Paul D’Haese, fascinerende fotografie

Ik hou veel van fotografie. Ik kijk graag in fotoboeken. De mijne hebben voornamelijk de mens als centraal onderwerp. Portretfotografie, boeken als “Brussel intiem” (mensen die zich met al hun huisgenoten in hun interieur in een Brusselse woning lieten vereeuwigen), de stad met haar bewoners (Amsterdam en Parijs van Ed Van der Elsken), de mooie thematische boeken van Lieve Blancquaert, de erg geënsceneerde producties van Leni Riefenstahl, de estetisch uitgepuurde foto’s van Robert Mapplethorpe, zelfs Leopold III kan me als fotograaf charmeren en ook wel foto’s van concerten -vb. in Paradiso- of van mensen met hun huisdier. Eerder anekdotische foto’s, beelden waar je een verhaaltje rond kan brouwen door de situatie die je afleest.
Uitzonderlijk heb ik enkele boeken over interieurs waar geen mensen in te zien zijn, maar waar je vanzelfsprekend de mensen in kan waarnemen via hun creaties, hun inrichting, de sporen van maaltijden of rommel en vuiligheid, zichtbare armoede, de lompe TV in het midden van de kamer, het met een morsige sprei gedekte bed. Boeken of tijdschriften over (binnenhuis)architectuur waar alles onder controle is en proper en netjes gepresenteerd omdat de nadruk ligt op het concept van de architect die zich wil verkopen kunnen me eveneens bekoren.

Gisteren bezocht ik twee tentoonstellingen met foto’s van Paul D’Haese (1958°). Ik kende het werk van deze fotograaf niet. Maar wat een ontdekking! Ik geraakte niet uitgekeken op de haarscherpe beelden van desolate landschappen en/of afgeleefde gebouwen, braakliggende terreinen of bruggen. Ik denk dat de fotograaf urenlang op zoek gaat naar de locaties en er naar terugkeert om een juiste lichtinval en toevallige ‘passanten’ (een kat, een vrachtwagen, een caravan…) in de cadrage te krijgen, met behulp van een technische camera waarmee hij alles uitgemeten vat. De compositie lijkt wiskundig berekend, soms is er net geen symmetrie en àltijd is er een prachtig spel van lijnen en vlakken en terugkerende vormen in sombere doch meestal warme kleuren. Vaak in combinatie met bomen, struiken, pilaren, kabels. Hoe lelijk, oud en vervallen de huizen, koterijen, muren, asfaltstroken of parkeerplaatsen ook zijn en hoe ‘bric-à-brac’ de voorwerpen die zich erbij bevinden -schotelantennes, keien, nadarhekken, kasseien, balkjes, afdekmatten, verkeersborden, elektriciteitskasten, vuilbakken… het levert schitterende, soms zelfs ontroerende, beelden op. De tijd laat zich lezen in de letterlijke littekens van huizen en bouwwerken die in diverse perioden bij elkaar gebracht werden. Het zijn tekens van afbraak en restauratie, leegtes die een verleden suggereren, vlekken die wijzen op herstel en slijtage en opnieuw herstel.

foto Paul D’Haese

Bouwsels leunen tegen elkaar aan, ze staan vloekend en onlosmakelijk van elkaar in wat een eeuwigheid lijkt. Diverse grijzen in een strak lijnenspel van fabrieksmuren met schaduwpartijen vormen een contrast met een crème-fraîchelucht van witte wolken die uit de trapeziumvormige uitsnijding op de foto van deze hall opstijgen; op de binnenplaats liggen grote bij elkaar gebonden buizen en twee enorme industriële voorwerpen die ik niet kan duiden. Sowieso zijn de foto’s heel fascinerend en opwindend doordat ze je fantasie prikkelen. Een reeks bleke garagepoorten staan repetitief te wezen met het accent op één donkerbruine poort. Elders staan betonnen wanden afgebiesd met prikkeldraad dominant in het beeld, op de hoeken enkele staalharde metalen muurankers. Op een verlaten binnenkoertje omzoomd door hoge witte muren staat het karkas van wat ooit een schommel was; op de wand achter dit staketsel zie je de schaduw van een reeks kale boomkruinen waarvan de (schaduw)stammen over de grond naar je toe kruipen. Op de dwarse witte wand is er een schuinaflopende schaduw van een leuning die zich boven op het dak bevindt van het gebouw dat je slechts héél fragmentarisch ziet. Op een andere foto met enkele kleine arbeidershuisjes die solidair driehoekig omhoog pieken in diverse kleuren en materialen, prijken scheuren in de muren haast vertederend naast ronde raampjes van hoop.

Industriële rommel krijgt op de foto’s van Paul D’Haese een dimensie van schoonheid door het haast abstracte ervan: een toren van autobanden, een stapel houtwerk met ergens bovenop een oude boot. Ik zou eindeloos kunnen doorgaan met het trachten beschrijven van wat ik zag. Ik zag twee tentoonstellingen achtereen, ze zijn heel verschillend maar ik beschouw ze hier als één geheel van zeer herkenbaar werk van een interessante fotograaf. Ik ben enthousiast. Paul D’Haese heeft een nieuwe volger.

Mattie

Paul D’Haese

Winks of Tangency (Contretype, Fontainashof 4, 1060 Brussel)
16/9 – 8/11/2020

Borderline (Hangar, Photo Art Center, Kasteleinsplein 18, 1050 Brussel)
5/9 – 24/10/2020

René Magritte, een crapuleuze hoerenloper?

Dat het nooit goed zou komen tussen René Magritte en mij, wist ik al heel lang.
Ik heb namelijk altijd moeite gehad met het imago van brave burgerman dat hij meedroeg. Geef toe: een schilder wiens beroemdste schilderij-met-de-pijp ‘La trahison des images’ heet (Het verraad der beelden), verdient toch enig gezond wantrouwen?

Ooit sprak ik met Georgette Berger, weduwe Magritte. Of liever: ooit was ik aanwezig bij een gesprek tussen haar en wijlen mijn vriend, de discrete kunsthandelaar en galeriehouder Louis Hutse uit Jette, die de schilder goed had gekend en nog regelmatig met zijn weduwe contact had. De Magrittes hadden een kwarteeuw op een paar honderd meter van hem gewoond, vandaar.

Plaats van het gebeuren was de hal van het Congressenpaleis onder de trappen van de Kunstberg in Brussel. Ik weet niet meer welke tentoonstelling er geopend werd, maar Georgette en Louis raakten in gesprek over schilderspraktijk van haar man.
Nu moet u weten dat Georgette Berger, hoewel ze vijfenveertig jaar met de kunstenaar getrouwd was geweest – van 1922 tot zijn dood in 1967- zeker geen al te betrouwbare bron is (was) als het om zijn oeuvre gaat! Zo schreef zij, uiteraard tegen fikse vergoeding, nogal wat certificaten uit wanneer haar een werk ter authentificatie werd getoond. Haar gevleugelde woorden “C’est sans aucun doute de René: j’étais là quand il l’a peint!” werd bijna een running joke in Brusselse kunstmiddens. Zelf heb ik een aantal tekeningen gezien waarop zij zijn handtekening in balpen had gezet “omdat het potlood erg vervaagd was”. In die tijd waren de schilderijen van haar man misschien wel al veel geld waard, maar de meesten waren reeds lang in het bezit van galeristen en verzamelaars. Zijzelf bezat amper nog werk van haar overleden echtgenoot. En ze had geld nodig. Georgette was ongetwijfeld een zeer aantrekkelijke vrouw geweest, maar op het einde van haar leven (ze werd vijfentachtig) werd het steeds moeilijker om de jonge mannen met wie zij graag omging te motiveren om haar te vergezellen in de duurste restaurants …

Enfin, In die hal probeerde Louis, die welopgevoed was, met veel tact haar te laten toegeven dat de grote kunstenaar die – volgens zijn legende althans – eenzaam in zijn eetkamer of keuken aan zijn omvangrijk oeuvre werkte, af en toe ‘wat hulp van assistenten had gekregen’. Ik herinner mij zijn woorden nog letterlijk: “Mais enfin, Georgette, vous devez quand même avouer que René s’est parfois fait aider…!” (Komaan, Georgette, u moet toch toegeven dat René soms wat hulp gekregen heeft…!) Waarna de hoogbejaarde weduwe bits repliceerde: “Mais c’est un mensonge! Où allez-vous chercher celà? Il a toujours tout peint tout seul. J’étais là!” (Maar dat is een leugen! Waar haalt u dat vandaan? Hij heeft altijd alles alleen geschilderd. Ik was erbij!)
“Mais enfin, Georgette, regardez!” vervolgde Louis, We stonden voor een fresco van haar man. “Regardez, c’est écrit là!”, zei Louis Hutse wat misnoegd over zoveel duidelijke kwade wil. En inderdaad, onder de handtekening van Magritte stond geschreven: ‘Exécutant: P.W. De Muylder’ (Uitvoerder: P.W. De Muylder). Dezelfde De Muylder, leraar schilderkunst aan en later directeur van de academie van Sint-Jans Molenbeek, die trouwens de grote werken van Magritte in het casino van Knokke uitvoerde. Zonder een woord keerde zij ons de rug toe en verdween, champagneglas in de hand, tussen het volk.
Later zou diezelfde galeriehouder voor mijn ogen een brief uit zijn kluis halen en liet mij lezen: “Mon cher … tu es le seul qui arrive à peindre comme je le veux. Je te joins les … francs (ik herinner mij de som niet meer precies) promis et encore quelques croquis.” (Mijn beste… je bent de enige die kan schilderen zoals ik het wil. Hierbij de beloofde … franken en nog wat schetsen.) Ik had maar wat graag de brief meegekregen, of een kopie ervan, want daar zat een smeuïg artikel in, maar mijn goede vriend zei mij dat daar geen sprake van kon zijn; hij bezat zélf nog een aantal schilderijen van de Meester en wou de waarde van zijn kapitaal niet kelderen… Zonder de schriftelijke bewijzen kon ik er natuurlijk niets over schrijven… Daar ging mijn primeur.
Maar dit terzijde.

