Verboden te lezen!

Waarschijnlijk had u nog nooit gehoord van het café ‘Spot Fenix Portela’ in Loures. Ik ook niet. Loures is een stad(je) ten Noorden van Lissabon. Ik ken het alleen van er over de autostrade langs te rijden op weg naar de hoofdstad of de luchthaven . Er schijnt ook een vestiging van Ikea gevestigd te zijn. U bent verwittigd!
‘Spot Fenix Portela’. Zo’n naam laat vermoeden dat er ooit een café Portela bestond dat over de kop is gegaan en uit zijn as herrezen is op dezelfde hotspot.
Die Spot Fenix Portela kwam gisteren in het nieuws via een stuk in de Portugese kwaliteitskrant ‘Diario de Noticias’, u weet wel, de krant die zich beroept op het feit dat het ooit een Nobelprijswinnaar literatuur onder zijn medewerkers telde. José Saramago begon er als letterzetter, maar kom. In het artikel (een staaltje van ‘investigative journalism’) kwam aan het licht dat Spot Fenix Portela – Portela is de naam van de luchthaven van Lissabon, Zaventem quoi, dus dat café lag oorspronkelijk misschien wel naast de landingsbaan, wat een faillissement kan uitleggen, natuurlijk – er kwam dus aan het licht dat in voornoemd café niet mag gelezen worden. U leest het goed; er mag niet gelézen worden! Geen krant, geen tijdschrift, geen boek, geen cursus. Er mag niét gelezen worden. Punt.
Een beetje onderzoeksjournalist die op zulke rariteit in horecawereld gewezen wordt door een verbolgen lezer (!) spoedt zich natuurlijk ter plekke om hier het fijne van te weten. En neemt de proef op de som.

Verboden te lezen !Spot Fenix Portela is gelegen in het lieflijk parkje Jardim Almeida Garrett. Je verzint het niet: João Baptista da Silva Leitão de Almeida Garrett (1799-1854), eerste burggraaf van Almeida Garrett, wordt beschouwd als de belangrijkste Portugese dichter van het romantisme. Hij was ook toneelschrijver, auteur van historische romans en volbloed revolutionair (let wel: van de  ‘liberale’ revolutie van 1820; hij werd twee jaar voor zijn dood tot de adel verheven). Dat uitgerekend het cafeetje in zijn park er zulk obscurantistisch gedachtegoed op na houdt wijst op zijn minst op een gebrekkig historisch besef. Cafébazen, u moet ze míj niet leren kennen!
De proef op de som bestond er voor de journalist in om een koffietje te bestellen en – wat had u gedacht – de Diario de Noticias open te slaan. Meteen werd hij tot de orde geroepen: “Não esta a ver o aviso?” Zie je het bericht niet? waarbij nors naar een waarschuwende affiche werd gewezen. ‘Não é permitido estudar ou ler (jornais, revistas, livros,…) na esplanada!’ Een totaalverbod op lectuur op het terras van het café!
Portugezen zijn van nature vriendelijke, zelfs meegaande mensen. Er zijn echter twee dingen waar ze het moeilijk mee hebben: regels en onrecht. Vooral als ze het gevoel hebben dat die regels hén onrecht aandoen. Er zijn al revoluties voor uitgebroken! Liberale en andere.
Enfin, van het ene onvriendelijke woord kwam de andere belediging en uiteindelijk werd de politie erbij gehaald, die met enige tegenzin moest vaststellen dat geen enkele wet werd overtreden, maar dat anderzijds de uitbater ook het constitutionele recht had gedragsregels op te leggen in zijn eigen zaak. Dat werd dan weer tegengesproken door de journalist die, op alles voorbereid, de diensten van de Procurador da República had geconsulteerd. Die stelden dat enkel in geval van manifeste overlast artikel 27 van de Portugese grondwet, die de Vrijheid van de burger garandeert, kan ingeperkt worden. Lezen op een terras met nog voldoende vrije zitplaatsen  en dat door een consumerende klant, valt daar voorlopig nog niet onder.
Gelukkig kennen Portugese handelszaken een verplichte ‘Livro de reclamações’ (klachtenboek) waarin de journalist zijn ongenoegen over de situatie kon ventileren, om vervolgens zijn Diario verder te gaan lezen, gezeten op het muurtje rond het terras.
En er een vlammend artikel aan te wijden.

Yves

https://www.dn.pt/pais/interior/ha-um-cafe-que-proibe-a-leitura-de-jornais-revistas-e-livros-e-pode-11134143.html

Fély pour les dames!

Namur (Na-meur, zoals de locals het uitspreken) is een charmant provinciestadje. Waaraan Namen/Namur de eer te danken heeft de officiële hoofdstad van het Waals Gewest te zijn, wil ik zelfs niet geweten hebben. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met afgunst tussen grotere steden.

Op een zomerzondag trekken wij dus zuidwaarts, gewapend met ons beider Sesam. De site van de Museumpas heeft ons geleerd dat het Ropsmuseum met het kleinood in de hand vrij toegankelijk is. Verdere navigatie raadt ons aan de auto buiten het centrum te stallen, op de betalende parking alwaar een ‘navette’ ons tegen enige contanten naar het centrum zal brengen. Het centrum van Na-meur is namelijk voor een groot deel autovrij, heet het. Dat was buiten de waard gerekend. Of liever: buiten de plaatselijke kermis die voornoemde parking in beslag nam. We reden dus op goed geluk het centrum in, tot aan de rand van de verkeersvrije zone. We vonden er probleemloos een parkeerplaats, die bovendien gratis bleek op zon- en feestdagen.

