Pleinvrees

Ik hou van pleinen. Of liever: ik hou van pleintjes.
Wat is er gezelliger dan zonder plan of doel door de stad te slenteren en, verscholen om een anonieme straathoek, een pleintje met een boompje, een bankje, een klein cafeetje misschien, te ontdekken. Overal waar ik geregeld kom loop ik graag verloren. Ik hou er favoriete plekjes aan over. Niet altijd makkelijk om terug te vinden, trouwens.
In Brussel bijvoorbeeld is dat het Vrijheidsplein met het monument ter ere van Charles Rogier. Niet écht een zakdoek groot, dit plein, maar het grasperk met de bomen en de terrasjes errond, geven het een je-ne-sais-quoi dat mij zeer aanspreekt. Een ideale plek om even te verpozen tussen Madou en Congres.

brussel-vrijheidsplein

Helaas houden Brusselse beleidsverantwoordelijken er duidelijk een andere visie op na. Ze hebben meer oog voor grote pleinen en gigantische esplanades dan voor de discrete charme van eenvoudige rustplekjes in de stad. Eerder dan deze in ere te houden, kiezen ze voor het grof geweld van het megalomaan heraanleggen. En daarbij worden telkens weer dezelfde nepargumenten bovengehaald van het ‘heroveren van de openbare ruimte’ of het ‘creëren van levendige publieke ontmoetingsplekken’. De plannen worden steevast goedgekeurd ‘na een uitgebreide consultatieronde’ heet het dan. Alsof er iemand zou wonen aan het Rogierplein, in de Madou-toren of op het Poelaertplein vóór het Justitiepaleis!
Heel af en toe loopt het verkeerd af, met die consultatieronde. Dan verzetten bewoners zich tegen plannen die zonder pardon hun leefomgeving voor jaren naar de kl..en wil helpen. De dagelijkse Voddenmarkt op het Vossenplein (d’aa Mèt, zoals we hier zeggen) wordt dan, zeer tegen de zin van de initiatiefnemende Schepen, gered. Tot een volgende megalomane stadsbestuurder weer op de proppen komt met hetzelfde plan voor een ondergrondse parking. Hopende op het korte geheugen van de bewoners.

De eerste Brusselaar die onder de glazen luifel van het Rogierplein een ‘levendige ontmoetingsplek’ gaat zoeken, moet ik nog tegenkomen. Dáárvoor is, na zonsondergang de vlakbijgelegen beeldentuin van de Botanique meer geschikt, als u begrijpt wat ik bedoel?
In het beste geval biedt zo’n fraaie overkapping van het grote Niets even beschutting tegen de regen voor wie van punt A (het Noordstation) naar punt B (de Primark in de Nieuwstraat) wil stappen wanneer de metro weer eens staakt. In de zomer wil ik er zelfs niet aan denken welke temperaturen daar genoteerd zullen worden. Een microklimaat in wording!

brussel-rogier met luifel (kl)De verkozenen des volks moeten natuurlijk sporen nalaten voor het nageslacht. Dat is een vorm van uitgestelde verloning bovenop hun schamele emolumenten. Zoals krolse katers vlaggen, laten zij bronzen inhuldigingsplaten achter. Stel je voor dat volgende generaties Brusselaars niet zouden weten dat Pascal Smet of Els Ampe het initiatief namen ter verfraaiing van hun stad!
Met het budget voor de glazen parasol aan Rogier of voor de blauwe stenen van het de Brouckèreplein kan je ongetwijfeld een halve eeuw lang een legertje stadsarbeiders in dienst nemen om uitpuilende vuilnisbakken regelmatig te legen of de eenvoudige houten zitbanken een likje verf te geven. Er hoeft zelfs geen plaatje bij dat mij uitlegt wie daar het initiatief toe nam!

Yves

O, de dode dieren

Kort voor de middag neem ik de trein naar Brussel. In het compartiment naast het mijne zit een ouder koppel gezellig te keuvelen. Ik open mijn boek en begin te lezen.