magritte-bolhoed-hand

Monsieur tout-le-monde
Ik heb dus nooit veel waarde gehecht aan het beeld van een ‘monsieur-tout-le-monde’ die in de beslotenheid van zijn bescheiden huisje een teruggetrokken leventje leidde, samen met zijn vrouw Georgette. Het dagelijks uitlaten van de keeshond Loulou kon toch moeilijk zijn enig vertier zijn? Er moest toch iets anders zijn? Iets wat meer in de lijn lag van de verwachtingen als het ging om een kunstenaar die in zijn jonge jaren revolutionaire manifesten opstelde of ondertekende Was het jeugdige provocatie? Misschien, maar feit is dat achter de man met de eeuwige bolhoed een àndere René Magritte schuilging. Eentje die hij op latere leeftijd blijkbaar het liefst wou vergeten of alleszins doodzwijgen. Zelfs met zijn trouwste vrienden of biografen sprak Magritte nooit of slechts in vage termen over zijn wilde jaren. Hij stelde onomwonden: “Je hais mon passé et celui des autres!” (Ik haat mijn verleden en dat van de anderen!) Misschien was er wel een goede reden om niet meer achterom te kijken?
Één man heeft dertien jaar van zijn leven gewijd aan het ontrafelen van dit mysterie. Tussen 1985 en 1998 ondernam de Belgische psychoanalyticus Jacques Roisin een speurtocht naar ‘René avant Magritte’ en publiceerde de schokkende resultaten van zijn onderzoek in ‘René Magritte, la première vie de l’homme au chapeau melon’. Het boek van zo’n 250 pagina’s leest als een roman, hoewel de auteur er een erezaak van gemaakt heeft zijn weergave van de feiten uiterst grondig te documenteren. Vijfendertig pagina’s bibliografie en nota’s staan garant voor accurate citaten. Wanneer zijn bronnen wat twijfelachtig zijn, durft Roisin te vermelden dat de getuige bijvoorbeeld door zijn of haar hoge leeftijd wat verward overkomt of geheugenproblemen heeft. Ook confronteert hij regelmatig tegenstrijdige bronnen, de lezer kan dan wel de conclusie trekken.

Een voorliefde voor excrementen
René Magritte was in zijn jeugdjaren een regelrecht crapuul die, samen met zijn twee broers Paul en Raymond, zijn omgeving het leven zuur maakte. Hij hield van practical jokes waarbij zijn voorliefde voor excrementen opvalt. Drollen werden op deurklinken gesmeerd, of in kranten gewikkeld aan voordeuren gelegd en dan in brand gestoken. De organist van de kerk kreeg zelfs een volle emmer stront vanop een brug over het hoofd gekieperd…

Ook was René op zeer jonge leeftijd al een regelmatige bezoeker van de hoerenbuurt van Charleroi. Op vijftienjarige leeftijd moest hij samen met zijn oudste broer, behandeld worden voor syfilis!
Natuurlijk waren er verzachtende omstandigheden. Zo was Léopold Magritte verre van een voorbeeldige vaderfiguur. Half zakenman half oplichter, slaagde hij erin tweemaal een groot fortuin te vergaren om dat dan te verspelen in wilde braspartijen en op de paardenrenbanen van Brussel. De hautaine man werd gehaat in zijn opeenvolgende woonplaatsen, niet in het minst omdat hij zijn echtgenote op schandalige wijze behandelde. De moeder van Magritte pleegde trouwens zelfmoord door in de Samber te springen toen René veertien was. In hun woonplaats Châtelet werd onomwonden de schuld van het drama bij vader Magritte gelegd.

Allesbehalve een vlijtige student
René Magritte ontmoet Georgette Berger wanneer deze amper twaalf jaar oud is. Eerder had hij reeds een ‘affaire’ gehad met de even jonge dochter van de conciërge van het oude kerkhof van Soignies (Zinnik) – het dorpje waar hij de vakanties bij zijn grootmoeder doorbracht; ze ‘speelden’ er vaak samen in opengebroken graftombes. Zijn eerste schilderijen maakte de jongeling trouwens in datzelfde kerkhof waar hij de schilder Léon Huygens aan het werk had gezien.
Wanneer Magritte vanaf oktober 1915 naar de Brusselse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten trekt, is hij allesbehalve een vlijtige student. In het verlengde van zijn eerdere strapatsen blinkt hij vooral uit als het om drinkgelagen en studentikoze grappen gaat. Hij volgt er wel onregelmatig les bij Montald en Combas, maar neemt meer niet dan wél deel aan de eindproeven. Uiteindelijk houdt hij het daar in 1919 voor bekeken.
De wereldoorlog belette René niet om zijn liederlijk leven in Brussel voort te zetten. Hij aarzelde daarvoor zelfs niet opdrachten voor affiches van de Duitse bezetter te aanvaarden (Magritte had zich in 1915 ook als vrijwilliger aangeboden om in Duitsland te gaan werken, maar dat plan werd op het nippertje verijdeld door zijn vader die hem van de trein kwam plukken).
Hij liet die affiches trouwens voor een habbekrats uitvoeren door berooide medestudenten en stak het ruime verschil in zijn zak.

Naar Parijs en terug
In Brussel ontmoette hij weer Georgette, die verkoopster was in een winkel van schilder- en tekengerief. Ze werden een koppel en zij poseerde vaak voor hem. Magritte behandelde haar echter slecht: tegen haar levenslange vriendin Jacqueline Nonkels, bekende zij later dat hij haar regelmatig opsloot terwijl hij nachtenlang op stap ging met zijn vrienden. Georgette bleef ook na hun huwelijk in 1922 in de ‘Coöperative Artistique’ werken en haar loon was lang het enige regelmatig inkomen van het koppel tot Magritte in 1926 een contract kreeg bij P.G. van Hecke, die hem in ruil voor schilderijen een bescheiden maandloon uitkeerde. Van Hecke -die het contract deelde met galerie ‘Le Centaure’- hield een tweehonderdvijftigtal doeken over aan de deal, zowat een kwart van het totale oeuvre van de schilder! Met dat maandgeld kunnen de Magrittes zich nabij Parijs vestigen en kan René zich volledig aan de schilderkunst wijden. Ze vertoeven er in de kringen rond de ‘Paus’ van het surrealisme, André Breton.
Een vreemd voorval ligt aan de basis van hun terugkeer naar België en de jarenlange ruzie tussen Magritte en Breton. Deze laatste dreef op een avond de spot met het kruisje dat Georgette om de hals droeg en eiste dat ze het zou afleggen. Magritte stond op met de woorden: “Viens, Georgette. On s’en va!” Het zou twintig jaar duren vóór hij naar Parijs terugkeerde.
Het vreemde is dat René, in zijn academietijd, er zélf een duivels genoegen in schiep om de draak te steken met de godsdienst. Het leidde zelfs tot een hevige ruzie met zijn vriend en medestudent Pierre-Louis Flouquet die erg gelovig was en die door de constante aanvallen van René in een depressie geraakte.
Tijdens zijn kinderjaren in Châtelet dreef de kleine René (misschien onder invloed van zijn hevig antiklerikale vader?) regelmatig de spot met de pastoor door op de dorpel van het huis van zijn ouders de mis op te dragen, gehuld in zelfgemaakte papieren kazuifels. Hij maakte ook tientallen keren achter elkaar het kruisteken vóór het eten, tot wanhoop van de meid die onomwonden tegen zijn moeder zei: “Madame, votre fils est complètement fou!”. Misschien was er dus wel een andere reden om Parijs te verlaten en was het incident met het kruisje een voorwendsel?

