Een doodgewone griezel

Ik had al van Carl Moll gehoord.
Of liever: zijn naam was mij niet onbekend als medestichter van de Wiener Secession. Hij werd wel eens vernoemd in teksten over die ‘Gouden Eeuw’ van Wenen.
Toen ik echter recentelijk de tentoonstellingscatalogus ‘Von Schiele bis Wotruba’ doorbladerde, viel mijn oog op een schilderij van Moll.
Niet bij de paginagrote reproducties, neen: die expositie ging over werken op papier uit de collecties van de Weense Albertina. De kleine zwart-wit foto zag ik ingelast in de inleidingstekst. Het was ook niet het doek an sich dat mijn aandacht trok, dan wel een opmerkelijk detail erop.
Het schilderij heet voluit ‘Selbstbildnis im Atelier’ en dateert uit 1906. Het stelt een geconcentreerd schrijvende man voor, zittend aan een tafel in een burgerlijk interieur. Het is goed geschilderd, zonder meer, met wat invloeden van Vermeer: de ruimte wordt verdeeld door twee hoge, elegante gordijnen met rijke franjes. De doorkijk naar de achterste ruimte versterkt de suggestie van diepte, mede door de fraai geschilderde lichtinval en het dambordmotief van een marmeren vloer. Er hangen wat schilderijen aan de muur en op de donkere buffetkast staat het beeld dat mijn aandacht trok: een knielende jongeling van George Minne. (Dáárachter een schilderij van van Gogh, maar dat zou ik pas later leren bij het lezen van de tekst).

“La curiosité est un vilain défaut” placht mijn Bonne-maman te zeggen, waarbij mijn vader steevast repliceerde “Ou une grande qualité!”. Niet dat onze nieuwsgierigheid dan bevredigd werd met een antwoord op onze ongetwijfeld gênante vraag, maar kom…
Eenmaal mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld wou ik wel wat meer weten over die Carl Moll, die zichzelf portretteerde in zijn atelier waar geen spoor van artistieke bedrijvigheid te bespeuren viel. Geen ezel, geen tekenplanken, verfdozen, borstels of penselen, geen vieze vodden of spatje verf. De studeerkamer van een rijke burgerman met smaak, dàt was het.
Wat opzoekingswerk later bleek die Moll tóch wel een kunstschilder te zijn. En nog geen slechte ook.

Erg close.
Carl Moll (1861-1945) was de telg van een Weense  familie met brede culturele interesses. Zijn oom landschapsschilder ontwaarde reeds vroeg zijn tekentalent en gaf hem zijn eerste lessen, waarna hij naar de Academie trok. Al snel kreeg hij privé-lessen van zijn leraar aldaar, Emil Jacob Schindler (1842-1892), wiens assistent hij werd en bij wie hij ook inwoonde.  In de Weense salons werd gefluisterd dat de jonge Moll wel erg close was met de echtgenote van zijn leraar,  de operazangeres Anna Sofie Bergen – naar verluid absoluut niet vies van jong artiestenvlees in de kuip. Toen haar man op vijftigjarige leeftijd overleed, duurde het niet al te lang (drie jaar, om precies te zijn) of die ‘lustige Witwe’ hertrouwde met de vierendertigjarige Moll. Hij werd zo ook de stiefvader van haar oudste dochter Alma, begaafde componiste en schrijfster, die later tot groot ongenoegen van haar stiefvader met Gustav Mahler huwde, daarna met Walter Gröpius en tenslotte met Franz Werfel.
Carl Moll schilderde dus, in een stijl die nogal wat verwantschap vertoonde met het post-impressionisme, maar dan eentje die de pointillistische aberraties achterwege liet. Moll hield van een stevige toets en van een wat pasteuze verfbehandeling, zonder daarin te strak in de leer te zijn. Getuige hiervan zijn zelfportret in het atelier, hierbij afgebeeld. Naast het schilderen beoefende Carl Moll ook de houtgravure en bereikte hierin een zeer eigen zeggingskracht.

