengen bij de prestigieuze Franse uitgeverij Flammarion voor de Franse en Engelse editie en bij Lannoo voor de Nederlandstalige versie.
Dat het boek simultaan in drie talen verscheen is natuurlijk geen toeval. Vervoordt wordt beschouwd als een van ’s werelds meest toonaangevende antiquairs en decorateurs. Zijn vijftigjarige carrière heeft hem duidelijk geen windeieren gelegd: naast de huizen van de volledige Vlaeykensgang in het historisch centrum van Antwerpen, bezit de man het kasteel van ‘s-Gravenwezel en betrekt hij een ongetwijfeld stijlvol appartement in Venetië. Verder opende hij een filiaal van zijn Antwerpse galerie in Hong Kong. Langs het Albertkanaal, in Wijnegem, verwierf hij enige jaren geleden ook een verlaten maalderij. Na renovatie werden de reusachtige silo’s en machinekamers de spectaculaire setting voor zijn bedrijf en kunststichting. Ter verfraaiing kocht hij een beeldhouwwerk van Anish Kapoor ‘At the edge of the world’, een gigantische dieprode koepel van acht meter doorsnede en vijf meter hoogte.

anishkapoor_attheedgeofthew
Anish Kapoor, ‘At the edge of the world’ (1998)

Vervoordt en zijn vrouw bouwden over de jaren een indrukwekkend imperium uit. Waar hij in zijn beginjaren zelf de hort op ging om voornamelijk antiek op de kop te tikken en te verhandelen, ontpopte het familiebedrijf zich in de loop der jaren tot een ‘full service’ decorateur voor de (zeer) rijken en Groten der aarde. Zo levert hij kunst en antiek aan en verzorgt zowel de interieurarchitectuur als de tuinaanleg.  Hij omringt zich daarvoor met de nodige specialisten. Zonen Boris (kunst en antiek) en Dick (vastgoed) nemen  stap voor stap de fakkel over, van wat ondertussen een indrukwekkend conglomeraat geworden is.

Axel Vervoordt gaat daar niet echt diep op in, het zakelijk aspect van zijn succes wordt amper aangehaald in dit boek, dat focust op zijn levensfilosofie. Hoe genietbaar en vlot leesbaar ook – nog geen driehonderd pagina’s tekst verspreid over een vijftigtal (!) korte hoofdstukken – toch laat het werk de lezer met een dubbel gevoel achter.
Verhalen en reflecties. Door de wijze waarop Axel Vervoordt zijn anekdotes tot verhalen aan elkaar laat breien door een ervaren Amerikaanse copywriter, heb je snel het gevoel een chique promotie-album te doorbladeren. Vervoordt heeft natuurlijk voldoende klasse om daar stijlvol mee om te springen. Geen glossy magazinesfeer, integendeel: klein, net niet vierkant formaat, hardcover, zachtmat papier waarop spaarzame foto’s in zachte kleuren met veel ademruimte er rond.
En dan is er de tekst. Helaas.
Het tactiele leesgenot wordt voor een deel tenietgedaan door de overdadige namedropping. Van de hertog en de hertogin van Bedford, over Yves Saint-Laurent, John McLaughlin, Rudolf Noureev, Dries Van Noten tot prins Charles toe, tientallen bekende namen moeten blijkbaar de potentiële klant ervan overtuigen dat hij (zij) in goed en verfijnd gezelschap verkeert. Elke naam wordt ook steevast begeleid door het epitheton ‘vriend’ of ‘vriendin’. Ik wist niet dat een mens op vijftig jaar tijd zóveel vriendschapsbanden kon smeden! Vriendschap heeft zijn prijs natuurlijk!

Hoe verder men leest, hoe meer ook de ergernis binnensluipt over het gekoketteer met Oosterse filosofieën. Vervoordt, zoon van een paardenkoopman en zélf marchand in hart en nieren, moet blijkbaar de triviale aspecten van zijn beroep compenseren door een overdaad aan spiritualiteit. In elke schaal uit keramiek gaat hij dan, bij wijze van spreken, het sublieme, het filosofische ontdekken. Het wordt wat lachwekkend wanneer hij bijvoorbeeld in bewondering staat voor in elkaar gezakte en samengekoekte misbaksels in de werkplaats van de Japanse keramist Tsujimura. ‘Ichi-go, ichi-e.’ constateert de ambachtsman nuchter, ‘Het is wat het is.’
Of wanneer hij in een galerie in Osaka alle beschikbare werken van een kunstenaar van de Gutai-groep opkocht en de artiest hem bedankte voor de aanmoediging, ‘die hem creatieve energie’ gaf. Je zou voor minder!