‘Gene gewone’
Dat Magritte in zijn jeugd ‘gene gewone’ was, blijkt ook uit de tientallen getuigenissen over die jaren die Jacques Roisin verzamelde. Zo vertelden gewezen klasgenoten dat de jonge René door seks bezeten was en tijdens de studie zijn schriften voltekende met gewaagde tekeningen. Zijn vader bezat trouwens een grote verzameling ‘pornografische’ bladen. Die vader liet zijn gezin regelmatig achter om ‘op zakenreis’ te gaan. Hij liet daarbij zijn zenuwzieke vrouw vaak zonder geld achter, maar zijn drie zoons kregen van hem dan weer grote sommen geld toegestopt. René en zijn broers Raymond en Paul waren dus volledig op zichzelf aangewezen Uiteraard bleef dat niet zonder gevolgen: hun kattenkwaad werd alsmaar driester en hun gedrag losbandiger. René werd al zeer jong een bordeelbezoeker en pochte tegen zijn kameraden dat hij het ook met de minnares van zijn vader deed. Dat kan natuurlijk stoerdoenerij geweest zijn, maar feit is dat hij al vóór zijn vijftiende voor een venerische ziekte moest behandeld worden, net als zijn oudere broer…

Later zou Magritte over zijn kunst verklaren; “L’art n’a pas besoin d’analyse ou d’interprétation, mais de commentaire.” Als een van de weinige surrealisten zag hij niets in de theorieën van Freud en verzette zich tegen interpretatie van zijn werken vanuit het onderbewuste. Het siert Roisin, die zelf psychoanalyticus is, dat hij die invalshoek voor het grootste deel achterwege laat. Zijn onderzoek baseert zich op honderden interviews en ontmoetingen met protagonisten en getuigen.
Oedipiaanse, dieptepsychologische of Freudiaanse analyse laat hij voor rekening van de lezer. De feiten spreken ruimschoots voor zich, zal hij gedacht hebben.
We kunnen hem geen ongelijk geven.

Yves

Jacques ROISIN ‘René Magritte.
La première vie de l’homme au chapeau melon.’
(Uitgeverij Les Impressions Nouvelles, 2014)

 

Een doodgewone griezel

Ik had al van Carl Moll gehoord.
Of liever: zijn naam was mij niet onbekend als medestichter van de Wiener Secession. Hij werd wel eens vernoemd in teksten over die ‘Gouden Eeuw’ van Wenen.
Toen ik echter recentelijk de tentoonstellingscatalogus ‘Von Schiele bis Wotruba’ doorbladerde, viel mijn oog op een schilderij van Moll.
Niet bij de paginagrote reproducties, neen: die expositie ging over werken op papier uit de collecties van de Weense Albertina. De kleine zwart-wit foto zag ik ingelast in de inleidingstekst. Het was ook niet het doek an sich dat mijn aandacht trok, dan wel een opmerkelijk detail erop.
Het schilderij heet voluit ‘Selbstbildnis im Atelier’ en dateert uit 1906. Het stelt een geconcentreerd schrijvende man voor, zittend aan een tafel in een burgerlijk interieur. Het is goed geschilderd, zonder meer, met wat invloeden van Vermeer: de ruimte wordt verdeeld door twee hoge, elegante gordijnen met rijke franjes. De doorkijk naar de achterste ruimte versterkt de suggestie van diepte, mede door de fraai geschilderde lichtinval en het dambordmotief van een marmeren vloer. Er hangen wat schilderijen aan de muur en op de donkere buffetkast staat het beeld dat mijn aandacht trok: een knielende jongeling van George Minne. (Dáárachter een schilderij van van Gogh, maar dat zou ik pas later leren bij het lezen van de tekst).

“La curiosité est un vilain défaut” placht mijn Bonne-maman te zeggen, waarbij mijn vader steevast repliceerde “Ou une grande qualité!”. Niet dat onze nieuwsgierigheid dan bevredigd werd met een antwoord op onze ongetwijfeld gênante vraag, maar kom…
Eenmaal mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld wou ik wel wat meer weten over die Carl Moll, die zichzelf portretteerde in zijn atelier waar geen spoor van artistieke bedrijvigheid te bespeuren viel. Geen ezel, geen tekenplanken, verfdozen, borstels of penselen, geen vieze vodden of spatje verf. De studeerkamer van een rijke burgerman met smaak, dàt was het.
Wat opzoekingswerk later bleek die Moll tóch wel een kunstschilder te zijn. En nog geen slechte ook.

Erg close.
Carl Moll (1861-1945) was de telg van een Weense  familie met brede culturele interesses. Zijn oom landschapsschilder ontwaarde reeds vroeg zijn tekentalent en gaf hem zijn eerste lessen, waarna hij naar de Academie trok. Al snel kreeg hij privé-lessen van zijn leraar aldaar, Emil Jacob Schindler (1842-1892), wiens assistent hij werd en bij wie hij ook inwoonde.  In de Weense salons werd gefluisterd dat de jonge Moll wel erg close was met de echtgenote van zijn leraar,  de operazangeres Anna Sofie Bergen – naar verluid absoluut niet vies van jong artiestenvlees in de kuip. Toen haar man op vijftigjarige leeftijd overleed, duurde het niet al te lang (drie jaar, om precies te zijn) of die ‘lustige Witwe’ hertrouwde met de vierendertigjarige Moll. Hij werd zo ook de stiefvader van haar oudste dochter Alma, begaafde componiste en schrijfster, die later tot groot ongenoegen van haar stiefvader met Gustav Mahler huwde, daarna met Walter Gröpius en tenslotte met Franz Werfel.
Carl Moll schilderde dus, in een stijl die nogal wat verwantschap vertoonde met het post-impressionisme, maar dan eentje die de pointillistische aberraties achterwege liet. Moll hield van een stevige toets en van een wat pasteuze verfbehandeling, zonder daarin te strak in de leer te zijn. Getuige hiervan zijn zelfportret in het atelier, hierbij afgebeeld. Naast het schilderen beoefende Carl Moll ook de houtgravure en bereikte hierin een zeer eigen zeggingskracht.

CarlMoll
Carl Moll: Selbstbildnis im atelier, 1906

Wiener Secession, van Gogh, Minne.
In 1897 stichtten Carl Moll (ondervoorzitter en organisator) en Gustav Klimt (voorzitter), samen met een aantal andere kunstenaars, in navolging van gelijkaardige afscheidingsbewegingen in Berlijn en München, de ‘Wiener Secession’ als reaktie op het volgens hen verstard en provincialistisch kultureel klimaat in de Oostenrijkse hoofdstad en met name bij het ‘Wiener Künstlerhaus’. Het zou leiden tot de ‘Gouden Eeuw’ der Oostenrijkse kunst. Al duurde die eeuw dan maar een veertigtal jaren.
Moll werd toen al bekeken als een talentvolle organisator, een vooruitziend intrigant die vanop de achtergrond ook goed voor zichzelf zorgde. Zijn rol in de schaduw als organisator van de eerste Secession-tentoonstellingen (ook wel eens ‘Sezession’ geschreven) staat buiten kijf. Het eerste evenement, in 1898, bracht een indrukwekkende staalkaart van de toenmalige avant-garde in Europa, met namen als Auguste Rodin, Fernand Khnopff,  Mc Neil Whistler of Arnold Böcklin.
Zo introduceerde hij ook het werk van van Gogh in Wenen, al dient wel gezegd dat die eerst in Brussel was te zien op het jaarlijkse Salon van ‘les XX’  in 1890. Groot schandaal op het openingsbanket trouwens, waar Charles de Groux, die van Gogh een dwaas en ‘un agent provocateur’ noemde, weigerde tentoon te stellen “naast de bloempotten met zonnebloemen van zo’n knoeier”. De aanwezige Toulouse-Lautrec daagde hem prompt uit tot een duel, daarin bijgestaan door de schilder Paul Signac die heldhaftig verklaarde dat indien Lautrec zou gedood worden, hij zijn plaats zou innemen om  van Gogh’s eer te redden. Wat een mooie tijden!
Kortom, een beetje commotie was altijd wel goede reclame.
Wat Minne betreft ging het er rustiger aan toe: in 1898 ontdekt door de Duitse criticus annex kunsthandelaar  Meier-Graefe, was zijn werk reeds te zien in diens Parijse winkel ‘la maison moderne’. Speciaal voor zijn ‘Knapenfontein’ (opdracht van de rijke verzamelaar die later ook de ‘Wiener Werkstatte’ zou financieren) bedacht Olbrich in 1900 een rond paviljoen en werden de vijf beelden van knielende jongelingen in plaaster gegoten – met een  lichtjes afwijkende vorm van de voeten, zodat die net over de rand van het waterbekken zouden uitkomen. De presentatie zou een enorme indruk maken op pers, publiek en vele kunstenaars. Met name in het werk van Oskar Kokoschka en van Egon Schiele lieten de knielende knapen duidelijke sporen na.

Palacio-Stoclet-6
Paleis Stoclet, Brussel. Architect: Josef Hofman, 1905-1911

Wiener Werkstatte
In 1905 verliet Moll met slaande deuren de Secession, met in zijn zog Klimt en heel wat andere kunstenaars. Hij was ondertussen tot artistiek directeur aangesteld van de toonaangevende Galerie Miethke en was een bepalende figuur geworden binnen de Weense kunstwereld. De Wiener Werkstatte, de commerciële uitloper van de Secession, waar hij mede inspirator van was, samen met zijn vriend architekt Josef Hofman, verschafte veel van die (ex)-leden van de Secession lucratieve opdrachten. Het Paleis Stoclet in Brussel, bijvoorbeeld, werd quasi volledig bemeubeld en versierd door de vrienden van Hofman en Moll: Klimt, Khnopff, Metzner en anderen, waaronder ook Minne, wiens knielende jongeling de vestibule  nog altijd versiert.
Langzamerhand werd Carl Moll incontournable. Zo was hij verantwoordelijk voor de selectie van de kunstenaars die Oostenrijk vertegenwoordigden op Wereldtentoonstellingen en was hij de curator van de Oostenrijkse inzending voor de biënnale van Venetië in 1932.