CarlMoll
Carl Moll: Selbstbildnis im atelier, 1906

Wiener Secession, van Gogh, Minne.
In 1897 stichtten Carl Moll (ondervoorzitter en organisator) en Gustav Klimt (voorzitter), samen met een aantal andere kunstenaars, in navolging van gelijkaardige afscheidingsbewegingen in Berlijn en München, de ‘Wiener Secession’ als reaktie op het volgens hen verstard en provincialistisch kultureel klimaat in de Oostenrijkse hoofdstad en met name bij het ‘Wiener Künstlerhaus’. Het zou leiden tot de ‘Gouden Eeuw’ der Oostenrijkse kunst. Al duurde die eeuw dan maar een veertigtal jaren.
Moll werd toen al bekeken als een talentvolle organisator, een vooruitziend intrigant die vanop de achtergrond ook goed voor zichzelf zorgde. Zijn rol in de schaduw als organisator van de eerste Secession-tentoonstellingen (ook wel eens ‘Sezession’ geschreven) staat buiten kijf. Het eerste evenement, in 1898, bracht een indrukwekkende staalkaart van de toenmalige avant-garde in Europa, met namen als Auguste Rodin, Fernand Khnopff,  Mc Neil Whistler of Arnold Böcklin.
Zo introduceerde hij ook het werk van van Gogh in Wenen, al dient wel gezegd dat die eerst in Brussel was te zien op het jaarlijkse Salon van ‘les XX’  in 1890. Groot schandaal op het openingsbanket trouwens, waar Charles de Groux, die van Gogh een dwaas en ‘un agent provocateur’ noemde, weigerde tentoon te stellen “naast de bloempotten met zonnebloemen van zo’n knoeier”. De aanwezige Toulouse-Lautrec daagde hem prompt uit tot een duel, daarin bijgestaan door de schilder Paul Signac die heldhaftig verklaarde dat indien Lautrec zou gedood worden, hij zijn plaats zou innemen om  van Gogh’s eer te redden. Wat een mooie tijden!
Kortom, een beetje commotie was altijd wel goede reclame.
Wat Minne betreft ging het er rustiger aan toe: in 1898 ontdekt door de Duitse criticus annex kunsthandelaar  Meier-Graefe, was zijn werk reeds te zien in diens Parijse winkel ‘la maison moderne’. Speciaal voor zijn ‘Knapenfontein’ (opdracht van de rijke verzamelaar die later ook de ‘Wiener Werkstatte’ zou financieren) bedacht Olbrich in 1900 een rond paviljoen en werden de vijf beelden van knielende jongelingen in plaaster gegoten – met een  lichtjes afwijkende vorm van de voeten, zodat die net over de rand van het waterbekken zouden uitkomen. De presentatie zou een enorme indruk maken op pers, publiek en vele kunstenaars. Met name in het werk van Oskar Kokoschka en van Egon Schiele lieten de knielende knapen duidelijke sporen na.

Palacio-Stoclet-6
Paleis Stoclet, Brussel. Architect: Josef Hofman, 1905-1911

Wiener Werkstatte
In 1905 verliet Moll met slaande deuren de Secession, met in zijn zog Klimt en heel wat andere kunstenaars. Hij was ondertussen tot artistiek directeur aangesteld van de toonaangevende Galerie Miethke en was een bepalende figuur geworden binnen de Weense kunstwereld. De Wiener Werkstatte, de commerciële uitloper van de Secession, waar hij mede inspirator van was, samen met zijn vriend architekt Josef Hofman, verschafte veel van die (ex)-leden van de Secession lucratieve opdrachten. Het Paleis Stoclet in Brussel, bijvoorbeeld, werd quasi volledig bemeubeld en versierd door de vrienden van Hofman en Moll: Klimt, Khnopff, Metzner en anderen, waaronder ook Minne, wiens knielende jongeling de vestibule  nog altijd versiert.
Langzamerhand werd Carl Moll incontournable. Zo was hij verantwoordelijk voor de selectie van de kunstenaars die Oostenrijk vertegenwoordigden op Wereldtentoonstellingen en was hij de curator van de Oostenrijkse inzending voor de biënnale van Venetië in 1932.

Wrok.
Door de inflatie en devaluaties zag Moll in 1917 zowat zijn volledig vermogen  verdampen en moest hij zelfs zijn omvangrijke kunstcollectie laten veilen. De wrok hierom zou hem later in de armen van Hitler’s NSDAP drijven en begin dertiger jaren een aktieve nazi van hem maken. Niet zonder enige tegenstrijdigheden, weliswaar.
Hij organiseerde in 1934, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Kokoschka, een grote tentoonstelling van diens werk in de Österreichischer Werkbund, de Unie van artiesten, architecten en kunstambachters naar Duits model. Voorwaar een gedurfde onderneming: Kokoschka (die lange tijd in Berlijn had gewoond) werd toen reeds door de nazi’s als een ‘entartete Kunstler’ beschouwd en was veiligheidshalve net van Wenen naar Praag verhuisd.

Zeer goed bewust van wat hem te wachten stond, koos de oude Carl Moll voor de dood. Toen de Russische troepen in 1945 op het punt stonden Wenen in te nemen, pleegde hij zelfmoord, samen met zijn zoon en schoondochter.
Daarna kwamen Moll en zijn werk in het vagevuur terecht. Ze werden verzwegen en kwamen zelden of nooit nog aan bod in overzichtstentoonstellingen. Een lot dat wel meer artiesten uit die periode te beurt viel.

Yves

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s