Controle van de biljetten. De oudere meneer blijkt één of ander nodig document niet te kunnen tonen en moet onmiddellijk een behoorlijke toeslag betalen. Niet zonder morren maar zich beheersend doet hij dit. Zijn partner heeft het duidelijk moeilijker met aanvaarden want ze protesteert dat zijn kaart toch tot 2021 geldig is, en dat dat strookje er uit gevallen moet zij want het hoesje is helemaal versleten. De conducteur is onverbiddelijk. Wanneer hij zich naar de volgende wagon begeeft is het koppel in een hevige discussie verwikkeld waarbij het de man amper lukt om de boze vrouw te kalmeren. “Ze zouden zich beter meer toeleggen op àndere zaken (ze wijst naar de graffiti op de vensters), het is toch schandalig dat ze een mens die al veel pech heeft en moet leven van een verhoogde tegemoetkoming een boete doen betalen omdat hij ocharme een klein stukje papier kwijt is…”. “Hij doet wat hij moet doen, hij past het reglement toe…”. Zichtbaar kokend doet zij er de verdere rit het zwijgen toe. Ik tracht te lezen.

In Brussel Centraal tref ik mijn zus en een vriendin. We gaan op weg naar het Bellevuemuseum om op het terras een hapje te eten. Helaas, de restauratie blijkt er uitzonderlijk gesloten tot eind juni.

Door het Warandepark steken we over, richting Belliardstraat. Er rijden slechts enkele auto’s over de 5 banen, waardoor het bijna rustig wandelen is op het trottoir van deze anders vreselijk drukke weg. De weinige café-resto’s hier zijn potdicht; de Europeeërs leven èlders in het weekend. In het Leopoldpark heerst een feestelijke stemming en ik hoor er bekende klanken: het is Dia de Portugal, de Camões e das Comunidades Portuguesas, een nationaal feest dat over heel de wereld gevierd wordt door de Portugees sprekende gemeenschap, naar aanleiding van de dood in 1580 van de belangrijkste Portugese schrijver Luís Vaz de Camões. Overal liggen tientallen sardienen op grote grillen te dampen. Onze honger wordt aangescherpt maar het is hier te druk, te rookrijk en… te Portugees!

Op het Jourdanplein strijken we neer voor een aperitief en een slaatje. Koffie toe. Op naar het Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in de Vautierstraat. Daar is er om 17u een concert van het stiekem Brussels stadskoor Stemmer. Met ons ticket voor “O, de dode dieren” mogen we vooraf het museum bezoeken. Eerlijk gezegd heb ik vlug genoeg van al die homo sapiens en aanverwanten met hun rare schedels, kromme ruggen en platte billen. Ook de dinosaurussen kunnen mijn aandacht niet bijster lang vatten. Ik ben hier al enkele keren geweest toen mijn kinderen klein waren. Als je één pterodactylusskelet hebt gespot, heb je ze toch allemaal gezien?

dood beest

Het concert is zoals ik het verwachtte: chaotisch vrolijk vlot, met veel background noise (infofilmpjes over dino’s, rondkrossende kindjes en de bezoekers van het museum die toevallig daar zijn), te veel en te luide interventie van een ingehuurde improvisator die op en af springt van pied-de-stallen met dino’s in glazen kasten en die overmatig door het gezang heen roept… Verplaatsingen van groepen toehoorders achter de zangers en hun klapwiekende dirigent aan. Boeiend en voor zover je het goed kan horen zeker een aangenaam repertorium aan liedjes. De receptie nadien buiten in het groen is heerlijk zonovergoten en ontspannen.

Stemmer

Aangezien openbaar vervoer naar mijn verre thuis op een zondagavond niet evident is moet ik me plots reppen en geraak ik op het nippertje op een lijnbus. De plaatsen zijn bijna allemaal bezet en ik ga naast een jong meisje zitten dat me vriendelijk toeknikt. Ik haal mijn boek boven en begin te lezen. Plots begint het meisje te praten, met dat typisch accent dat zwarten hebben als ze Vlaams spreken. Verward kijk ik op uit mijn boek; ze richt zich tot de jongen die achter haar zit. Broer en zus waarschijnlijk; ze hebben het over schoolresultaten en het gebrek aan inzet. Een pittige conversatie waarin de verwijten niet van de lucht zijn. Het ontaardt in een regelrechte ruzie waarbij ik me gedeisd hou om niet in de klappen te delen.

Ik ben blij wanneer ik 3 kwartier later kan uitstappen, amper gevorderd in mijn boek.