Reflecties. Overpeinzingen zijn er genoeg. Niet altijd even origineel, dat niet. Maar reflecties zijn ook weerspiegelingen. Misschien moeten we niet verder zoeken dan dat: een zelfgekozen portret, dat waarschijnlijk flatterend had moeten zijn. Quod non!
Axel Vervoordt combineert natuurlijk goede smaak en expertise met een zakelijk instinct. Anders sta je niet waar hij nu staat. Dat hij risico’s nam en een trendsetter was in de manier van presenteren van en leven mét kunst en antiek, staat buiten kijf. Zelf hoorde ik hem ooit zeggen: “Als ik een prachtig achttiende eeuws Luiks dressoir in de toonzaal heb, plaats ik een eenvoudig bordje met enkele aardbeien erop en verlicht ik enkel de aardbeien.” Prachtige uitspraak, vond ik dat. En nog altijd.
Helaas is er de tekst, dus. Het zal wel eigen zijn aan dit soort publicaties en Michael James Gardner, de broodschrijver van dienst, heeft waarschijnlijk de opdrachtgever geleverd waar die voor betaalde. Blijft dat uitgevers à la Flammarion of Lannoo hun status verplicht zijn om toch iets meer te zijn dan enkel gewillige drukkerijen.

Yves

Axel Vervoordt
Verhalen en reflecties
Lannoo, 2017

 

Sylvia: een tragisch leven

Het moet erg moeilijk geweest zijn voor Sylvia Plath om in de jaren ’50 door te breken als dichteres en tegelijkertijd te fungeren als ideale huisvrouw/echtgenote. Zeker naast een partner, Ted Hughes, die wèl succes boekte als poëet, terwijl hij gesoigneerd werd door zijn talentvolle, stimulerende muze. Hèm viel veel aandacht ten deel na publicatie van enkele gedichten, zij bleef in de luwte.
De rol van ideale huisvrouw was haar duidelijk niet op het lijf geschreven, deze van getormenteerde ziel die prachtige gedichten schreef maar hier geen erkenning voor kreeg, des te meer. Zij vertrouwde haar zielenroerselen toe aan het papier tijdens gestolen uurtjes in de ochtend; ze zette haar wekker op 6 uur om te kunnen werken vóór de huiselijke drukte van het gezin aanvatte.

Sylvia Plath

In de voorstelling “Sylvia” van de jonge regisseur Fabrice Murgia, een muziektheater of ook wel ‘pop-opera’, krijgen we een wervelwind aan beelden te zien. We horen mooie muziek, gecreëerd en live gebracht door An Pierlé met haar quartet.

De enscenering vertrekt vanuit een filmset die met enkele camera’s verschillende fragmenten uit het leven van Sylvia Plath capteert. Het wordt letterlijk in stukjes gekapt door een clapboard dat telkens een titel toont waarna er daarover iets getoond wordt. Juliette van Dormael -dochter van Jaco- filmt live en boven de scène op een groot wit scherm worden de beelden geprojecteerd. Soms wordt er ingezoomd op details waardoor betekenissen worden uitgepuurd.
Er gebeurt veel tegelijk op diverse plekken op de scène. Wat mij betreft: te veel. Ik heb maar twee ogen en twee oren en slechts één stel hersenen om indrukken op te doen en te interpreteren. De combinatie muziek, film en theater zou een secure evenwichtsoefening moeten zijn.
Je krijgt alles in stukjes en beetjes en brokjes te zien en te horen in talloze mini-scènetjes met allerlei accessoires in wisselende decors in een zeer dynamische enscenering met paraderende, lopende, dansende, zingende, becommentariërende, filmende actrices. Zij helpen mee de grote decorstukken (kamers, trappen, platformen…) verslepen en verrijden de grote mobiele perch camera. Om de paar minuten zijn er zulke bewegingen, op een gegeven moment is er zelfs een duizelingwekkende dans van de actrices tussen vier ronddraaiende grote wanden met lichtjes.

Negen actrices, op pumps en gekleed in kleurrijke, opwaaiende jaren ’50-jurkjes en -rokken, veruiterlijken bepaalde aspecten van de complexe persoonlijkheid van Plath. Ze cirkelen beurtelings rond één centrale figuur en vormen een soort van spreekkoor, nu eens bewonderend of aanmoedigend en ondersteunend, dan weer roddelend, ondervragend of gemeen…
De drukke actie suggereert de chaotische innerlijke toestand van een vrouw die vaak te kampen heeft met ernstige depressies en die lijdt aan een bipolaire stoornis. Op haar 20ste overleeft ze ternauwernood een zelfmoordpoging, later studeert ze aan de universiteit van Cambridge (waar ze Ted Hughes ontmoet), ze trouwt, wordt zwanger, krijgt een miskraam, baart kinderen, ervaart bedrog door haar partner, scheidt van hem, gaat met haar kinderen in Londen wonen. Tussendoor schrijft ze als een bezetene en doet ze verwoede pogingen om haar poëzie gepubliceerd te krijgen, met matig succes. Pas na haar zelfgekozen dood in 1963 wordt haar werk uitgegeven.