Wrok.
Door de inflatie en devaluaties zag Moll in 1917 zowat zijn volledig vermogen  verdampen en moest hij zelfs zijn omvangrijke kunstcollectie laten veilen. De wrok hierom zou hem later in de armen van Hitler’s NSDAP drijven en begin dertiger jaren een aktieve nazi van hem maken. Niet zonder enige tegenstrijdigheden, weliswaar.
Hij organiseerde in 1934, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Kokoschka, een grote tentoonstelling van diens werk in de Österreichischer Werkbund, de Unie van artiesten, architecten en kunstambachters naar Duits model. Voorwaar een gedurfde onderneming: Kokoschka (die lange tijd in Berlijn had gewoond) werd toen reeds door de nazi’s als een ‘entartete Kunstler’ beschouwd en was veiligheidshalve net van Wenen naar Praag verhuisd.

Zeer goed bewust van wat hem te wachten stond, koos de oude Carl Moll voor de dood. Toen de Russische troepen in 1945 op het punt stonden Wenen in te nemen, pleegde hij zelfmoord, samen met zijn zoon en schoondochter.
Daarna kwamen Moll en zijn werk in het vagevuur terecht. Ze werden verzwegen en kwamen zelden of nooit nog aan bod in overzichtstentoonstellingen. Een lot dat wel meer artiesten uit die periode te beurt viel.

Yves

Hoe zelfoverschatting en intellectuele leegte tot (slechte) kunst te verheffen.

Een kunstminnende mens moet bij de tijd blijven. Dat je daarvoor een zakenkrant moet lezen, zegt veel over de kwaliteit van de Vlaamse media, maar kom…
Aangetrokken door het perspectief van het gratis Kaaiman-boekje met de gebundelde columns van Koen Meulenaere kwam het er weer eens van: de ‘Tijd’ aan de zaterdagse ontbijttafel. De roze krant (de Financial Times achterna) gaat op zaterdag vergezeld van een reclamevehikel genaamd Sabato (יום שבת, in het Hebreeuws). Het type magazine dat vroeger ‘glossy’ werd genoemd, zij het dat het tegenwoordig op lekker zacht aanvoelend mat papier wordt gedrukt. Het voelt aan als drielagig toiletpapier. Het bevat trouwens ook heel wat shit. Over de nieuwste trends in binnen- en buitenhuisdecoratie, parfumerie en cosmetica, damesmode en dus ook Kunst. Of wat daarvoor moet doorgaan.
Deze week ging het, in een rijkelijk geïllustreerd artikel, over Jan De Cock (Nomen est omen). Ik vermoed dat de zelfverklaarde Meester Beeldhouwer in alle bescheidenheid heeft gemeend dat het tijd werd om de goegemeente kond te maken van zijn nieuwe inzichten. Het is waar: we waren hem bijna vergeten. Dat lag natuurlijk volledig aan ons. We hebben nu eenmaal niet de gewoonte zélf op zoek te gaan naar nieuws over Meester Oplichters in de Kunsten. Daar heb je gespecialiseerde critici, riooljournalisten, broodschrijvers of copywriters voor.

38.jan de cock (gec)
Jan De Cock voor een recent schilderij (foto Alexander D.Hiet)

Hoe verder ik las, hoe meer ik de indruk kreeg dat de Laatste der Vlaamse Primitieven (his words) het slachtoffer was geworden van een practical joke. Nietsvermoedend werd hij voor zijn doelgroep (de welstellende, West-Vlaamse neringdoener) te kakken gezet als de zelfingenomen beotiër die hij is. Het is altijd leuker en efficiënter als zulke blaaskaken de poten van hun zelfgetimmerde troon dóórzagen. Tenslotte is Jan Frederik De Cock (zijn nieuwe merknaam, werd ons minzaam medegedeeld) ook een Meester Schrijnwerker, dus van poten doorzagen heeft hij wel kennis. Hij heeft dat trouwens ten overvloede bewezen toen hij in Brussel op een niet te evenaren wijze een samenwerking met de Sint Lukas/Sint Lucasscholen opzette. Wat aanvankelijk een grootmoedig, altruïstisch project leek, draaide binnen de kortste keren uit op een fiasco, waarbij de kunstschool en de gemeenschap voor nogal wat onvoorziene kosten opdraaiden. De boel (het Brussels Art Institute) werd uiteindelijk opgedoekt, waarna de Meester een ‘burgermanifest’ van zeven pagina’s publiceerde waarin hij iedereen – zonder enige uitzondering behalve zichzelf – tot achterlijke debielen uitriep, om vervolgens een klacht mét burgerlijke partijstelling tegen vier mediagroepen neer te leggen wegens “het doodzwijgen van de inlandse culturele elite (…), wij vreemden”. De tekst en de klacht werden op hoongelach onthaald, niet in het minst door de woordenbrij en de wartaal waarin De Cock zijn ideeën probeerde te formuleren. De Cock leek alle krediet verloren te hebben, letterlijk en figuurlijk. Hij diende gebouw en inboedel te laten veilen.

Enfin, zoals men in Brussel pleegt te zeggen, blijkbaar had hij toch nog wat centen over om een voormalige Olivetti-fabriek en een Palladiaans huis in de buurt van Turijn te kunnen kopen om daar een gelijkaardig project op te zetten. Hoe het daar verder mee zit, komen we in het artikel niet te weten. Wél worden we ten overvloede rondgeleid in zijn nieuwste stek in Brugge. Een huurhuis ditmaal, we komen zelfs de naam van de Knokse immomakelaar te weten – voor wat hoort wat, in die middens. In zijn oneindige goedheid heeft de “Grootste Beeldhouwer van zijn generatie” (sic) besloten het provinciestadje te vereren met zijn aanwezigheid en er een culturele Renaissance op gang te brengen. Helemaal in zijn eentje. En belangeloos, dat spreekt. Oké, zijn huis en kelder zijn volgestouwd met onverkochte rommel, maar die mag nu weg voor een zacht(er) prijsje. De Cock werkt nu namelijk zonder galerie, dus dat scheelt algauw een stevige slok op de borrel. Zijn doelgroep zal het graag horen! Of zijn eerdere kopers de solden evenzeer zullen smaken is nog maar de vraag! Zijn strapatsende Hoogheid had al de waarde van hun aankopen gekelderd, en nu dít…
“Ik wil weg uit het verstikkende kapitalistische systeem van galeries en veilingen dat de kunstwereld verziekt heeft.” verzucht de man die inderdaad geen galerie meer bereid vindt hem te vertegenwoordigen. Hij heeft er over de jaren wel een paar tientallen versleten, en niet de minsten, die in zijn peptalk en talrijke Manifesten geloofden. Of deden alsof.
Maar vrees niets: ondertussen houdt zijn bevriende immobiliënmakelaar de zaken draaiende en heeft de Meester een eerste leerling toegelaten die hij het vak zal leren. “voorlopig gratis” verduidelijkt de Cock. Op termijn moeten het er twaalf worden.
Een messias heeft nood aan volgelingen, maar of de blijde boodschap zal blijven aanslaan?

Yves

The Factory aan de reien
Sabato/De Tijd 21/12/2019

 

Het meisje zónder parel

Er zijn aangenamer dingen in het leven dan het lezen van testamenten of boedelbeschrijvingen.
Wanneer het om lang vervlogen tijden gaat, zijn deze gortdroge teksten vaak de enige betrouwbare bronnen om het sociaal-economisch referentiekader van een kunstenaarsloopbaan te leren kennen. Biografieën hebben vaak de neiging de zaken óf te romantisch óf te miserabilistisch voor te stellen. Denk hierbij vooral aan ‘La Bohème’, met berooide artiesten op tochtige zolderkamers, tuberculose incluis.

Waar het de ‘Gouden’ Eeuw betreft komt daar gelukkig (voor ons) bij dat de inwoners van de Zeventien Provinciën blijkbaar onverbiddelijke querulanten waren die elkaar voor het minste geringste processen aandeden en klachten en tegenklachten formuleerden. Het waren inderdaad gouden tijden voor advocaten en notarissen. Deze laatsten werden om de haverklap opgetrommeld om getuigenverklaringen te noteren in verband met aangedaan onrecht of uit de hand gelopen ruzies. Het kon over de vreemdste zaken gaan.
Zo las ik een verklaring van twee getuigen dat de schoonmoeder van Johannes Vermeer door haar opvliegende echtgenoot bont en blauw was geslagen en halfnaakt het huis uit gejaagd, omdat ze zich beklaagd had niet te kunnen slapen omwille van de kippen die hij boven de bedstee hield! In die tijd leek niemand dat vreemd te vinden, dat van die kippen.