Mattie

Pure poëzie

Van Leo Copers (°1947) kocht ik ooit het meest efemere werk dat men zich kan voorstellen: adem. En dan nog niet eens de adem van de kunstenaar.
Copers was toen reeds bekend omwille van zijn indrukwekkende kunst. Vaak spectaculaire werken waarin een zeis of een gasfles voorkwam, of glasscherven of een machinegeweer. Gevaarlijk werk, dus. Maar nooit ontbrak de poëzie: de zeis zweefde in de ruimte rond, ketste tegen een vloer waarop een hoopje kleurrijke pigmenten ons eraan herinnerde hoe vluchtig alle mooie dingen zijn. Met glasscherven maakte hij grote, elegante siervazen, het gas stak een vijver of de zee in brand. Altijd spectaculair en mooi, maar nooit goedkope effectenjagerij. U hoort het, ik ben een fan.
Ook zijn ironie kon ik best smaken. Zo creëerde hij een begraafplaats voor musea, schilderde hij een zelfportret van van Gogh waarvan de fluokleuren enkel onder een blacklight zichtbaar zijn, of stak hij muziekinstrumenten en meubilair à la Magritte in brand voor een film. Een lege hoek van de museumzaal werd heldhaftig verdedigd door een mitrailleuse achter zandzakjes (dát werk vond dan weer zijn evenknie in gelijkaardig gestapelde goudstaven…).

begrafenis van René Magritte
Beeld uit de film “Begrafenis van René Magritte” (Leo Copers, 1971)

Terug naar het begin: adem dus. Het zat zo: in een mooi linnen foedraal had de kunstenaar, naast een monografie, ook een box gestoken met daarin een aan beide zijden gegraveerde glasplaat. De Griekse tekst werd slechts even zichtbaar door het glas te bewasemen. Adem/Lucht stond er, maar je kon beide woorden uiteraard nooit samen zien. Pure poëzie!

In het SMAK brengen ze nu een tentoonstelling rond de ‘gevaarlijke’ werken van Leo Copers. Meer bepaald de periode 1969-1974 komt hier aan bod. Misschien een wat korte tijdspanne? Tenslotte werkt Copers al meer dan een halve eeuw aan een oeuvre van schilderijen, beelden, installaties en performances. Alleszins een must-see.

Is het ongewilde ironie? Het Gentse museum organiseert ook een rondleiding voor blinden en slechtzienden. En dat voor de expo van een kunstenaar die als performance ooit een rondleiding gaf in een pikdonker museum, met een blinde als gids! (in de verte klinkt een sardonisch lachje.)

Leo Copers | 1969-1974
S.M.A.K.  Gent
Van 2 juni tot 2 september 2018

Yves

GPS-gewijs dan wel volgens serendipiteit

Onderweg naar de Tsjechische hoofdstad namen we een willekeurige afrit naar een pittoresk ogend dorpje in de verte om ergens neer te strijken voor een geïmproviseerde picknick met een snee brood, wat kaas en een stuk fruit. Bleken we naast een prachtig kerkhof te zitten, waar de graven omgeven waren door kleurrijke struiken en bloemen. Er lagen heel veel “Rodina’s” begraven; wat vreemd dat er in een zelfde dorp zoveel mensen met dezelfde voornaam zijn!

Hoe verken je een grote, cultureel rijke stad het best?

Volg je de reeds uitgetekende routes zodat je haast zeker geen bezienswaardigheid zal missen, geen kilometers fout zal lopen, geen 4 keer hetzelfde historische gebouw zal kruisen, geen ettelijke malen in de verkeerde richting op de metro stapt? Stressarm, voetvriendelijk. Veel volk verzekerd.

Ik moet bekennen dat ik me een Praaggids aanschafte en heel wat zaken had uitgestippeld, gepland, opgelijst. Na enkele uren begon dat letterlijk te botsen telkens ik alweer halt hield om het boekje uit de rugzak te diepen, het stadsplan open te vouwen en te bestuderen en mijn reisgenoot – die bv. net naar de bovenzijde van een gebouw aan ’t turen was – tegen me aan stootte. Het drong tot me door dat we redelijk wat gemeenschappelijke ervaringen rateerden doordat ik voortdurend aan ‘t opzoeken en verifiëren was.

Op een bepaald moment geraakte ik totaal overstuur toen er een massa volk uit de tegenovergestelde richting bleef komen. We waren op weg naar dé toeristische trekpleister van Praag: de Karlův Most (Karelsbrug). Verstikkend, er was geen doorkomen aan. We strompelden met moeite zijwaarts een andere straat in. Ik hoefde ècht die brug niet van nabij gezien te hebben.