Oh ja, er speelt ook nog een gemaskerde Ted Hughes mee, maar het zou ons te ver leiden daarover uit te wijden. Ted komt hier over als een hulpeloze bijfiguur, zelfs een beetje meelijwekkend. Door de wijze waarop hij wordt opgevoerd – op de achtergrond blijvend – wordt vermeden dat men een ‘kant’ moet kiezen. Er is immers veel commotie rond Hughes, die het beheer kreeg over Plaths persoonlijke en literaire nalatenschap en dit misschien niet altijd optimaal uitoefende…

Kan ik me na het meemaken (zien, horen, ondergaan) van deze pop-opera een voorstelling maken van wie Sylvia Plath was? Weet ik nu meer over haar wanhoop, haar tumultueuze emoties, angsten, obsessies (o.a. met de dood), haar kwetsuren? Ja, het geeft een indruk van hoe haar leven kan geweest zijn. Ik wist niet dat ze hyperactief, gewelddadig èn brutaal was. Of toch: onlangs las ik het boek van Connie Palmen, Jij zegt het, waarin alles vanuit het standpunt van Ted Hughes benaderd wordt. Dit resulteerde ook reeds in een bijgesteld beeld over de dichteres/schrijfster die willens nillens in het ‘kamp’ van de feministen werd geplaatst omdat ze te lijden had onder haar sexe in de jaren 1950-‘60. Voor ‘de feministen’ was Ted Hughes zowat een baarlijke duivel!

Ik stelde al te lang het lezen van Sylvia Plaths autobiografische roman The Bell Jar (De Glazen Stolp) uit. Daartoe stimuleert deze muziektheaterervaring me nu wel, en dat is goed.
Toch blijf ik achter met een gevoel van “less is more”.

Mattie

Sylvia – Fabrice Murgia / Cie. Artara – An Pierlé Quartet
Gezien op 10.10.2018 in Théatre National
Nog te zien op tournee (zie p.13  in dit document)

Het MIM: Muzikaal rariteitenkabinet van wereldklasse

Een bezoek aan het Brussels Muziekinstrumentenmuseum (het MIM, volgens de huidige afkortingswoede) is op vele vlakken een must.
Het museum vindt zijn oorsprong in de collectie oude instrumenten van het ‘Instrumentenmuseum’ van het Koninklijk conservatorium. De eerste conservator ervan, een zekere Victor-Charles Mahillon (1841-1924), bouwde over de jaren de verzameling uit tot een van de belangrijkste ter wereld, zowel in kwantiteit als in kwaliteit. Dat is zo gebleven. Dankzij aankopen, giften en legaten, herbergt het museum duizenden instrumenten uit alle periodes en windstreken.
Een slordige 1100 daarvan worden permanent tentoongesteld in een gebouw dat op zich al het bezoek waard is.
Het oude Art Nouveau grootwarenhuis ‘Old England’ aan de Hofberg werd grondig gerestaureerd en aangepast aan zijn nieuwe functie door het te koppelen aan een classicistisch pand dat op het Koningsplein uitgeeft. Zo konden er, rond een centrale vide, de administratie, een bibliotheek, een concertzaal, restauratieateliers en een museumshop plaats vinden in het indrukwekkende pand.
Ook een ruime picknickruimte biedt de bezoekers een plek om een meegebrachte lunch te genieten. Niet iedereen wil naar de hoogste verdieping om uitgebreid in het restaurant te tafelen. Toch is één van de niet te missen attracties van het MIM net dáár te vinden: het groot dakterras biedt er een panoramisch zicht over de stad. Er kan uiteraard ook een simpel drankje genuttigd worden. De obers zijn niet van de vriendelijksten, maar kom, het prachtig uitzicht maakt veel goed.

MIM (kl)
Een vitrinekast in het MIM (foto Y. de Vresse)

Naar een muziekinstrumentenmuseum gaat men uiteraard in de eerste plaats voor de muziekinstrumenten. En zoals eerder gezegd, dit is fenomenaal! De meest onwaarschijnlijke instrumenten worden in vier overzichtelijke zalen gepresenteerd. Er is soms veel fantasie nodig om te achterhalen hoe wat werkt. Sommige half-mechanische piano’s, bijvoorbeeld, getuigen van het technisch vernuft en de ongebreidelde fantasie van de fabrikant ervan. Ook bij de blaasinstrumenten is enige hilariteit nooit veraf. De meest bizarre vormen zullen wel een akoestische verantwoording hebben, feit blijft dat sommige instrumenten nogal surrealistisch over komen. Of wat dacht u van een twee meters hoge houten hoorn (?) waarvan de zesvoudige krulvorm de muzikant verplicht het monster vanop een trapladder te bespelen ?
Prachtig om zien ook hoe de decoratieve aspecten van een instrument de tijdsgeest mooi weergeven:  zestiende-eeuwse virginalen versierd met een pseudo-niëllotechniek herinneren aan de Italiaanse renaissance, terwijl schitterend beschilderde −overigens pas gerestaureerde− klavecimbels ons heerlijk romantische taferelen tonen.
Latere stukken moeten hier, op een andere manier, niet voor onderdoen! Zo zijn er een paar Art Déco buffetpiano’s in exotisch hout, sober versierd met stalen kaarsenhouders. Mooi.

