Waar is de eenvoud?

Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.

Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden. In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en 100-en mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend 10-tallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of één of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijks volksfeest en rookt de ganse buurt uit met zijn gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.

31eenvoudIeder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij 100-en kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis… Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers. Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen… In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd; in de Middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al-dan-niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.

Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai, grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shóppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.

Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nóg grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten! Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik 2 weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten… Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met Tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op TV, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord omwille van deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd -want heus veel lekkers!- en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond …the sound of silence!

Mattie

Het MIM: Muzikaal rariteitenkabinet van wereldklasse

Een bezoek aan het Brussels Muziekinstrumentenmuseum (het MIM, volgens de huidige afkortingswoede) is op vele vlakken een must.
Het museum vindt zijn oorsprong in de collectie oude instrumenten van het ‘Instrumentenmuseum’ van het Koninklijk conservatorium. De eerste conservator ervan, een zekere Victor-Charles Mahillon (1841-1924), bouwde over de jaren de verzameling uit tot een van de belangrijkste ter wereld, zowel in kwantiteit als in kwaliteit. Dat is zo gebleven. Dankzij aankopen, giften en legaten, herbergt het museum duizenden instrumenten uit alle periodes en windstreken.
Een slordige 1100 daarvan worden permanent tentoongesteld in een gebouw dat op zich al het bezoek waard is.
Het oude Art Nouveau grootwarenhuis ‘Old England’ aan de Hofberg werd grondig gerestaureerd en aangepast aan zijn nieuwe functie door het te koppelen aan een classicistisch pand dat op het Koningsplein uitgeeft. Zo konden er, rond een centrale vide, de administratie, een bibliotheek, een concertzaal, restauratieateliers en een museumshop plaats vinden in het indrukwekkende pand.
Ook een ruime picknickruimte biedt de bezoekers een plek om een meegebrachte lunch te genieten. Niet iedereen wil naar de hoogste verdieping om uitgebreid in het restaurant te tafelen. Toch is één van de niet te missen attracties van het MIM net dáár te vinden: het groot dakterras biedt er een panoramisch zicht over de stad. Er kan uiteraard ook een simpel drankje genuttigd worden. De obers zijn niet van de vriendelijksten, maar kom, het prachtig uitzicht maakt veel goed.

MIM (kl)
Een vitrinekast in het MIM (foto Y. de Vresse)

Naar een muziekinstrumentenmuseum gaat men uiteraard in de eerste plaats voor de muziekinstrumenten. En zoals eerder gezegd, dit is fenomenaal! De meest onwaarschijnlijke instrumenten worden in vier overzichtelijke zalen gepresenteerd. Er is soms veel fantasie nodig om te achterhalen hoe wat werkt. Sommige half-mechanische piano’s, bijvoorbeeld, getuigen van het technisch vernuft en de ongebreidelde fantasie van de fabrikant ervan. Ook bij de blaasinstrumenten is enige hilariteit nooit veraf. De meest bizarre vormen zullen wel een akoestische verantwoording hebben, feit blijft dat sommige instrumenten nogal surrealistisch over komen. Of wat dacht u van een twee meters hoge houten hoorn (?) waarvan de zesvoudige krulvorm de muzikant verplicht het monster vanop een trapladder te bespelen ?
Prachtig om zien ook hoe de decoratieve aspecten van een instrument de tijdsgeest mooi weergeven:  zestiende-eeuwse virginalen versierd met een pseudo-niëllotechniek herinneren aan de Italiaanse renaissance, terwijl schitterend beschilderde −overigens pas gerestaureerde− klavecimbels ons heerlijk romantische taferelen tonen.
Latere stukken moeten hier, op een andere manier, niet voor onderdoen! Zo zijn er een paar Art Déco buffetpiano’s in exotisch hout, sober versierd met stalen kaarsenhouders. Mooi.

Meestal trek ik niet méér dan een paar uur uit voor een museumbezoek. Een teveel aan prikkels en impressies maakt dat ik daar moe word. Ik kom liever nog eens terug om mij in bepaalde stukken te verdiepen. Dat is hier niet anders, integendeel.

Yves

MIM (Muziekinstrumentenmuseum)
Hofberg 2,
Brussel

O, de dode dieren

Kort voor de middag neem ik de trein naar Brussel. In het compartiment naast het mijne zit een ouder koppel gezellig te keuvelen. Ik open mijn boek en begin te lezen.