Naast klachten over huiselijk geweld en luide kippen, hadden notarissen natuurlijk ook als taak de talrijke transacties tussen hun medeburgers in onbetwistbare vorm op papier te zetten. Aankopen van huizen, huurcontracten of leningen zijn zo, netjes gedocumenteerd, tot ons gekomen en leren ons veel over armoede of welstand van deze of gene. Wanneer het echt mis liep, bijvoorbeeld bij een faillissement, een echtscheiding of een overlijden, werd nauwgezet een staat opgemaakt van huisraad, linnengoed, kleding en bezittingen, ten behoeve van schuldeisers, rechthebbenden of erfgenamen.
Zo weten we met zekerheid dat het ‘Meisje met de Parel’ van Vermeer, misschien wel een meisje was, maar zeker géén parel droeg!

'Het Meisje met de Parel', Johannes VERMEER, (ca 1665-1667)
‘Het Meisje met de Parel’, Johannes VERMEER, (ca 1665-1667)

Vermeer stierf namelijk berooid. Zijn echtgenote probeerde nog wel een schilderij van haar overleden man aan de inventaris te onttrekken, maar dat lukte maar half: haar moeder zou nog jaren moeten procederen om de ‘Allegorie op de Schilderkunst’  tot haar bezit te mogen rekenen.

De schulden die de schilder had nagelaten – voornamelijk het gevolg van de kosten om zijn eigen grootvader uit de gevangenis te houden – waren van die orde dat zijn vrouw zich onvermogend moest laten verklaren.
Vermeer bezat dus geen parel. Cultuurparels bestonden niet in de zeventiende eeuw, dat werd pas vorige eeuw mogelijk gemaakt, dankzij de Japanner Mikimoto. En een natuurparel van die grootte zou zo zeldzaam zijn geweest dat die enkel voor de superrijken zou weggelegd zijn. Eén zo’n parel zou in een klap méér dan alle geldzorgen van Catharina Bolsens hebben opgelost. Geen parel, dus. Maar wat draagt het meisje zonder parel dan wél?
Er bestonden in die tijd natuurlijk namaakparels uit gevernist glas of zilver. Glas geeft wel een heel ander soort glans dan wat Vermeer hier zo secuur neerzet en zilver was ook vreselijk duur! Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om een tinnen sieraad. Gepolijst tin heeft namelijk een prachtige, ietwat grijze glans. Probeer het eens met het bordje Oost West, Thuis Best van oma: wassen met een sopje van warm water en soda, afspoelen met warm water, laten drogen en inwrijven met zuurvrije was (bijenwas of blanke was), tenslotte oppoetsen met een zachte doek.

Yves

 

Big Daddy.

Sinds jaar en dag wou ik naar Jabbeke. Naar het Permekemuseum, meer bepaald.
Telkens ik met de auto op weg naar de kust het bord ‘Jabbeke’ voorbijsjeesde, dacht ik: Daar moet ik nu toch eens naartoe, naar Jabbeke! En telkens kwam er wel iéts tussen: we werden in Oostende verwacht en waren al aan de late kant, of het was te warm, of te koud, of het regende… Enfin, om maar te zeggen, het kwam er niet van.
En zie: Op de terugweg van een trip naar de Franse Côte d’Opale was er geen enkel excuus voorhanden om de afrit Jabbeke rechts te laten liggen. Het weer zat mee, niet te warm of te koud. We waren wat vroeg, misschien, maar dat euvel werd opgelost door een koffiepauze in café Concordia. De locals keken zelfs niet op van twee cultuurtoeristen. De waardin ook niet, trouwens. Maar kom, we hadden tijd zat vóór het Museum na de lunchpauze weer openging, dus wat zouden we onze uitstap laten vergallen?

IMG_1057k
Het Permekemuseum in Jabbeke, vroeger woonhuis-atelier van Constant Permeke

Bij Permeke waren ze ook nog met de vaat bezig, dachten we. Het duurde even, maar toen kwam er toch een lieve dame de deur openen. Een en al enthousiasme over haar museum, het dient gezegd, want het is zeldzaam, museumpersoneel dat niet kijkt alsof je hen lastigvalt, of je zelfs niet lijkt te zien. Neen, de joviale jongedame was een en al bereidwilligheid.

Topwerken
Permeke, de letterlijk grote man van het Vlaams expressionisme, een imposante figuur die zichzelf goed in de picture wist te werken. Met een oeuvre waarvan de kwaliteit wel durft te schommelen, maar dat hebben ze in dit museum goed weten op te vangen door enkel een selectie op te hangen van zijn beste schilderijen. Geen van de zovele landschappen waarmee hij op latere leeftijd de Vlaamse goedboerende neringdoener om de oren sloeg, neen, het accent ligt hier op vroeg werk.
Als de schilder Permeke een groot kunstenaar mag genoemd worden, dan wel omwille van twee werken:  vooreerst ‘de Verloofden’ uit het Brusselse Museum voor Schone Kunsten. Verwacht geen lieflijk dubbelportret van verliefd kijkende jongelui. De verloofden van Permeke weten wat de meedogenloze wereld voor hen in petto heeft: niets. Zij koesteren geen illusies over rozengeur en maneschijn. Hen wacht enkel hard labeur en een hoop kinderen. Ze weten het en berusten in hun lot. Permeke wist het ook en schildert hen bonkig in elkaar gearmd op een vierkant doek met vuile, bruine kleuren. “De schilder moet met zijn voeten in de stront staan!” schreef de schilder ooit…

IMG_1035g
‘De Sjees’, olie op doek, 163 x 126cm, (1926), Constant Permeke

Daarnaast is er ‘de Sjees’, hier in het museum te zien. Het groot werk is zowat de tegenpool van ‘de Verloofden’. Een wat ouder boerenkoppel in goeden doen trekt erop uit in hun ‘chaise’, een karretje, voortgetrokken door een vrolijk paardje. Ze gaan op z’n zondags gekleed – hij met das en hoed, zij met gouden kruis op de weelderige boezem – naar de kermis of naar een huwelijksfeest? Het werk is in alle opzichten atypisch voor de kunstenaar. Het draagt sporen van het kubisme in zich en op coloristiek vlak is het een gewaagd experiment. Het blauw van de zomerse hemel loopt via de smaragdgroene horizon over in de gele grond. Centraal in het tafereel staat een dravend paard, de blonde manen in de wind. Boer en boerin in het zwart gestoken, diep onder de zeilkap van de kar vormen een donker contrapunt voor de vosse vacht van de viervoeter en de felle omgevingskleuren. Zowel thematisch als qua uitvoering situeert dit schilderij zich dichter bij het werk van zijn Latemse kompanen Frits Vanden Berghe of Gust De Smet dan bij de rest van zijn omvangrijke productie.
Op latere leeftijd begon Constant Permeke te beeldhouwen. De monumentaliteit die hij altijd al in zijn tweedimensionale figuren had gelegd, vertaalde hij nu naar ruimtelijke beelden. Laat ons eerlijk zijn: Permeke was vooral een schilder en zijn beeldhouwwerken zijn soms indrukwekkend knap, zoals het houten zelfportret in ‘taille directe’ in dezelfde kamer als ‘de Sjees’. Vaker lijden de beelden aan overstilering en worden daardoor nogal decoratief. Het lijkt wel of de kunstenaar niet op tijd wist te stoppen en maar bleef de plooien van het werk gladstrijken. Een eenzaam beeldje in gietijzer is dan weer aandoenlijk met zijn onafgewerkte gietnaden. Het ruwe materiaal maakt dan veel goed.

Prachtig en onbegrijpelijk.

IMG_1048rk
‘Big Daddy’, hout,(2019), Els Dietvorst

Het grote beeldhouwatelier staat er nu wit en leeg bij, de beelden van Permeke zijn voornamelijk in de tuin en in het woonhuis te zien. De ruimte toont nu wél het projekt ‘Wintrum Frod’ van Els Dietvorst en Orla Barry . Het houten beeld van schaap ‘Big Daddy’ vormt als het ware een inleiding op de prachtige film “The Rabbit and the Teasel” (53 min.) die er vertoond wordt. Dietvorst en haar partner Orla Barry woonden een aantal jaren bij de familie van deze laatste in Ierland en kweekten er schapen. De relatie hield niet stand, maar het leverde wel een pakkende film op, waarvan je niet weet wat je er moet of kan van begrijpen, net als die hoge labyrintische spiraal uit voile rond een zwart abstract beeld in het midden van de zaal. Mooi, maar, voor mij, onbegrijpelijk. Dat mag.

Yves

Provinciaal Permekemuseum
Gistelsteenweg 341
8490 JABBEKE

Wintrum Frod  tot 3/11/2019

Fély pour les dames!

Namur (Na-meur, zoals de locals het uitspreken) is een charmant provinciestadje. Waaraan Namen/Namur de eer te danken heeft de officiële hoofdstad van het Waals Gewest te zijn, wil ik zelfs niet geweten hebben. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met afgunst tussen grotere steden.