Meestal trek ik niet méér dan een paar uur uit voor een museumbezoek. Een teveel aan prikkels en impressies maakt dat ik daar moe word. Ik kom liever nog eens terug om mij in bepaalde stukken te verdiepen. Dat is hier niet anders, integendeel.

Yves

MIM (Muziekinstrumentenmuseum)
Hofberg 2,
Brussel

Claus hoog boven de wolken

Ik ben nooit een grote fan geweest van Hugo Claus. Het verdriet van België heb ik na verscheidene pogingen definitief dichtgeklapt ter hoogte van pagina honderd. Belladonna vond ik – en vind ik nog altijd – een slordig onding waarvan mij niet duidelijk is of dat te wijten is aan de auteur, aan een gebrekkige redactie of aan beide.
Van Claus kan ik wél de poëzie smaken. De Oostakkerse Gedichten, bijvoorbeeld, zijn van een superieure kwaliteit. Vaak vind ik zijn toneelwerk sterk (de Orestes, die ik misschien niet goed begreep, niet te na gesproken; ik hou sowieso niet van bewerkingen van klassiekers). Repertoirestukken als Een bruid in de morgen of Vrijdag verouderen niet ondanks of misschien net dankzij het thema incest.

foto Mattie
Foto Mattie Billen

Toen ik dan De Wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus, ter hand nam, was het mij vooral te doen om wat anekdotische achtergrondinformatie. Uit een gesprek was gebleken dat ik eigenlijk zo goed als niets wist over de man achter de schrijver. Dat ik, nog tijdens het lezen van De Wolken, de eerste roman van Claus, De Metsiers, erbij nam, toont hoe fascinerend een naslagwerk kan zijn.

Het dient gezegd dat samensteller Mark Schaevers zijn taak grondig heeft volbracht. Het moet een monnikenwerk geweest zijn uit het slordig bijgehouden papieren geheugen van duizendpoot Claus een boeiend boekwerk te puren. Want anecdotes zijn er. Met de vleet!
Schaevers spaart zijn onderwerp ook niet. Het werk is zeker geen hagiografie geworden en Hugo Claus wordt er in alle menselijkheid geportretteerd: edelmoedig vaak, grand seigneur soms, maar evenzeer als wat hebberige kruidenier in literatuur, niet gespeend van jaloerse trekjes. Collega’s, critici, uitgevers, familie of geliefden krijgen ervan langs in ongenadige brieven en dagboekfragmenten. De lezer voelt zich vaak een onvrijwillige voyeur.
Ergens schrijft Claus dat het geenszins de bedoeling is zijn ontboezemingen te publiceren, ze zijn voor eigen gebruik. Om dan wat verder de toekomstige lezer aan te spreken…
Een wat schizofrene houding die Claus niet vreemd was. Over zijn filmcarrière schrijft hij bijvoorbeeld dat hij ze als definitief mislukt beschouwt, terwijl hij daarna nog jarenlang enorm veel energie stopt in allerlei filmprojecten.
Bij het wat gênante verslag van zijn breuk met Sylvia Kristel, blijkt ook dat hij zijn jaloersheid moeilijk onder controle houdt. De grote Franse nouvelle vague cineast Chabrol, bijvoorbeeld, wordt wat neerbuigend bejegend. Het is daarbij niet altijd duidelijk of Claus hier als mislukte filmmaker of als afgewezen minnaar zijn pen in venijn doopt.

Hoe nuchter de schrijver tegen zijn (let’s face it: ondermaats) cinematografisch oeuvre aankijkt, zo verongelijkt klinkt hij wanneer het om zijn plastisch werk gaat. Meermaals laat hij weten dat hij zich op dat vlak miskend voelt. Hij is wel zo eerlijk toe te geven dat hij slechts een nevenfiguur was binnen het grote Cobra-avontuur. Toch eigent hij zich naast Asger Jorn voor CO(penhagen) en Karel Appel voor A(msterdam) de BR(ussel) van het magische letterwoord toe. Hierbij ‘vergeet’ hij wat schijnheilig de secretaris, ideoloog en stuwende kracht van de beweging Christian Dotremont of de schilder-graficus Pierre Alechinsky, beiden BR(usselaars) te vermelden, net als een paar anderen, trouwens, en niet van de minsten!
Dat gebrek aan erkenning als plastisch kunstenaar meent hij aan zichzelf te moeten wijten en aan zijn weigering om zijn werk in het commerciëel circuit te tonen. Daar valt iets voor te zeggen, al is het, volgens mij, toch vooral zo dat hij in zijn grafisch en schilderkunstig werk zelden de oorspronkelijkheid, de poëzie of de kracht van zijn literatuur haalt. In deze was Hugo Claus de schrijver misschien het grootste obstakel voor Claus de schilder.
Maar wat schrijft hij mooi, als hij het heeft over een schilderij van Jean Bazaine (1904-2001):

Soms zakken de kleuren langs het vlak
als sneeuw die smelt op een raam.
Maar die schuine sporen van bloed daar,
die moord en die moordenaar die een flard
van zijn droom achterlaat?
(…)

Geen onverdeelde fan van Claus, zoals gezegd, maar bij nader inzien, zijn er toch een stuk of wat van zijn plusminus 150 publicaties die op mijn leeslijst komen te staan.
En dat is volledig de verdienste van voormalig Humo-journalist Mark Schaevers, die uit een enorme stapel typo- en manuscripten, kattebelletjes, zakelijke en andere brieven, onvolledige dagboeken, interviewfragmenten, familiefoto’s en vakantiekiekjes een uiterst boeiend en bijzonder fraai uitgegeven  lees- en kijkboek heeft gedestileerd. Een prestatie die hoog boven de wolken uitsteekt.

