Hoe zelfoverschatting en intellectuele leegte tot (slechte) kunst te verheffen.

Een kunstminnende mens moet bij de tijd blijven. Dat je daarvoor een zakenkrant moet lezen, zegt veel over de kwaliteit van de Vlaamse media, maar kom…
Aangetrokken door het perspectief van het gratis Kaaiman-boekje met de gebundelde columns van Koen Meulenaere kwam het er weer eens van: de ‘Tijd’ aan de zaterdagse ontbijttafel. De roze krant (de Financial Times achterna) gaat op zaterdag vergezeld van een reclamevehikel genaamd Sabato (יום שבת, in het Hebreeuws). Het type magazine dat vroeger ‘glossy’ werd genoemd, zij het dat het tegenwoordig op lekker zacht aanvoelend mat papier wordt gedrukt. Het voelt aan als drielagig toiletpapier. Het bevat trouwens ook heel wat shit. Over de nieuwste trends in binnen- en buitenhuisdecoratie, parfumerie en cosmetica, damesmode en dus ook Kunst. Of wat daarvoor moet doorgaan.
Deze week ging het, in een rijkelijk geïllustreerd artikel, over Jan De Cock (Nomen est omen). Ik vermoed dat de zelfverklaarde Meester Beeldhouwer in alle bescheidenheid heeft gemeend dat het tijd werd om de goegemeente kond te maken van zijn nieuwe inzichten. Het is waar: we waren hem bijna vergeten. Dat lag natuurlijk volledig aan ons. We hebben nu eenmaal niet de gewoonte zélf op zoek te gaan naar nieuws over Meester Oplichters in de Kunsten. Daar heb je gespecialiseerde critici, riooljournalisten, broodschrijvers of copywriters voor.

38.jan de cock (gec)
Jan De Cock voor een recent schilderij (foto Alexander D.Hiet)

Hoe verder ik las, hoe meer ik de indruk kreeg dat de Laatste der Vlaamse Primitieven (his words) het slachtoffer was geworden van een practical joke. Nietsvermoedend werd hij voor zijn doelgroep (de welstellende, West-Vlaamse neringdoener) te kakken gezet als de zelfingenomen beotiër die hij is. Het is altijd leuker en efficiënter als zulke blaaskaken de poten van hun zelfgetimmerde troon dóórzagen. Tenslotte is Jan Frederik De Cock (zijn nieuwe merknaam, werd ons minzaam medegedeeld) ook een Meester Schrijnwerker, dus van poten doorzagen heeft hij wel kennis. Hij heeft dat trouwens ten overvloede bewezen toen hij in Brussel op een niet te evenaren wijze een samenwerking met de Sint Lukas/Sint Lucasscholen opzette. Wat aanvankelijk een grootmoedig, altruïstisch project leek, draaide binnen de kortste keren uit op een fiasco, waarbij de kunstschool en de gemeenschap voor nogal wat onvoorziene kosten opdraaiden. De boel (het Brussels Art Institute) werd uiteindelijk opgedoekt, waarna de Meester een ‘burgermanifest’ van zeven pagina’s publiceerde waarin hij iedereen – zonder enige uitzondering behalve zichzelf – tot achterlijke debielen uitriep, om vervolgens een klacht mét burgerlijke partijstelling tegen vier mediagroepen neer te leggen wegens “het doodzwijgen van de inlandse culturele elite (…), wij vreemden”. De tekst en de klacht werden op hoongelach onthaald, niet in het minst door de woordenbrij en de wartaal waarin De Cock zijn ideeën probeerde te formuleren. De Cock leek alle krediet verloren te hebben, letterlijk en figuurlijk. Hij diende gebouw en inboedel te laten veilen.

Enfin, zoals men in Brussel pleegt te zeggen, blijkbaar had hij toch nog wat centen over om een voormalige Olivetti-fabriek en een Palladiaans huis in de buurt van Turijn te kunnen kopen om daar een gelijkaardig project op te zetten. Hoe het daar verder mee zit, komen we in het artikel niet te weten. Wél worden we ten overvloede rondgeleid in zijn nieuwste stek in Brugge. Een huurhuis ditmaal, we komen zelfs de naam van de Knokse immomakelaar te weten – voor wat hoort wat, in die middens. In zijn oneindige goedheid heeft de “Grootste Beeldhouwer van zijn generatie” (sic) besloten het provinciestadje te vereren met zijn aanwezigheid en er een culturele Renaissance op gang te brengen. Helemaal in zijn eentje. En belangeloos, dat spreekt. Oké, zijn huis en kelder zijn volgestouwd met onverkochte rommel, maar die mag nu weg voor een zacht(er) prijsje. De Cock werkt nu namelijk zonder galerie, dus dat scheelt algauw een stevige slok op de borrel. Zijn doelgroep zal het graag horen! Of zijn eerdere kopers de solden evenzeer zullen smaken is nog maar de vraag! Zijn strapatsende Hoogheid had al de waarde van hun aankopen gekelderd, en nu dít…
“Ik wil weg uit het verstikkende kapitalistische systeem van galeries en veilingen dat de kunstwereld verziekt heeft.” verzucht de man die inderdaad geen galerie meer bereid vindt hem te vertegenwoordigen. Hij heeft er over de jaren wel een paar tientallen versleten, en niet de minsten, die in zijn peptalk en talrijke Manifesten geloofden. Of deden alsof.
Maar vrees niets: ondertussen houdt zijn bevriende immobiliënmakelaar de zaken draaiende en heeft de Meester een eerste leerling toegelaten die hij het vak zal leren. “voorlopig gratis” verduidelijkt de Cock. Op termijn moeten het er twaalf worden.
Een messias heeft nood aan volgelingen, maar of de blijde boodschap zal blijven aanslaan?