Op een zomerzondag trekken wij dus zuidwaarts, gewapend met ons beider Sesam. De site van de Museumpas heeft ons geleerd dat het Ropsmuseum met het kleinood in de hand vrij toegankelijk is. Verdere navigatie raadt ons aan de auto buiten het centrum te stallen, op de betalende parking alwaar een ‘navette’ ons tegen enige contanten naar het centrum zal brengen. Het centrum van Na-meur is namelijk voor een groot deel autovrij, heet het. Dat was buiten de waard gerekend. Of liever: buiten de plaatselijke kermis die voornoemde parking in beslag nam. We reden dus op goed geluk het centrum in, tot aan de rand van de verkeersvrije zone. We vonden er probleemloos een parkeerplaats, die bovendien gratis bleek op zon- en feestdagen.

Het Musée Rops ligt in de smalle rue Fumal, vlak aan de Église Saint-Loup (daarover straks meer). Het gebouw is niet meer dan een uit de kluiten gewassen herenhuis. Ik schat dat het eind jaren zeventig, begin jaren tachtig van de vorige eeuw grotendeels verbouwd werd naar de huidige toestand. Verwacht dus geen blitse architecturale hoogstandjes of innovatieve museale ingrepen. Het is wat het is en het doet wat het moet doen, namelijk in goede omstandigheden het werk tonen van Félicien Rops (Fély, pour les dames). En, het dient gezegd, het Musée doet dat goed. Dat is natuurlijk helemaal te danken aan de figuur en het werk van Duivelskunstenaar Rops.
Als zoon van een textielfabrikant in het burgerlijke provinciestadje, koos Rops al snel eieren voor zijn vroeggestorven vaders geld en verkaste hij naar Brussel, waar hij even aan de Université Libre ingeschreven was. Hij begon er karikaturen te tekenen voor diverse studentikoze blaadjes en raakte bevriend met talrijke schrijvers. Daarnaast volgde hij schilderlessen bij Ernest Slingeneyer, wiens vrij ‘Atelier Saint-Luc’ wel meer avant-garde kunstenaars onderdak en modellen bood. Na zijn spraakmakende start als karikaturist – na de publicatie van een van zijn tekeningen werd hij zelfs door een beledigde officier tot een duel uitgedaagd! – werd Rops een veelgevraagd en later ook vetbetaalde illustrator. Aangezien België, in tegenstelling tot Frankrijk, geen officiële censuur kende – publiceerden veel Franse auteurs politiek of zedelijk gewaagde werken in Brussel. Uiteindelijk zou Rops naar Parijs verhuizen, dichter bij zijn vrienden dichters en zijn twee maîtresses, de gezusters Duluc, eigenaressen van een bloeiende modezaak – hij ontwierp er zelfs jurken voor!
Félicien Rops was een kind van zijn tijd, een emanatie van de vrijzinnige bourgeoisie die koketteerde met socialisme, anarchisme, theosofie, esoterisme, vrije liefde e tutti quanti…
Bij Rops resulteerde dat in meedogenloze observaties. Zijn bordeelscènes, bijvoorbeeld, zijn zowel erotisch geladen zedenschetsen als raak getypeerde tijdsdocumenten: in die tijd van gearrangeerde huwelijken, werd bordeelbezoek als normaal, ja zelfs als hygiënisch nodig beschouwd in burgerkringen. Rond hun zestiende brachten vaders hun zonen bij de Meisjes om hen in te wijden in de ‘liefde’. Seks na het huwelijk had voornamelijk als functie voor erfgenamen te zorgen, en dan nog liefst mannelijke.

L'enlèvement - Calvaire - Félicien Rops
 L’enlèvement – Calvaire, 1882 – Félicien Rops

Ondanks de strenge controles en het wekelijks doktersonderzoek van de dames, waren venerische ziekten een plaag. Syfilis eiste toen waarschijnlijk meer doden dan aids nu.
Dood en verval in combinatie met sex zijn dan ook een geliefd thema bij Rops. Men zou het als een vermanend opgestoken vingertje kunnen zien, maar ‘Fély’ geniet ook duidelijk van het virtuoos uitbeelden van de zonde des vlezes. Niets menselijks is hem vreemd en hij grijpt dan ook de kans om de burgerlijke, katholieke moraal een welgemikte schop onder de kont te geven. Christusfiguren, aan het kruis genageld worden door wulpse deernen belaagd, waarbij het niet meteen duidelijk is of hun adoratie naar de lijdende Zoon van God gaat of naar zijn buitenmaatse erectie, Priapos waardig. Kloosterzusters laten zich goed gaan en de verzoekingen van de Heilige Antonius moet u niet ver gaan zoeken.
Dat Vrijmetselaar Rops niet echt in de smaak viel bij de weldenkende katholieke burgerij is dus een understatement. Te satanistisch, waarschijnlijk, te zeer een artists’ artist.
Wat vreemd is dan ook dat het museum, naast de vaste collectie, een expositie wijdt aan Henry de Groux, waarvan ‘Le Christ aux outrages’ (Christus beschimpt) in de vlakbijgelegen… Église Saint-Loup moet bezocht worden. De tentoonstelling met het zwaar, schreeuwerig en bombastisch, symbolistisch werk van de Groux (zoon van een goede vriend van Rops), was enigszins een afknapper, maar nam niets weg van het plezier van ons bezoek. De Saint-Loupkerk zelf is trouwens op zich al een bezoek waard. Die gewelven! Die biechtstoelen! Die zuilen! Die Jezuïeten hadden verdorie smaak! En geld, natuurlijk. Véél geld.

Yves

Musée Félicien Rops
12 Rue Fumal – 5000 Namur
open dinsdag tot zondag van 10 tot 18u (alle dagen in juli en augustus)

www.museerops.be

Contrapunt voor wrede kijkdozen

Het minste wat je van het werk van Berlinde De Bruyckere kan zeggen, is dat het niemand onberoerd laat. De Gentse slagersdochter (°1964) beheerst de kunst om koude rillingen te combineren met poëtische beelden. Of omgekeerd. Het is niet anders met de zeer geslaagde tentoonstelling It almost seemed a lily in het Museum Hof van Busleyden in Mechelen.

Hortus

Berlinde De Bruyckere verwierf internationale faam met het exposeren van wat dode paardenlichamen leken te zijn. Door de dichtgenaaide bekken en ogen en de stompjes van poten leek het of hier een dolgedraaide taxidermist aan het werk was. De werken wekten afschuw, en dat was ook de bedoeling. Net zoals de kunstenares afschuw voelde toen zij in het In Flanders Fields museum van Ieper leerde dat tijdens de Eerste Wereldoorlog zo’n acht miljoen paarden het leven lieten.
In Mechelen gaat het er wat vreedzamer aan toe. Hier en daar zijn er wel citaten uit vroeger werk die doorschemeren in de grote assemblages, maar het uitgangspunt van deze expositie zijn de taferelen van naïeve godsvrucht die De Bruyckere tijdens de Leuvense tentoonstelling over Besloten Hofjes in 2016 leerde kennen.

Hortus conclusus soror mea, sponsa, hortus conclusus, fons signatus“, klonk het in Salomo’s Hooglied uit het Oude Testament: “Mijn zuster, o bruid! Gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.”

De Hortus Conclusus werd een geliefd onderwerp in de Middeleeuwse schilderkunst. Soms letterlijk weergegeven als een omheinde tuin met fontein, maar vaak ook symbolischer, met Maria centraal. De Moeder Maagd als stichtend voorbeeld. Jezus en zijn apostelen mochten dan misschien allemaal mannen zijn, het ideaal van de dienende, onderworpen vrouw, was nooit veraf.
Berlinde De Bruyckere gebruikt de metafoor van het Besloten Hofje als contrapunt om haar eigen creaties nog meer kracht bij te zetten. Het contrast kan niet groter zijn, het wérkt. Een achttal kleine, zestiende-eeuwse kijkdozen/triptieken tonen het onwaarschijnlijke geduld en de nauwgezetheid waarmee nonnetjes of begijnen aan een eigen weergave van de Onbevlekte Ontvangenis knutselden: met stukjes perkament, zijdedraad, hout, wasbrokaat, glas, tinfolie of zelfs turf en kersenpitten werden op aandoenlijke wijze taferelen neergezet die ook persoonlijker elementen bevatten. Zo werden vaak naamheiligen en hun attributen erin voorgesteld.

De imposante werken van De Bruyckere, een soort metershoge wrede kijkdozen, worden eveneens opgebouwd uit de meest diverse materialen. In een omlijsting van ruw hout – het lijken wel rechtop gezette platte bakken – worden zowel oud behangpapier, dekens of wassen afgietsels, als met epoxy ingestreken dierenhuiden verwerkt tot taferelen waarin vergankelijkheid en kwetsbaarheid de boventoon voeren. Van naïeve heiligenverering is hier geen sprake, integendeel. Getuigen hiervan de tien kleine potloodtekeningen uit 2017 die, van Vagina en Lelie over Poire d’amour tot Penis, een suggestief beeld oproepen van verdoken lust en passie die in de Besloten Hofjes vervat zouden zijn. Dat was ons ontgaan, eerlijk gezegd.

Deze knappe, indringende, tentoonstelling toont werk dat voor een deel eerder te zien was in het Palazzio Fortuny (van Axel Vervoordt) in Venetië, op Art Basel en op Manifesta. Het halfduister in de zalen van het prachtig gerestaureerde Hof van Busleyden leent zich perfect voor deze presentatie. Daarenboven is de tentoonstelling én de vaste collectie gratis te bezoeken op vertoon van uw Museumpas.