Yves

De Wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus.
Samenstelling: Mark Schaevers
Uitgeverij De Bezige Bij, 2011

Bildarchitektur

Nieuwe vormen tijdens het interbellum:
Flouquet, Léonard, Kassák et quelques autres…

Avant-garde is een omstreden term die vaak misbruikt wordt, of tenminste verkeerd begrepen. Het begrip werd voor het eerst in 1825 door de Franse cultuurfilosoof Saint-Simon gebruikt om een vernieuwende literaire stroming te benoemen. Hij stelde dat de avant-garde literatuur “functioneel, didactisch en daarom eenvoudig te begrijpen” hoorde te zijn. Niet bepaald wat er later van geworden is! De term werd in 1907 gekaapt door de dadaïsten van Cabaret Voltaire in Zürich. Vanaf toen kreeg het vormelijk aspect meestal de bovenhand op het inhoudelijke.
Hedendaagse kunstenaars rekenen zichzelf graag tot een zelfverklaarde avant-garde, waarbij bijna meesmuilend gedaan wordt over navolgers, hoe goed die ook mogen zijn.
Alsof ‘eerst zijn’ borg zou staan voor kwaliteit!
Waar eindigt trouwens  de voortrekkersrol van een kunstenaar of beweging vooraleer over te gaan in mainstream? En misschien belangrijker nog: wat is de blijvende invloed van die voortrekkers op latere generaties artiesten?
Om het toch wat overzichtelijk te houden spreken kunsthistorici over de ‘historische avant-garde’ wanneer ze het (grosso modo) hebben over de kunststromingen die elkaar opvolgden tussen het ontstaan van het kubisme en de Tweede Wereldoorlog. De snelle opeenvolging van -ismen maakt dat het vak kunstgeschiedenis vaak meer lijkt op een rijmwoordenboek dan op een cursus stijlkennis.
Oordeel zelf: na impressionisme en  post-impressionisme, kwamen er achtereenvolgens, maar niet noodzakelijk in die volgorde en uiteraard met de nodige overlappingen: kubisme, dadaïsme, futurisme, orfisme, neoplasticisme, elementarisme, suprematisme, constructivisme, modernisme, machinisme, socialistisch realisme, surrealisme, (al dan niet abstract)expressionisme, magisch realisme, spatialisme, minimalisme, cynetisme en ik vergeet waarschijnlijk nog een paar regionale varianten, zonder het te willen hebben over de obligate tegenbewegingen:  soms leken het wel sektes waarbij afvalligen even snel op de brandstapel belandden  als na het tweede concilie van Trente…
De historische avant-garde in onze contreien kende haar hoogtepunt in de kringen rond voornamelijk twee tijdschriften: het Franstalige ‘7 Arts’ en het Vlaamse ‘Het overzicht’. Ik schrijf bewust ‘Vlaams’ omdat de initiatiefnemers duidelijke wortels hadden in het Cultureel Flamingantisme. Dat sommige medewerkers later regelrecht in de collaboratie belandden, doet hier weinig ter zake.
Uiteraard verschenen er overal in Europa en elders gelijkaardige tijdschriften om nieuwe stromingen en bewegingen te promoten. Ze verdwenen meestal sneller dan ze opdoken. Het mag een  wonder heten dat beide Belgische bladen het zo lang uithielden en internationale bijval kenden. Van ‘Het ‘Overzicht’ verschenen vierentwintig nummers op vier jaar tijd en ‘7Arts’ bereikte wekelijks (!) acht jaar lang abonnees over gans Europa en zelfs daarbuiten.
Misschien dankten de initiatieven hier te lande wel hun succes aan het feit dat ze niet al té streng in de leer waren. Mondriaan en van Doesburg, bijvoorbeeld, waren zo rigide in hun opvattingen, dat hun blad  ‘De Stijl’ soms meer op de kroniek van een permanente familieruzie leek dan op het orgaan van een serieuze kunststroming. Mondriaan verliet trouwens ‘De Stijl’ met slaande deuren toen Theo van Doesburg ook diagonalen introduceerde in zijn schilderijen. Een onaanvaardbare frivoliteit voor de asceet die wel van salondansen hield, maar waarvan de partners zeiden dat hij danste zoals hij schilderde.