Je kan ook heel bewust de ‘verkeerde’ richting uitgaan en inzien dat dat juist tot wat boeiends en moois kan voeren. Het leidt tot de ontdekking van niet geijkte paden waar de toeristen nog niet over elkaar heen tuimelen. Het brengt je in achterafstraatjes en bij achterkanten van huizen en gebouwen met mensen en bomen en struiken en grassen die niet netjes sporen en toch erg de moeite waard zijn om te bezien. Het brengt je aan de dis met de locals die authentieke kost eten aan al even authentieke prijzen.

Wèg dus met die reisgids en op goed geluk straten kiezen, op trams springen, onze neus volgen.
Puur geluk, dat op-goed-geluk! Plots zie je zoveel meer, zoveel détails die je anders voorbij bent, al zoekend naar wat je thuis reeds had opgezocht.

waar mijn voeten me brengen (gec.)Je wordt ook lekker moe van al dat kuieren wat noopt tot halthouden in hypermooie cafés, in donkere kroegen, op terraszitjes en banken op pleintjes en in parken. Daar kan je dan eveneens overal vinden wat je niet zocht. Of een uurtje lezen terwijl je regelmatig opkijkt om voorbijgangers te observeren. Die zijn veelsoortig: de plaatselijke bevolking (pendelaars, joggers, overvolle boodschappenzakken zeulende Pragenaars…), de steeds zoekende toeristen met de gids in de hand, de reizigers die op tocht zijn en rondkijken, een groot aantal havelozen – dat ook. Mensen die schijnen te wonen in de parken, die er thuis lijken en op eender welk tijdstip al stevig in het aperitief gevlogen zijn, die elkaar kennen en banken bezet houden voor elkaar om er wat te eten of te slapen.

We gingen ook wel eens met een klein gevouwen tram- en metroplan in de hand wat gerichter op pad naar een museum, een stamkroeg-tip van een vriend, de terugweg naar het pension. En om met de wagen de stad weer uit te rijden richting Brussel stelden we de GPS opnieuw in.

Maar het leukste aan een citytrip is toch het verdwalen, het verloren lopen, het vinden wat je niet zoekt!

Af en toe probeer je je enkele woorden Tsjechisch eigen te maken om bijvoorbeeld je dankbaarheid uit te drukken aan iemand. Goeiendag, “dobrý den”. Dank u, “děkuju”. Dan leer je ten slotte dat “Rodina” ‘familie’ betekent.

Mattie

 

 

 

The end of the golden age

Hoe een kleine ontgoocheling een grote ontdekking werd :
Schiele, Klimt, Kubin et les autres…

Een uitgebreide citytrip naar Praag, wie zegt daar neen tegen? Bedoeling was, naast het ontdekken van al het moois dat de Tsjechische hoofdstad op het gebied van fin-de-siècle architectuur en pittoresk stedenbouwkundig erfgoed te bieden heeft, ons te laten leiden door instinct, dorstige kelen, hongerige magen en pijnlijke voeten. Goed plan!

Het enige wat vooraf zeker was – een bezoek aan het prentenkabinet van de Národni Galerie v Praze (de Praagse Nationale Galerie), leek eerst op een teleurstelling uit te lopen. De uitgebreide collectie grafiek was namelijk ontoegankelijk voor de duur van de tentoonstelling ‘The end of the golden age’. Daar ging ons plan om de 450.000 prenten eens serieus onder de loep te nemen! Enigszins beteuterd kochten we een ticket voor de expositie , niet goed wetend wat ons te wachten stond. De lift bracht ons naar de vierde verdieping van een gebouw waarvan de diverse plateau’s uitkijken op een gigantische centrale lichtput.

Was alles niet spierwit geschilderd, een mens had zich in Alcatraz gewaand! Die indruk werd nog versterkt door de aanwezige vrouwelijke suppoosten die stuk voor stuk ofwel onaangenaam keken, of het daadwerkelijk ook waren.

Over de tentoonstelling niets dan goeds, behalve dat de opstelling nogal bizar was en de toegang ertoe nogal weggestoken. Dat zal waarschijnlijk geheel aan ons liggen, maar de dienstdoende cipier wist ons, nadat we een rondje vruchteloos een verdieping hadden afgelopen, óók niet te vertellen waar de aangekondigde Klimts of Schieles te zien waren…

Ondertussen hadden we kunnen genieten van de prachtige architectuurtekeningen en even prachtig geaquarelleerde gevelontwerpen van de gebouwen die we daags voordien, langs de oevers van de Moldau of aan het Wenceslasplein, hadden kunnen bewonderen.