Yves

The Factory aan de reien
Sabato/De Tijd 21/12/2019

 

Het meisje zónder parel

Er zijn aangenamer dingen in het leven dan het lezen van testamenten of boedelbeschrijvingen.
Wanneer het om lang vervlogen tijden gaat, zijn deze gortdroge teksten vaak de enige betrouwbare bronnen om het sociaal-economisch referentiekader van een kunstenaarsloopbaan te leren kennen. Biografieën hebben vaak de neiging de zaken óf te romantisch óf te miserabilistisch voor te stellen. Denk hierbij vooral aan ‘La Bohème’, met berooide artiesten op tochtige zolderkamers, tuberculose incluis.

Waar het de ‘Gouden’ Eeuw betreft komt daar gelukkig (voor ons) bij dat de inwoners van de Zeventien Provinciën blijkbaar onverbiddelijke querulanten waren die elkaar voor het minste geringste processen aandeden en klachten en tegenklachten formuleerden. Het waren inderdaad gouden tijden voor advocaten en notarissen. Deze laatsten werden om de haverklap opgetrommeld om getuigenverklaringen te noteren in verband met aangedaan onrecht of uit de hand gelopen ruzies. Het kon over de vreemdste zaken gaan.
Zo las ik een verklaring van twee getuigen dat de schoonmoeder van Johannes Vermeer door haar opvliegende echtgenoot bont en blauw was geslagen en halfnaakt het huis uit gejaagd, omdat ze zich beklaagd had niet te kunnen slapen omwille van de kippen die hij boven de bedstee hield! In die tijd leek niemand dat vreemd te vinden, dat van die kippen.

Naast klachten over huiselijk geweld en luide kippen, hadden notarissen natuurlijk ook als taak de talrijke transacties tussen hun medeburgers in onbetwistbare vorm op papier te zetten. Aankopen van huizen, huurcontracten of leningen zijn zo, netjes gedocumenteerd, tot ons gekomen en leren ons veel over armoede of welstand van deze of gene. Wanneer het echt mis liep, bijvoorbeeld bij een faillissement, een echtscheiding of een overlijden, werd nauwgezet een staat opgemaakt van huisraad, linnengoed, kleding en bezittingen, ten behoeve van schuldeisers, rechthebbenden of erfgenamen.
Zo weten we met zekerheid dat het ‘Meisje met de Parel’ van Vermeer, misschien wel een meisje was, maar zeker géén parel droeg!

'Het Meisje met de Parel', Johannes VERMEER, (ca 1665-1667)
‘Het Meisje met de Parel’, Johannes VERMEER, (ca 1665-1667)

Vermeer stierf namelijk berooid. Zijn echtgenote probeerde nog wel een schilderij van haar overleden man aan de inventaris te onttrekken, maar dat lukte maar half: haar moeder zou nog jaren moeten procederen om de ‘Allegorie op de Schilderkunst’  tot haar bezit te mogen rekenen.

De schulden die de schilder had nagelaten – voornamelijk het gevolg van de kosten om zijn eigen grootvader uit de gevangenis te houden – waren van die orde dat zijn vrouw zich onvermogend moest laten verklaren.
Vermeer bezat dus geen parel. Cultuurparels bestonden niet in de zeventiende eeuw, dat werd pas vorige eeuw mogelijk gemaakt, dankzij de Japanner Mikimoto. En een natuurparel van die grootte zou zo zeldzaam zijn geweest dat die enkel voor de superrijken zou weggelegd zijn. Eén zo’n parel zou in een klap méér dan alle geldzorgen van Catharina Bolsens hebben opgelost. Geen parel, dus. Maar wat draagt het meisje zonder parel dan wél?
Er bestonden in die tijd natuurlijk namaakparels uit gevernist glas of zilver. Glas geeft wel een heel ander soort glans dan wat Vermeer hier zo secuur neerzet en zilver was ook vreselijk duur! Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om een tinnen sieraad. Gepolijst tin heeft namelijk een prachtige, ietwat grijze glans. Probeer het eens met het bordje Oost West, Thuis Best van oma: wassen met een sopje van warm water en soda, afspoelen met warm water, laten drogen en inwrijven met zuurvrije was (bijenwas of blanke was), tenslotte oppoetsen met een zachte doek.

Yves