flouquet-7644dig-l_small@2x
P-L. Flouquet – Architectuur – Vormen

Pierre-Louis Flouquet (Parijs 1900 -Dilbeek 1967) was een studiegenoot van Magritte, met wie hij een tijdlang een atelier deelde. Hij was de drijvende kracht achter tal van tijdschriften (waaronder ‘7 Arts’ op zijn 22ste!) en introduceerde via boeken en artikels het modernisme in België. Zijn intellectuele benadering van de schilderkunst temperde hij door zijn wens een moderne beeldtaal te introduceren in alle aspecten van het dagelijks leven. Na de Eerste Wereldoorlog lag het land volledig in puin, natuurlijk, en velen snakten naar wat kleur en optimisme na de horror. Tijdens zijn legerdienst in Frankrijk leerde hij kubistische en futuristische kunstenaars kennen. Hij knoopte er blijvende vriendschapsbanden aan, contacten die later zouden uitmonden in een internationaal netwerk van avant-garde kunstenaars. De brede interesse van Flouquet en zijn vertrouwdheid met de internationale kunstscène, lieten hem binnen zijn eigen werk uitstijgen boven het provincialisme en de wat kneuterige anekdotiek van sommige van zijn collega’s in België. Hij beperkte zich trouwens ook niet tot schilderen of grafiek: Als dichter, organisator van exposities, publicist, architectuurcriticus en uitgever, verwierf hij een invloed die moeilijk te overschatten valt. Misschien heeft alomtegenwoordigheid zijn eigen artistieke carrière zelfs wat in de weg gestaan.

Jos Leonard_1925
Jos Léonard – Compositie 25

Jos Léonard ( Antwerpen 1892- Brussel 1957) verdedigde in geschriften fel een autonome en zuiver abstracte kunst. Het is dan ook wat vreemd  te moeten vaststellen dat hij in zijn artistiek werk – hij werkte daarbuiten ook als toegepast graficus – eigenlijk zelden volledig loskomt van de figuratie. In sommige hier getoonde werken is dat bijna gênant: de grote aquarel ‘Landschap met echo’ bijvoorbeeld toont ons een berglandschap met daarin een nietig personage (de schilder?) dat tegen de bergtoppen op schreeuwt. De echo komt in golven terug. Anekdotische elementen, zoals een drietal sparren, een houten hek in de alpenwei of een gebouw met de letters Hotel erop,  herleiden het op zich interessante uitgangspunt van de weergave van klankgolven tot een soort te drukke, kinderlijke herinnering aan een vakantie-uitstap. Er ontbreekt enkel een zwartgevlekt  koetje om de miskleun volledig te maken. Onbegrijpelijk, omdat, in enkele zeldzame gevallen, schilderijen van Léonard die realiteit wél kunnen sublimeren in prachtige, sobere composities. Vreemd, of misschien ook niet wanneer men weet dat Léonard, die ook als graficus actief was, vanaf 1924 zijn energie voornamelijk stak in het zakelijk uitbouwen van een succesvol grafisch bureau, Studio Novio dat, tot in Amerika toe, hoge ogen gooide met vernieuwend grafisch werk.

10669_295_200_FSImage_0_beeld-2-copyright-annette-kradisch
Lajos Kassák – Bildarchitektur, 1923

Van de  Hongaarse modernist Lajos Kassák (NovéZámky188- Budapest 1967) had ik nog nooit gehoord, noch van zijn tijdschrift ‘Ma’ (Vandaag). Zijn werk leunt formeel aan bij dat van Flouquet (met wie hij contacten onderhield) en Léonard, hoewel deze laatste een minder strakke vormentaal hanteerde. Méér dan het confronteren van plastisch verwant werk, evoceert deze tentoonstelling een tijdsgeest. Kassák publiceerde in 1922 een eigen theorie van de geometrische abstractie met als titel ‘Bilderarchitektur’, niet toevallig het jaar van de lancering van ‘7 Arts’ door Flouquet (die hij twee jaar eerder in Parijs ontmoet had) en van het legendarische ‘Tweede Congres voor Moderne Kunst’ met aansluitende tentoonstelling van de ‘Kring voor Moderne Kunst’ van Jozef Peeters in Antwerpen.
Beschuldigd van burgerlijk revisionisme zag Kassák zich, na de val van de Hongaarse Radenrepubliek in 1919, verplicht Budapest te ontvluchten voor Wenen, waar hij zijn uitgeversactiviteiten en zijn schilderen kon verderzetten. Als autodidact pinde hij zich niet vast op één stijl en produceerde zonder vooroordelen in diverse technieken en vormen naargelang de omstandigheden. In die zin is zijn werk uitermate modern. Nadat hij in 1926 naar Budapest terugkeerde, werd hij eerst een prominente stem in het intellectuele leven van het land. Zijn onafhankelijke geest maakte dat hij later zowat monddood werd gemaakt door de officiële instanties.