Controle van de biljetten. De oudere meneer blijkt één of ander nodig document niet te kunnen tonen en moet onmiddellijk een behoorlijke toeslag betalen. Niet zonder morren maar zich beheersend doet hij dit. Zijn partner heeft het duidelijk moeilijker met aanvaarden want ze protesteert dat zijn kaart toch tot 2021 geldig is, en dat dat strookje er uit gevallen moet zij want het hoesje is helemaal versleten. De conducteur is onverbiddelijk. Wanneer hij zich naar de volgende wagon begeeft is het koppel in een hevige discussie verwikkeld waarbij het de man amper lukt om de boze vrouw te kalmeren. “Ze zouden zich beter meer toeleggen op àndere zaken (ze wijst naar de graffiti op de vensters), het is toch schandalig dat ze een mens die al veel pech heeft en moet leven van een verhoogde tegemoetkoming een boete doen betalen omdat hij ocharme een klein stukje papier kwijt is…”. “Hij doet wat hij moet doen, hij past het reglement toe…”. Zichtbaar kokend doet zij er de verdere rit het zwijgen toe. Ik tracht te lezen.

In Brussel Centraal tref ik mijn zus en een vriendin. We gaan op weg naar het Bellevuemuseum om op het terras een hapje te eten. Helaas, de restauratie blijkt er uitzonderlijk gesloten tot eind juni.

Door het Warandepark steken we over, richting Belliardstraat. Er rijden slechts enkele auto’s over de 5 banen, waardoor het bijna rustig wandelen is op het trottoir van deze anders vreselijk drukke weg. De weinige café-resto’s hier zijn potdicht; de Europeeërs leven èlders in het weekend. In het Leopoldpark heerst een feestelijke stemming en ik hoor er bekende klanken: het is Dia de Portugal, de Camões e das Comunidades Portuguesas, een nationaal feest dat over heel de wereld gevierd wordt door de Portugees sprekende gemeenschap, naar aanleiding van de dood in 1580 van de belangrijkste Portugese schrijver Luís Vaz de Camões. Overal liggen tientallen sardienen op grote grillen te dampen. Onze honger wordt aangescherpt maar het is hier te druk, te rookrijk en… te Portugees!

Op het Jourdanplein strijken we neer voor een aperitief en een slaatje. Koffie toe. Op naar het Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in de Vautierstraat. Daar is er om 17u een concert van het stiekem Brussels stadskoor Stemmer. Met ons ticket voor “O, de dode dieren” mogen we vooraf het museum bezoeken. Eerlijk gezegd heb ik vlug genoeg van al die homo sapiens en aanverwanten met hun rare schedels, kromme ruggen en platte billen. Ook de dinosaurussen kunnen mijn aandacht niet bijster lang vatten. Ik ben hier al enkele keren geweest toen mijn kinderen klein waren. Als je één pterodactylusskelet hebt gespot, heb je ze toch allemaal gezien?

dood beest

Het concert is zoals ik het verwachtte: chaotisch vrolijk vlot, met veel background noise (infofilmpjes over dino’s, rondkrossende kindjes en de bezoekers van het museum die toevallig daar zijn), te veel en te luide interventie van een ingehuurde improvisator die op en af springt van pied-de-stallen met dino’s in glazen kasten en die overmatig door het gezang heen roept… Verplaatsingen van groepen toehoorders achter de zangers en hun klapwiekende dirigent aan. Boeiend en voor zover je het goed kan horen zeker een aangenaam repertorium aan liedjes. De receptie nadien buiten in het groen is heerlijk zonovergoten en ontspannen.

Stemmer

Aangezien openbaar vervoer naar mijn verre thuis op een zondagavond niet evident is moet ik me plots reppen en geraak ik op het nippertje op een lijnbus. De plaatsen zijn bijna allemaal bezet en ik ga naast een jong meisje zitten dat me vriendelijk toeknikt. Ik haal mijn boek boven en begin te lezen. Plots begint het meisje te praten, met dat typisch accent dat zwarten hebben als ze Vlaams spreken. Verward kijk ik op uit mijn boek; ze richt zich tot de jongen die achter haar zit. Broer en zus waarschijnlijk; ze hebben het over schoolresultaten en het gebrek aan inzet. Een pittige conversatie waarin de verwijten niet van de lucht zijn. Het ontaardt in een regelrechte ruzie waarbij ik me gedeisd hou om niet in de klappen te delen.

Ik ben blij wanneer ik 3 kwartier later kan uitstappen, amper gevorderd in mijn boek.

Mattie