Yves

It almost seemed a lily / Berlinde DE BRUYCKERE
tot 12 mei 2019
Museum Hof van Busleyden
Sint-Janstraat 2a
Mechelen
www.hofvanbusleyden.be

Macht, Rijkdom en Schoonheid

Hoe kan een familie zó rijk worden dat een fractie van haar kunstcollectie een Leuvens museum vult en nog een boeiende tentoonstelling oplevert ook?
Je mag jezelf de vraag niet stellen of daar gaat de helft van het plezier!
De Arenbergs haalden hun prestige uit hun krijgsverrichtingen ten dienste van de opeenvolgende Heersers over de Nederlanden. Hun fortuin verwierven ze voornamelijk uit de immense landeigendommen die ze in de loop der eeuwen samenbrachten. De Heren van Arenberg bezaten gronden van Vlaanderen tot Oostenrijk. Familiale allianties door strategische huwelijken deden de rest.
Naast de honderden (duizenden?) pachters die hun bijdrage in natura afstonden, exploiteerde de ondernemende familie vanaf de 16de eeuw ook ijzermijnen, bezat eigen hoogovens en steengroeven, runde een zijdeweverij in Edingen en was een van de grootste boseigenaars in Europa.
Kortom, de Arenbergs waren niet bepaald behoeftig.

Zaalzicht-macht-schoonheid

Geld gaat zelden gepaard met goede smaak, integendeel. Wanneer grote fortuinen ook grote kunstcollecties bezitten, is dat meestal te danken aan een enkele verlichte geest die er de basis van legde. Het komt niet vaak voor dat generatie op generatie dezelfde lijn van mecenaat verderzet. De Medici zijn dun gezaaid op deze planeet.
Het geslacht Arenberg, van zijn kant, heeft over de eeuwen heen bewezen dat niet altijd de meest spectaculaire kunstwerken de waarde van een collectie uitmaken, of de grootste namen.
Zo kan je op de tentoonstelling in het M-museum in Leuven, een aantal stukken zien die op zich niets wereldschokkends hebben, zelfs wat aandoenlijk ogen, en deze expositie net daardoor op een hoger niveau tillen. Ik denk hierbij aan de ‘kostuumzaal’ met aan de wand een reeks aquarellen die op nogal stuntelige, naïeve wijze de aankleding van de diverse kamers in het Brusselse Hotel Arenberg voorstellen. Compleet met de namen van de afgebeelde personages erbij. In diezelfde zaal staan op de centrale ‘catwalk’ de meest diverse kledingstukken opgesteld. Moeilijk om er niet bij te bedenken dat, in die tijd, een doorsnee boerengezin waarschijnlijk ruim een jaar zou kunnen overleven op de kostprijs van het minste vestje dat hier getoond wordt.
Van een heel andere orde in een andere zaal, en wél spectaculair, zijn de reusachtige stadsgezichten die nauwkeurig elk mogelijk detail van Antwerpen, Brussel en Amsterdam weergeven. Hier wordt duidelijk waarom de fotografie node moest uitgevonden worden.

Een tentoonstelling die vijfhonderd jaar familiegeschiedenis aan de hand van schilderijen, juwelen, artefacten of boeken omspant, wil zowel de kunstliefhebber als de geschiedkundige aanspreken. Dat is hier zeker gelukt, al is het wél even zoeken naar de beloofde Rubens (mooi, gevoelig meisjesportret) en het Dürer-Album (virtuoze techniek!) tussen het enorme aanbod.

Yves

Macht en Schoonheid
tot 20 januari 2019
M-Museum
Leopold Vanderkelenstraat 28,
3000 Leuven
(gesloten op dinsdag)
expo in het kader van het Arenbergfestival

10 misvattingen over Pessoa rechtgezet (of niet)

In het straatbeeld van Lissabon is Fernando Pessoa alomtegenwoordig. De man die tijdens zijn leven de discretie zelve was en niet van zijn uiterlijk hield (hij haatte foto’s) is nu te vinden op elke straathoek. In het beste geval in de etalages van de talrijke boekhandels die de Portugese hoofdstad rijk is, als onderdeel van op toeristen gerichte marketingcampagnes. Neem daarbij de postkaarten, t-shirts, ontbijtmokken, siertegels of andere prularia die zowat overal te koop aangeboden worden en de indigestie is nabij. We zagen ooit zelfs een heuse Pessoa-set, compleet met neus, bril en snor!
Toeristen trekken selfies gezeten naast de bronzen versie van de Meester op het terras van het café a Brasileira do Chiado. Weinigen weten dat Pessoa er weliswaar kwam, maar zeker niet van harte. In een brief aan een bevriende journalist schreef hij zoiets als: “Ik hààt die plek, met al die pseudo-intelectuelen en would-be schrijvers!”. Fernando Pessoa kwam wel in een gelijknamig – ondertussen verdwenen – koffiehuis in de benedenstad, a Brasileira da Baixa. Het koffiemerk ‘a Brasileira’ (de Braziliaanse) bezat verschillende zaken.
Enfin, er valt veel recht te zetten, als het over de figuur Pessoa gaat! Het zijn soms triviale feiten die weinig essentieels toevoegen aan een beter begrip van zijn oeuvre, maar de waarheid heeft haar rechten en, zoals de Fransen zo mooi zeggen: “l’Histoire est faite de petites histoires!”…
Tijd voor een poging tot onderscheid van mythe en werkelijkheid.

Casa-Fernando-Pessoa2
Casa Fernando Pessoa – Rua Coelha da Rocha 16, Lisboa

1. Fernando Pessoa leefde in armoede.
Net als in het geval van Vincent van Gogh is dit een kwakkel! De alleenstaande van Gogh ontving een rijkelijke maandelijkse toelage van zijn broer Theo. Dat zijn tweewekelijks bordeelbezoek hem telkens 15 francs kostte, stortte hem niet meteen in de diepste armoede!
Pessoa zat wel eens krap bij kas, maar leende dan probleemloos wat geld bij meer gefortuneerde vrienden. Hij had netjes uitgerekend (de nota is bewaard) hoeveel hij uitgaf en was tot de conclusie gekomen dat vier halve dagen kantoorwerk per week volstonden om in zijn levensonderhoud te voorzien, de rest van zijn tijd kon hij dan aan de literatuur wijden. Hij beschikte over de sleutels van de bedrijven waarvoor hij werkte, zodat hij zijn uren naar eigen goeddunken kon regelen.
Erop gebrand steeds als een gentleman door het leven te gaan, wou hij er graag als dusdanig bijlopen. Zijn nagelaten papieren bevatten enkele beleefde herinneringen voor openstaande rekeningen bij een van de betere kleermakers van de stad, de nog steeds bestaande Lourenço & Santos, aan de Praça dos Restauradores. De dagelijkse bezoeken van zijn barbier-aan-huis, kunnen voor de burgerij van die tijd ook niet als buitensporig worden beschouwd. Die man ruimde elke morgen zijn kamer wat op en voorzag de schrijver van sigaretten en drank.
Pessoa verdiende bij als opsteller van reclameteksten en mede-uitgever van een handelsgids waarvoor hij advertentieruimte ronselde. Daarnaast schreef hij artikels voor verschillende kranten en vertaalde hij boeken (voornamelijk over occultisme en paranormale verschijnselen) in opdracht van Franse en Engelse uitgeverijen. Hij dacht er ook even aan zich als …astroloog te vestigen en stelde regelmatig tegen betaling horoscopen op onder de naam Raphael Baldaya.
Voor wat betreft zijn diverse literaire projecten vond Pessoa meestal geldschieters. Zo was de vader van de dichter Mário de Sa-Carneiro de financier van de twee eerste nummers van het tijdschrift Orpheu.
Zijn eigen stoomdrukkerij-uitgeverij ‘Ibis’, die hij met geld uit een erfenis opricht, gaat echter snel over de kop.
Pessoa leefde ook steeds in ‘deftige’ buurten, hetzij bij familie, hetzij op kamers. Hij verhuisde vaak, maar nooit naar goedkopere wijken zoals Alfama of Amoreiras, nochtans ook op wandelafstand van zijn geliefde Benedenstad.

2. Fernando Pessoa werkte als kantoorklerk.
Die misvatting is te wijten aan het feit dat de ik-figuur van O livro do desassossego (het boek der rusteloosheid), kantoorklerk-hulpboekhouder is in een handelszaak in de Rua dos Douradores, dezelfde buurt waar Pessoa werkte.
Pessoa was voornamelijk drietalig (Engels-Frans-Portugees) free-lance vertaler van handelscorrespondentie. Dat hij hogelijk gewaardeerd werd blijkt uit de vrijheid waarover hij beschikte in die functie. Hij zat ook nooit verlegen om werk.