Er waren ook uit de kluiten gewassen maquettes te zien, maar die laat ik hier onvermeld wegens de schandalig vuile vitrinekasten, waar veel bezoekers een boodschap hadden achtergelaten in het vettig stof van de ruiten. Recht uit kelder of zolder en vergeten te poetsen, waarschijnlijk.

Ook was het wat vreemd motieven voor wandbekleding of textiel stevig uitvergroot en rechtstreeks op de wanden afgedrukt te zien.

Kubin - Zwerg-mit-Kerze
Alfred Kubin – Zwerg mit Kerze, 1901-1902

Hoogtepunt van het bezoek vormden uiteindelijk de tekeningen, schilderijen en grafiek van Egon Schiele, Gustav Klimt en Oskar Kokoschka, naast een hele reeks werken van de hier minder bekende kunstenaars, waaronder Bohemer Alfred Kubin (1877-1959). De drie eersten hadden wij ooit al uitgebreid kunnen bewonderen tijdens Europalia Oostenrijk in 1987 en komen trouwens  in het najaar nog aan bod in Bozar.

Kubin, daarentegen was een herontdekking en het was een zeer plezierige kennismaking met klein maar fijn teken- en graveerwerk van wat toch wel een voorloper van het surrealisme mag genoemd worden. De jonge Kubin kende een tragische jeugd met seksuele en andere trauma’s die zijn later oeuvre blijvend zouden beïnvloeden. Dat oeuvre zou wrang en donker zijn, maar niet gespeend van fantasie en ironie. Hij illustreerde ook boeken, waaronder zijn eigen ‘Die Andere Seite’, die invloed zou hebben op onder andere Franz Kafka’s ‘Het Slot’. Door de nazi’s beschouwd als Entartete Kunstler, maar, waarschijnlijk door zijn teruggetrokken leven  (hij woonde van 1906 tot zijn dood op een kasteeltje nabij Linz) werd hij verder ongemoeid gelaten.

Kubin - Der beste Arzt (kl)
Alfred Kubin – Der beste Arzt, 1901

De getoonde werken, voornamelijk boekillustraties in potlood, krijt en inkt, vragen om een geconcentreerde blik. Zij zetten aan tot mijmeren en vormen aldus een zeer geschikt eindpunt van deze uiteindelijk onverwacht boeiende tentoonstelling.

Yves

Tot 15/07/2018
Nationale Galerie
Praag, Tsjechië

 

 

 

6.000 vroege vogels

Zesduizend voorintekenaars op de Museumpas – die eigenlijk pas in september gelanceerd wordt – zullen een aantal plezierige bijkomstigheden kunnen genieten.

De museumpas geeft vanaf eerste gebruik 1 jaar lang onbeperkt toegang tot een honderdtal deelnemende musea over het ganse land. Voor cultuurliefhebbers die er snel bij zijn en die nu reeds hun pass aankopen is er extra genot: zij mogen hun pass direct beginnen gebruiken en deze wordt automatisch verlengd tot eind september 2019. Toch zowat een gratis trimester voor de vroege vogels, waaronder uw beide Pierewitters!

Vermoedelijk zal de huidige lijst mettertijd nog aangroeien, maar voor ons waren er toch al meer dan redenen genoeg om meteen in te tekenen.

Niet doorslaggevend, maar wel leuk is ook dat we onze pass mochten personaliseren door te kiezen uit een aantal kunstwerken van Belgische artiesten om er op af te drukken.

MPM_PASS_Rinus Van de Velde
Deze Rinus VAN DE VELDE is helaas al “uitverkocht” om je museumpas te personaliseren. Rest keuze uit 5 andere…

Wat ons wél helemaal over de streep trok is de prijs van het kleinood: de investering van €50,00 heeft een beetje kunstliefhebber er zo weer uit. Temeer omdat niet enkel de vaste collecties gratis en onbeperkt mogen bezocht worden, maar ook gelegenheidstentoonstellingen (soms met een kleine opslag, afhankelijk van museum en expositie).

We zouden er voorwaar lyrisch van worden en hierbij een vrolijk deuntje kwelen!