Het Musée Rops ligt in de smalle rue Fumal, vlak aan de Église Saint-Loup (daarover straks meer). Het gebouw is niet meer dan een uit de kluiten gewassen herenhuis. Ik schat dat het eind jaren zeventig, begin jaren tachtig van de vorige eeuw grotendeels verbouwd werd naar de huidige toestand. Verwacht dus geen blitse architecturale hoogstandjes of innovatieve museale ingrepen. Het is wat het is en het doet wat het moet doen, namelijk in goede omstandigheden het werk tonen van Félicien Rops (Fély, pour les dames). En, het dient gezegd, het Musée doet dat goed. Dat is natuurlijk helemaal te danken aan de figuur en het werk van Duivelskunstenaar Rops.
Als zoon van een textielfabrikant in het burgerlijke provinciestadje, koos Rops al snel eieren voor zijn vroeggestorven vaders geld en verkaste hij naar Brussel, waar hij even aan de Université Libre ingeschreven was. Hij begon er karikaturen te tekenen voor diverse studentikoze blaadjes en raakte bevriend met talrijke schrijvers. Daarnaast volgde hij schilderlessen bij Ernest Slingeneyer, wiens vrij ‘Atelier Saint-Luc’ wel meer avant-garde kunstenaars onderdak en modellen bood. Na zijn spraakmakende start als karikaturist – na de publicatie van een van zijn tekeningen werd hij zelfs door een beledigde officier tot een duel uitgedaagd! – werd Rops een veelgevraagd en later ook vetbetaalde illustrator. Aangezien België, in tegenstelling tot Frankrijk, geen officiële censuur kende – publiceerden veel Franse auteurs politiek of zedelijk gewaagde werken in Brussel. Uiteindelijk zou Rops naar Parijs verhuizen, dichter bij zijn vrienden dichters en zijn twee maîtresses, de gezusters Duluc, eigenaressen van een bloeiende modezaak – hij ontwierp er zelfs jurken voor!
Félicien Rops was een kind van zijn tijd, een emanatie van de vrijzinnige bourgeoisie die koketteerde met socialisme, anarchisme, theosofie, esoterisme, vrije liefde e tutti quanti…
Bij Rops resulteerde dat in meedogenloze observaties. Zijn bordeelscènes, bijvoorbeeld, zijn zowel erotisch geladen zedenschetsen als raak getypeerde tijdsdocumenten: in die tijd van gearrangeerde huwelijken, werd bordeelbezoek als normaal, ja zelfs als hygiënisch nodig beschouwd in burgerkringen. Rond hun zestiende brachten vaders hun zonen bij de Meisjes om hen in te wijden in de ‘liefde’. Seks na het huwelijk had voornamelijk als functie voor erfgenamen te zorgen, en dan nog liefst mannelijke.

L'enlèvement - Calvaire - Félicien Rops
 L’enlèvement – Calvaire, 1882 – Félicien Rops

Ondanks de strenge controles en het wekelijks doktersonderzoek van de dames, waren venerische ziekten een plaag. Syfilis eiste toen waarschijnlijk meer doden dan aids nu.
Dood en verval in combinatie met sex zijn dan ook een geliefd thema bij Rops. Men zou het als een vermanend opgestoken vingertje kunnen zien, maar ‘Fély’ geniet ook duidelijk van het virtuoos uitbeelden van de zonde des vlezes. Niets menselijks is hem vreemd en hij grijpt dan ook de kans om de burgerlijke, katholieke moraal een welgemikte schop onder de kont te geven. Christusfiguren, aan het kruis genageld worden door wulpse deernen belaagd, waarbij het niet meteen duidelijk is of hun adoratie naar de lijdende Zoon van God gaat of naar zijn buitenmaatse erectie, Priapos waardig. Kloosterzusters laten zich goed gaan en de verzoekingen van de Heilige Antonius moet u niet ver gaan zoeken.
Dat Vrijmetselaar Rops niet echt in de smaak viel bij de weldenkende katholieke burgerij is dus een understatement. Te satanistisch, waarschijnlijk, te zeer een artists’ artist.
Wat vreemd is dan ook dat het museum, naast de vaste collectie, een expositie wijdt aan Henry de Groux, waarvan ‘Le Christ aux outrages’ (Christus beschimpt) in de vlakbijgelegen… Église Saint-Loup moet bezocht worden. De tentoonstelling met het zwaar, schreeuwerig en bombastisch, symbolistisch werk van de Groux (zoon van een goede vriend van Rops), was enigszins een afknapper, maar nam niets weg van het plezier van ons bezoek. De Saint-Loupkerk zelf is trouwens op zich al een bezoek waard. Die gewelven! Die biechtstoelen! Die zuilen! Die Jezuïeten hadden verdorie smaak! En geld, natuurlijk. Véél geld.

Yves

Musée Félicien Rops
12 Rue Fumal – 5000 Namur
open dinsdag tot zondag van 10 tot 18u (alle dagen in juli en augustus)

www.museerops.be