3. Fernando Pessoa was homoseksueel.
Een van de langste gedichten van Pessoa, het in het Engels geschreven Antinous, gaat over het hevige verdriet van de Romeinse keizer Hadrianus bij de dood van zijn jonge minnaar Antinous. Het gedicht uit 1918 bevat duidelijk homo-erotische passages.
Onder zijn impuls verscheen bij uitgeverij Olisipo de zeer controversiële bundel Canções (Liederen) van António Botto. Pessoa moest in de pen kruipen ter verdediging van de openlijk homoseksuele schrijver. Noch diens levensstijl (hoge ambtenaar, getrouwd maar openlijk homoseksueel met veel minnaars…), noch zijn esthetiserende homo-erotische gedichten werden gesmaakt door de goegemeente.
Pessoa’s beste vriend, de eveneens homoseksuele dichter Mário de Sa-Carneiro, pleegde in 1916 zelfmoord in Parijs. Er is veel gespeculeerd over de aard van die vriendschap, maar in geen enkele brief ontdekt men iets dat zou kunnen wijzen op seksuele relaties tussen de twee mannen.
Die afwezigheid van seksualiteit is ook treffend in de brieven die Pessoa naar zijn enige gekende geliefde, Ofélia de Queiroz, stuurde tijdens hun twee periodes van verkering. Ook haar antwoorden blijven zeer zedig, zoals het een meisje van de toenmalige burgerij betaamde.
Vermoedelijk stierf Fernando als maagd.

4. Fernando Pessoa was (voor een deel) van Joodse origine.
Pessoa koketteerde zélf met een vermeende Joodse komaf: in een literaire vragenlijst omschreef hij zichzelf als hebbende “vaag Portugees-Joodse gelaatstrekken te wijten aan een kwart Joods bloed aan moederszijde”.
Misschien stamde zijn moeder af van zogenaamde ‘novo cristianos’ (onder dwang tot het christendom bekeerde Joden) en haalde hij die kennis uit familieverhalen? In het oer-katholieke Portugal van die tijd werd daar – de inquisitie indachtig – niet openlijk over gesproken. Tenslotte werd de wet op ‘Vrijwillige Terugkeer van verjaagde Joden’ pas in 2003 unaniem door het Portugese parlement aangenomen! Alleszins wordt Pessoa als Joods schrijver opgenomen in de lijst van Jewish poets and lyricists van de Joodse website http://www.jinfo.org. Er staat wel bij: “Jewish ancestry/degree unclear”. Misschien is het dus waar, misschien ook niet.

5. Fernando Pessoa bedacht zijn vier belangrijkste heteroniemen op één nacht tijd.
In een beroemde brief van 13 januari 1935 aan Adolfo Casais Monteiro, schrijft Pessoa dat hij op 8 maart 1914, staande aan een hoge lessenaar, als in extase begon te schrijven en dat vervolgens “de bucolische dichter Alberto Caeiro in hem verscheen.” In diens naam schreef hij achtereenvolgens een dertigtal gedichten. Vervolgens verscheen Ricardo Reis, een neo-klassiek volgeling van de Meester en ook de modernist Álvaro de Campos, wiens gedicht dan ook op een (moderne) schrijfmachine werd getikt: de Ode Triunfal.
Dit verhaal over de ‘oerknal’ van het oeuvre van Pessoa is jarenlang als waar overgeleverd. Wetenschappelijk onderzoek bewees onomstotelijk dat Pessoa hier zijn zoveelste mystificatie heeft opzet. Tekstanalyse toont dat sommige gedichten door de schrijver geantidateerd zijn om dat romantische verhaal te doen kloppen. Hij gebruikte trouwens van in zijn prilste jeugd fictieve personages als alter ego’s, hetzij om de eenzaamheid te verdrijven, hetzij om er een fictieve correspondentie mee te voeren. O poeta é um fingidor (de dichter is een veinzer).

6. Fernando Pessoa was een alcoholist.
Niemand zag Pessoa ooit dronken (er zijn alleszins geen getuigenissen van gekend), daarvoor was hij te zeer gentleman. Wel is zeker dat de schrijver teveel dronk. Vooral ’s nachts wanneer hij schreef. Pessoa leed aan slapeloosheid en schreef en dronk hele nachten door. Overdag had hij de gewoonte om tussen het werk door even “naar Abel” te gaan. Een vrijpostige jonge bediende wierp hem ooit toe: “Maar Doutor Pessoa, u drinkt als een spons!”, waarop de schrijver onverstoorbaar repliceerde: “Als een spons? Als een ganse sponzenwinkel, zal je bedoelen. En met het magazijn erbij!” Zijn drankgebruik had blijkbaar geen noemenswaardige invloed op zijn werk: iedereen bleef vol lof over zijn kwaliteiten als vertaler en hij werd regelmatig aanbevolen voor nieuwe opdrachten.
Op de achterzijde van een foto die hij zijn geliefde Ofélia liet bezorgen, noteerde hij de woordspeling: “Em fragrante delitro!” (“Op literdaad betrapt!”). De opname toont hem, een glas wijn aan de lippen, staand aan de toonbank van Abel da Fonseca, een wijnbar in de discrete Rua da Bandeira, op wandelafstand van kantoor. Een afdruk van de foto hangt er nog achter de toog.

Pessoa-em fragrante delitro
Pessoa in Abel da Fonseca (wijnbar Rua da Bandeira)

7. Fernando Pessoa was vrijmetselaar.
Het staat vast dat Pessoa aangetrokken was door filosofie en occultisme. Meer nog dan nu, deden aan het begin van de twintigste eeuw de wildste verhalen de ronde over de vrijmetselarij. De geheimdoenerij binnen de Loge was zowel oorzaak als gevolg van de haat die in katholieke kringen aan het genootschap werd toegedragen. Ook inzake zijn eventueel lidmaatschap onderhield Pessoa de dubbelzinnigheid. Hij was niet vies van enige controverse. Toen Salazar een wet liet goedkeuren om het lidmaatschap van ‘geheime genootschappen’ (lees: de vrijmetselarij) aan banden te leggen, veroordeelde Pessoa in een krantenartikel deze maatregel in de scherpste bewoordingen, zonder zich tot het filosofisch genootschap te bekennen.
In een enquête opgezet door een literair tijdschrift uit Coimbra, beantwoordt hij de vraag over lidmaatschap van sociale, filosofische  of religieuze verenigingen, met: “ingewijd (van Meester tot Meester) in de hogere graden”. Een grapje, waarschijnlijk…
In de brief waarmee hij zijn relatie met Ofélia definitief verbreekt, schrijft hij dan weer: “Mijn Werk luistert naar Meesters die noch vergeven, noch vergeten; je wordt niet verondersteld dat te begrijpen”. Beide uitspraken mogen gerekend worden tot restanten van de symbolistische romantiek uit zijn jeugdjaren.
Portugese vrijmetselaars, hierover aan de tand gevoeld, antwoordden zonder de minste aarzeling:  “Fernando Pessoa werd nooit ofte nimmer ingewijd in een Portugese vrijmetselaarsloge! Helaas.”

8. Fernando Pessoa liet een hutkoffer met 27.543 pagina’s tekst na.
In 1975 droegen de erfgenamen van de schrijver de beruchte ‘baú’, waarin de schrijver zijn papieren bewaarde, aan de Portugese Staat over. Tegen een fikse vergoeding, welteverstaan. Die hutkoffer bevatte 27.543 tekstfragmenten, neergeschreven op alle mogelijke dragers: van notaboekjes, oude enveloppen, achterkanten van drukwerk, tot stomerijrekeningen: Pessoa recycleerde avant-la-lettre!
Helaas vormden deze schrijfsels niet het volledige nalatenschap: in de veertig jaar na zijn dood konden nogal wat mensen bij de paperassen van Pessoa! Wetenschappelijke onderzoekers, studenten en ook familie van de schrijver hadden regelmatig toegang tot de kist. Kisten zou correcter gesteld zijn, want uit de getuigenis van zijn nicht weten we dat Pessoa, behalve de grote hutkoffer nog over minstens één kleinere kist beschikte om papieren in op te bergen. Van die kist en haar inhoud is geen spoor. De familie maakte ook regelmatig manuscripten te gelde: getuige daarvan de grote veiling die zou worden gehouden in Londen. Die ging niet door omdat de tante van Pessoa het geheel aan de Portugese Staat verkocht. Ondertussen waren wel interessante fragmenten van het werk verdwenen. Het gevolg is dat, alle inspanningen ten spijt, wij nooit over het volledige werk van het Portugese genie zullen kunnen beschikken.

9. Fernando Pessoa voorspelde zijn sterfdatum.
Als verwoed astroloog, stelde Fernando Pessoa talloze horoscopen op. Niet alleen van mensen: ook van Portugal bijvoorbeeld, of om de slaagkansen van een project in te schatten. Zijn eigen horoscoop vertrok blijkbaar van onnauwkeurige gegevens, zodat hij er opnieuw een opstelde, met telkens variaties van enkele minuten wat betreft zijn geboorteuur. Hij voorspelde zo zijn eigen overlijden eind november 1935!

10. Fernando Pessoa’s laatste woorden waren om zijn bril te vragen.
De laatste geschreven woorden van Pessoa waren in een wat archaïsch literair Engels gesteld : “I know not what tomorrow will bring!”
Op zijn sterfbed in het Hospital San Luis dos Franceses vroeg hij om zijn bril en blies zijn laatste adem uit.

Yves