Word ook ambassadeur van de museumpas:
https://nl.shop.museumpassmusees.be

Yves & Mattie

Mijn kleine oorlog

De laatste tijd heb ik enkele boeken gelezen waarin oorlog een belangrijke rol speelt. Het blijft maar in m’n brein malen, we zien het alle dagen en sommigen ervaren het aan den lijve hoe slecht mensen kunnen zijn.
Met boeken over oorlog had ik vroeger niets, ik kon het me moeilijk verbeelden, het stond zo ver van me af. Met de jaren (ouder en wijzer èn grijzer) voel ik me er helaas veel dichter bij dan ik zou willen. Dagelijks word ik (on)rechtstreeks geconfronteerd met de gevolgen van oorlogen overal ter wereld: in de grote steden struikel je haast over de mensen die er trachten van weg te vluchten en op TV slaat men je dood (!) met afschuwelijke beelden van de zoveelste gifgasaanval, het zoveelste bombardement, van doden, gewonden, uitgehongerden et tutti quanti. Via de media krijg je ook een indruk over de in het verre Westen heersende cowboy die je af en toe koude rillingen bezorgt over een naderende Derde Wereldoorlog!

Het lezen van boeken over vele wrede aspecten der mensheid maakt me milder in mijn oordelen, doet me genuanceerder denken en meer begrijpen ‘van binnen uit’.

Alleen in Berlijn – Hans Fallada: over een bescheiden vorm van verzet tegen het naziregime en over vele soorten mensen die daar toen rondliepen. Meelopers, stille malcontenten, monsterlijke nazibeulen enz. Een sfeer van wantrouwen, verraden en verklikken, moordlust, onmenselijkheid… Hetzelfde soort thema’s in Wil van Jeroen Olyslaegers. Ik las nog andere boeken over die oorlog, waarin boeken werden verbrand en zogenaamde ‘Untermenschen’ werden opgesloten en zelfs vergast: De Boekendief van Markus Zusak, Als je het licht niet kunt zien van Anthony Doerr. Het aanbod is schier oneindig; het onderwerp is dan ook kwasi onuitputtelijk.

mijn-kleine-oorlog

De overgave van Arthur Japin gaat over oorlog in een verder verleden met name beschrijft hij tegen het decor van het gewoonlijk zo geromantiseerde Wilde Westen de gruwelijke situatie van de Comanche-indianen en de blanke kolonisten tijdens de Amerikaanse burgeroorlog in de 19de eeuw.

De bekeerlinge van Stefan Hertmans bevat eveneens uiterst bloedige en wrede scènes, veelal ondernemingen gemotiveerd door irrationeel religieus fanatisme. Je sympatiseert enorm met de hoofdpersonages die voortdurend on the road en op de vlucht zijn en telkens ei zo na in de pan gehakt worden:  een welgestelde Christelijke jonge vrouw die Joodse wordt uit liefde voor een jonge Joodse jongen. Kruistochten doorkruisen hun leven – zo hoort dat voor kruistochten – en je moet al een gevoelloze coloradokever zijn om niet in spanning te geraken tijdens de bestorming door kruisvaarders van het stadje waar ze eindelijk rustig woonden… De jacht op joden is er een waar bloedbad. Ik bespaar je de détails (Hertmans doet dit niet. Of toch. Het was vast véél erger!).

Het achtste leven van Nino Haratischwili, tot slot, is ook een verhaal met een hoofdrol voor oorlog, vetes, verraad en dreiging. Het is een familie-epos dat vijf generaties omspant tussen 1900 en nu, de gehele roerige, ‘rode’, vorige eeuw met de opkomst en ondergang van de Sovjet-Unie, het wegvallen van het IJzeren Gordijn en de perestrojka. Alweer neem ik tot mij hoe individuen wereldgebeurtenissen trachten te overleven in een dagelijkse realiteit vol afgunst, voortrekkerij, onmogelijke liefde, plichtsbesef, moreel protest, zelfhaat…

Bij zoveel wreedheid raakt mijn verstand in caleidoscopisch verval, altijd tracht het ernaar mooie dingen te produceren maar ze worden haast even snel verdrongen door akelige beelden, geëvoceerd door de oorlogsomschrijvingen die zoals herinneringen zijn geworden en in mijn brein blijven malen. De luciditeit is onderhevig aan een wreed invreten, teveel wijsheid maakt een wrak van mij.

Mattie

Een muur van onbegrip

Bij het overlijden van Per Kirkeby (°1/9/1939-9/5/2018)

Ter gelegenheid van Antwerpen ’93 Culturele hoofdstad van Europa, organiseerde Bart Cassiman de prestigieuze tentoonstelling Nieuwe Beelden. Park Den Brandt (Het Middelheim Museum) vormde de idyllische locatie voor de presentatie die niet echt uitblonk in coherentie. Er waren beelden, oké, en ze waren vaak nieuw, dàt wel! Of de kwaliteiten  ervan een kwarteeuw later nog steeds even duidelijk zijn, wil ik hier in het midden laten. Het is altijd makkelijk praten achteraf.