De inspirerende rol van de historische avant-garde op alle aspecten van ons dagelijks leven is verre van uitgespeeld. Denk maar aan de invloed ervan op architectuur en design, mode, reclame of gebruiksgrafiek. Ook kunstverzamelaars beginnen te beseffen dat binnen de grote artistieke bewegingen van de eerste helft van de twintigste eeuw nog veel te ontdekken valt. Deze tentoonstelling toont naast de drie affichehoofden Flouquet, Léonard en Kassák, ook werk van enkele verwante artiesten, zoals bijvoorbeeld de nog steeds onderbelichte Victor Servranckx. Dat valt toe te juichen en laat hopen op meer!

Yves

Architectuur van het beeld tijdens het interbellum
tot 4 – 11 – 2018
Mu.ZEE
Romestraat 11, Oostende
www.muzee.be

 

 

 

 

Zwart en wit, en alles wat daartussen ligt

Verborgen schat: Léon Spilliaert in de Venetiaanse Gaanderijen in Oostende.

Geen groter contrast te bedenken dan de krioelende massa op het strand en de Zeedijk (waar is de tijd dat Oostende doorging als de meest elegante badplaats van Europa, trekpleister van de beau-monde en de demi-monde en van avonturiers van allerlei pluimage die in hun kielzog hun slag probeerden te slaan?
De Venetiaanse Gaanderijen maakten toen deel uit van de obligate ochtendwandeling van wie wou zien en vooral gezien worden. Nu huist er, naast een elegant en ongetwijfeld zeer duur restaurant, een tentoonstellingsruimte met een wat vreemde indeling.

Voor deze tentoonstelling met werk van Léon Spilliaert (Oostende 1881-Brussel 1946) worden twee in het halfduister gehulde langwerpige, hoge zalen  verbonden door twee ruimtes die als een soort antichambre de bezoeker enige voorkennis bijbrengen aan de hand van een tijdlijn en een wandgrote opname van de Koningin der Badsteden, getrokken vanop het balkon van het toenmalige casino door de beroemde fin-de-sièclefotograaf Antony.

De hier tentoongestelde werken komen uit de collectie van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Ze werden door de in geldnood verkerende weduwe van Spilliaert van de hand gedaan, nét voor de kunstenaar door de Antwerpse galerie Campo werd herontdekt en anderen met het grote geld gingen lopen.
Kunsthandelaars noemen dit soort ensembles wat smalend een ‘fonds d’atelier’. Onverkochte, soms minderwaardige werken, vaak voorontwerpen of schetsen, maar ook publicaties en archiefstukken die door de erfgenamen te gelde worden gemaakt.
In dit geval kan men bezwaarlijk spreken van tweede keus, maar het is duidelijk dat niet álle werken per se moesten getoond worden. Anderzijds biedt het natuurlijk een unieke kans om minder getoonde (of mij zelfs totaal onbekende) facetten van de productie van de kunstenaar te kunnen ontdekken.
Zo is er een uitgave te zien van een pedagogisch verantwoord kinderboek dat Spilliaert tekende. De brave bourgeois-kindjes werden verondersteld de tekeningen van Spilliaert in te kleuren!
Niet dat het werk veel voorstelde, volgens mij, maar een Spilliaert onder de kerstboom is toch wat anders dan een album van Suske en Wiske…

Zelfportret Léon Spilliaert (1907) - coll. Mu.ZEE
Zelfportret Léon Spilliaert (1907) – coll. Mu.ZEE

Hoewel Léon Spilliaert vooral naam maakte met schilderijen, lavis en aquarellen, vaak opgehoogd met kleurpotlood of pastel, blijkt hier wat een fantastische tekenaar verborgen zat achter de zwaarmoedige, soms ronduit depressieve werken.
Wanneer hij zijn jonge echtgenote portretteert, vaak als naaister met geconcentreerde blik op naald en draad, stralen de tekeningen een huiselijke rust en een grote tederheid uit. Waarschijnlijk kon zij zijn innerlijke demonen de baas. Soms is een detail veelzeggend: een enkel is frivool neergezet, wat speelse nekharen komen uit een strakke blouse loeren. Duidelijk tekeningen die, in de intimiteit geboren, niet de weg naar het publiek moesten zoeken.
In de werken die aansluiten bij de meer gekende Spilliaert, is de erotische ondertoon anders wél  aanwezig, met vaak morbide elementen en figuren. Helemaal in de stijl van de symbolistische literatuur waar hij zo van hield en die hij ook vaak zou illustreren.

Absoluut topstuk van deze expositie is een frontaal getekend levensgroot zelfportret uit de collectie van het onvolprezen Mu.ZEE. Het toont de kunstenaar zoals we hem het beste kennen: een getormenteerde blik in de ogen, strak in het zwarte pak, met een rood potlood in de hand.
Het kan bijna gelden als een geconcentreerd beeld van zijn leven: een beetje illusieloos, met hier en daar een sprankeltje kleur. Tussen zwart en wit en alles wat daartussen zit…  Virtuoos slachtoffer van zijn tijdsgewricht. Wat een tekenaar, wat een genie!

Yves

Léon SPILLIAERT
De verzameling van de Koninklijke Bibliotheek van België,
Venetiaanse Gaanderijen
tot 30/9/2018

www.oostende.be/cultuur

A love supreme op de Chaussée d’Amour?