Per Kirkeby - Zonder titel
Per KIRKEBY – Zonder titel, 1993

Een van de meest besproken werken op de tentoonstelling was een titelloze sculptuur,  een bouwwerk eigenlijk, van de zopas op 79-jarige leeftijd overleden Deense kunstenaar Per Kirkeby. De gemetste bakstenen constructrie volgt een labyrintisch grondplan met de imposante afmetingen van negen op vijftien meter. Ondanks, of misschien net omwille van, de vijf meter hoge muren, bekroop menig bezoeker een claustrofobisch gevoel bij het betreden van het werk.

Kirkeby, van vorming een geoloog die pas op latere leeftijd tot de kunst gekomen is, maakte wel meer bakstenen sculpturen. Vaak zijn het werken die zeer herkenbare architecturale elementen tot de meest basale vormentaal herleiden: de zuilenrij, het romaanse gewelf, seriële raampartijen,… zonder die te koppelen aan een functie. Zijn bogen vormen geen gewelf, zijn zuilen staan daar maar in de rij, de ramen hebben geen vensters. Zijn minimalistische bouwsels zijn dan ook in geen geval gebouwen. Een enkele keer vormen ze wel de ruimte waarin zijn bronzen beelden worden getoond (zoals in datzelfde Middelheim in 1995).

‘Zonder titel’ werd niet begrepen door het publiek: had er een dak op gestaan, dan had men tenminste nog van een paviljoen kunnen spreken. Nu vergaarde het werk dorre bladeren in weer en wind. Om de creatie echt te kunnen appreciëren was er natuurlijk een klein probleem: de subtiele vlakverdeling in vierkanten en cirkels kon pas vanuit vogelperspectief ten volle genoten worden. Dat is natuurlijk lastig met muren van vijf meter hoog! Indien een beeld  enkel door middel van maquette, ontwerptekening of luchtfotografie  tot zijn recht komt, schort er wat aan. Of aan de aankoopcommissie, dachten velen. Diezelfden, trouwens, die later moeite hadden met de stalen tegels van Carl André in een van de lanen van het park (‘Weathering Way’) of met het statement ‘Wind en de Wilgen’ van Laurence Weiner, schots en scheef geschilderd op de buitenmuur van het sanitair. Toegegeven, het is mij ook niet helemaal duidelijk. Of liever, helemaal niet duidelijk…

Laurence Weiner - Wind en de wilgen
Laurence WEINER – Wind en de Wilgen

Maar laat deze bedenkingen u vooral niet weerhouden dit prachtige museumdomein te bezoeken, wel integendeel! Zelfs voor klassieker gerichte kunstliefhebbers zijn er topwerken te (her)ontdekken. Van Rodin bijvoorbeeld, of Bourdelle, Moore, Calder, Manzú, Dodeigne of Rik Wouters. Je moet er dan Franz West en zijn gigantische drollen maar bij nemen. Of niet.

Yves

MIDDELHEIMMUSEUM
Middelheimlaan 61
2020 Antwerpen
http://www.middelheimmuseum.be

Cultureel Kolonialisme

Het wordt vermoeiend om steeds weer in de contramine te moeten gaan, maar ja, het is nu eenmaal zo.

Blijkbaar heerst er euforie bij de drommen bezoekers van Kanal-Pompidou, het nieuwe museum in de gewezen Citroënvestiging aan het Brusselse Saincteletteplein.

Het zal geheel aan mij liggen, uiteraard, maar noch euforie, noch beate bewondering zijn mijn deel. Ten eerste omdat dat niet meteen in mijn karakter ligt, vervolgens omdat ik de zo geroemde tentoonstelling nog niet bezocht heb.

Tenslotte hebben we daar nog meer dan een jaar de tijd voor. Haast en spoed, weet u wel! Daarna gaat het gebouw voor minstens vier jaar dicht naar het schijnt. Gezien het strakke ritme waarop in dit land bouwprojecten vorderen, vermoed ik dat de toekomstige suppoosten nog even mogen wachten om de plooi in hun uniformbroek te strijken.

citroën (kl)
De voormalige Citroëngarage

Tegen dan is het publiek allang vergeten wie verantwoordelijk is voor het negeren van alle specialisten (àllen, zonder uitzondering, spraken zich uit tegen het in gebruik nemen van een voornamelijk uit glas bestaand industrieel gebouw om kunst in te tonen en bewaren in optimale omstandigheden).
Problemen met overvloedig licht, temperatuurschommelingen en vochtigheidsgraad zullen niet van de poes zijn. Om nog maar te zwijgen van de stookkosten of de factuur voor de beveiliging. Waren dat trouwens geen argumenten om het toen nog bestaande Museum voor Moderne Kunst te sluiten? Of zouden de verantwoordelijke excellenties misschien toch eerder inzetten op een ‘gemengd’ project waarin naast het culturele aspect ook een immobiliënproject om de hoek komt kijken? Ik weet het niet en zou niet durven insinueren dat onze politieke elites door enige electorale bijbedoelingen zouden gedreven zijn. Toch niet in Molenbeek? Toch niet in Brussel?!

Wat ik wél weet – om het dossier van bij de prille aanvang van nabij gevolgd te hebben – is dat het Franse cultureel kolonialisme in Brussel/Bruxelles terug is van eigenlijk nooit weggeweest.

Les petits Belges, zoals onze landgenoten ‘Outre-Quiévrain’ minzaam genoemd worden, zijn in de kont genaaid. En nog geen klein beetje!

Alle grootspraak en zalvende (?) woorden ten spijt, is het kanaalproject stevig in Franse handen. Zelfs de oorspronkelijke projectleider Yves Goldstein is een kind van Franse ouders die een textielimportzaak runden in de ‘Triangle’ van Anderlecht. Lieve mensen, dat wel, die af en toe een schilderij kochten van jonge artiesten. Maar of dat nu volstaat om van de kabinetchef van Rudy Vervoort een specialist in museologie of cultuurmanagement te maken, betwijfel ik ten zeerste. De man heeft trouwens een stap opzij gezet ten voordele van een àndere ‘cabinettard’. Waarschijnlijk omdat hij door zijn arrogantie in een recordtempo erin geslaagd was zowat iederéén binnen het hoofdstedelijke kunstmilieu tegen zich in het harnas te jagen. Parijse toestanden, quoi!

Weinigen durven trouwens even duidelijke taal te spreken als Dirk Snauwaert, directeur van het Brusselse Centrum voor Hedendaagse Kunst Wiels: “Veel heeft natuurlijk te maken met de grote budgetkortingen die er ook in Frankrijk geweest zijn. Pompidou slaagt er niet meer in zijn eigen tentoonstellingen te financieren, dus zoeken zij hun financiering in het buitenland. Pompidou komt naar Brussel om middelen op te halen en opnieuw te mobiliseren voor zijn activiteiten in Parijs.”

Of Kanal-Pompidou (ooit heette het project MAC/MAK, weet u nog? Musée au canal-Museum aan het kanaal) uiteindelijk een franchisedépot wordt waar werken in overtal uit de reserves van Parijs worden gedelokaliseerd om in Brussel te worden gestockeerd, bewaakt, verzekerd en onderhouden, zal later blijken. Feit is dat er nu al grof geld op tafel komt en nog zal komen. Voor personeel in Parijs betaalt Brussel alleszins al 18 à 20 miljoen euro, gespreid over het volgend decennium. En dat zal uiteraard uit de zakken van Les petits Belges komen…

Genaaid, Cher Monsieur, er is geen ander woord voor!

Yves

Wordt vervolgd, uiteraard.

 

De merels zijn terug

’s Ochtends worden we weer wakker met dat heerlijke gezang van allerlei vogels. De merels steken er met kop en vleugels bovenuit door hun toonrijke deun. Het is nochtans bang afwachten geweest.

Vorig jaar vielen ze met hopen dood neer. Eén of andere ziekte decimeerde de merelpopulatie. Ze waren niet te redden. Eentje zat er een hele dag zielig dood te gaan, vlak naast mijn tuinbank. Hij piepte een bijna onhoorbaar piepje en legde na enkele uren het kopje neer. Voor altijd. Mijn vriend groef een kuil dicht bij de composthoop en stak de vogel onder de grond. De volgende dag lag er weer een lijk in de tuinkamer, net achter de rietkraag. Nog een begrafenis. En het getwiet verstomde.
We zijn gestopt met ze namen te geven. Het is zo droevig telkens afscheid nemen.

Dode merel in onze tuin (kl)

Maar nu zijn ze terug. En dat is fijn.
Van die smerige buxusrupsen daarentegen mag ik hopen dat ze NIET terug komen!

Mattie