Vreemd toch, hoe de perceptie van wat erotisch, sensueel of ‘kinky’ is, met de tijd evolueert. Toen ik, jonge twintiger, voor het eerst werk van Liliane Vertessen aan de wand zag hangen, was ik niet geschokt, dat niet, maar wél verrast door zoveel durf. In die tijd (láng geleden!) kwam het niet vaak voor dat een kunstenares openlijk erotisch getint werk aan het publiek toonde. De goegemeente van het stadje sprak er schande over. Er werd zelfs even geopperd de tentoonstelling te sluiten wegens onbetamelijk. Schending van de goede zeden, heette zoiets toen en daar werd door de burger niet om gelachen. Wat diezelfde burger trouwens niet belette om zich met eigen ogen te gaan vergewissen van de ernst van de feiten. Het koelde zonder blazen, uiteraard, de tentoonstelling werd naar een minder zichtbare plek van het cultureel centrum verhuisd.
Laat ons eerlijk zijn: The scandal is vaak in the eye of the beholder. Wat in 1980 nog een fikse rel kon veroorzaken wordt, in onze tijd van vrij toegankelijke porno, schouderophalend, ja zelfs wat meewarig ontvangen.

In haar vroege werk etaleert Liliane Vertessen haar eigen lichaam. Zoals een ander een model zou schilderen. Daarom ben ik het oneens met Willem Elias die haar werk in zijn Aspecten van de Belgische kunst na ’45 bij de Body Art onderverdeelt.
Alhoewel Liliane Vertessen (° Leopoldsburg, 1952) waarschijnlijk de eerste was die in ons land met haar lichaam aan de slag ging, was dat lichaam an sich nooit het materiaal waarméé zij kunst maakte. Haar lichaam was gewoonweg het werk. In interviews geeft zij trouwens volmondig toe dat zij puur intuïtief te werk ging en gaat. Vertessen is geen geschoold plastisch kunstenaar of fotograaf. Zeer vroeg voelde zij zich wel een artiest, maar dan eerder in de muziek, zij studeerde piano, klassieke zang en…trombone!
Voor de concerten met de groepen waar ze mee speelde stak ze zelf haar podium-outfits in elkaar en zo werden optredens stilaan performances waarin het visuele aspect langzaam een eigen leven ging leiden. De do-it-yourself en punkattitude van de vroege jaren is gebleven, zij het dat mettertijd een zekere esthetisering geleid heeft tot een herkenbare eigen stijl.

Love, 1980, c Liliane Vertessen (kleiner)
Liliane Vertessen, Love (1980)

In de belangrijke tentoonstelling die in het fotomuseum van Charleroi loopt is deze evolutie duidelijk. Hoewel al vroeg neonteksten (of liever: woorden in neon) opduiken, gaat dit na een tijd wat op een gimmick lijken, een truukje dat net te alomtegenwoordig is.
Vertessen integreerde in haar eerste werken trouwens nogal wat goedkope clichés van de seksindustrie: glitter, kanten lingerie, pluimen… Allemaal dingen die zij had opgemerkt in de roodverlichte vitrines op de Chaussée d’Amour waar zij in haar kindertijd vaak langskwam. De neons en de opgetutte prostituees fascineren haar nog steeds.
Persoonlijk vind ik de werken die deze frivole attributen achterwege laten, vaak de sterkste zeggingskracht bezitten. De foto’s met grove raster lijken soms uit oude magazines gehaald en passen helemaal in de duistere sfeer van de tentoonstelling.
Minder geslaagd, wegens te trashy naar mijn smaak, is de centrale installatie: een in pikzwart plastic verpakt bed in de roodverlichte peeskamer van een strenge Meesteres. Kompleet met een zwarte lavabo en de vervaarlijk uitziende zweep, kan dit geen groter contrast vormen met een hoge, bijna fallusvormige constructie met babyblauwe zuilen en veren, die vreemd genoeg Wave blijkt te heten. Op een hogere verdieping treft men dan weer een gigantische glitterschoen in Louboutin-rood. Niet echt mijn ding.

“A love supreme” heet de tentoonstelling, en net als bij het gelijknamige album van saxofonist John Coltrane uit 1965, ziet men hier een steeds weerkerend motief dat bijna tot een mantra uitgroeit. Het eigen lichaam tot in den treure herhaald als in een donkere spiegel. Het is niet duidelijk of het weerkaatste beeld getrouw is aan het origineel. In het felste licht schuilt vaak de diepste duisternis.

Yves

Liliane Vertessen
A love supreme
tot 16 september 2018
Musée de la Photographie,
Place des Essarts – Charleroi
Een bezoek aan dit museum, geherbergd in een prachtig gerenoveerd klooster, is overigens zéér de moeite. Met een eigen collectie van 80.000 originele foto’s, waarvan een ruime selectie van 800 iconische beelden permanent tentoongesteld wordt, is dit één van de grootste fotomusea van Europa. 
www.museephoto.be