Eindejaarssomberte

Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan.
“Ben jij niet véél te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna 10 minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat ze om 12u22 kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (wààr ging dit heen?) maar deze bus reed finaal óók richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.
Ik mocht vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260 maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met déze bus sneller op mijn bestemming zou zijn.
Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.

“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. 14 dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed… Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen. Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer terug zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en…
Ik maakte me los van deze praatgrage man, “Ik ga je gerust laten; jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”

Ik ging vooraan zitten lezen. Werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit zodat ik me kon concentreren op mijn boek. Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren waar er nog plaatsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.
Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik kéék inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.

Zou ik nog wat verder lezen, was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over 10 minuten… Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.
drukke Nieuwstraat
Aan het Rogierplein sprong ik er uit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pré-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat méér opbrengst genereren?
Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg, wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent. Opnieuw -net als vorig jaar- nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.

Mattie

Macht, Rijkdom en Schoonheid

Hoe kan een familie zó rijk worden dat een fractie van haar kunstcollectie een Leuvens museum vult en nog een boeiende tentoonstelling oplevert ook?
Je mag jezelf de vraag niet stellen of daar gaat de helft van het plezier!
De Arenbergs haalden hun prestige uit hun krijgsverrichtingen ten dienste van de opeenvolgende Heersers over de Nederlanden. Hun fortuin verwierven ze voornamelijk uit de immense landeigendommen die ze in de loop der eeuwen samenbrachten. De Heren van Arenberg bezaten gronden van Vlaanderen tot Oostenrijk. Familiale allianties door strategische huwelijken deden de rest.
Naast de honderden (duizenden?) pachters die hun bijdrage in natura afstonden, exploiteerde de ondernemende familie vanaf de 16de eeuw ook ijzermijnen, bezat eigen hoogovens en steengroeven, runde een zijdeweverij in Edingen en was een van de grootste boseigenaars in Europa.
Kortom, de Arenbergs waren niet bepaald behoeftig.

Zaalzicht-macht-schoonheid

Geld gaat zelden gepaard met goede smaak, integendeel. Wanneer grote fortuinen ook grote kunstcollecties bezitten, is dat meestal te danken aan een enkele verlichte geest die er de basis van legde. Het komt niet vaak voor dat generatie op generatie dezelfde lijn van mecenaat verderzet. De Medici zijn dun gezaaid op deze planeet.
Het geslacht Arenberg, van zijn kant, heeft over de eeuwen heen bewezen dat niet altijd de meest spectaculaire kunstwerken de waarde van een collectie uitmaken, of de grootste namen.
Zo kan je op de tentoonstelling in het M-museum in Leuven, een aantal stukken zien die op zich niets wereldschokkends hebben, zelfs wat aandoenlijk ogen, en deze expositie net daardoor op een hoger niveau tillen. Ik denk hierbij aan de ‘kostuumzaal’ met aan de wand een reeks aquarellen die op nogal stuntelige, naïeve wijze de aankleding van de diverse kamers in het Brusselse Hotel Arenberg voorstellen. Compleet met de namen van de afgebeelde personages erbij. In diezelfde zaal staan op de centrale ‘catwalk’ de meest diverse kledingstukken opgesteld. Moeilijk om er niet bij te bedenken dat, in die tijd, een doorsnee boerengezin waarschijnlijk ruim een jaar zou kunnen overleven op de kostprijs van het minste vestje dat hier getoond wordt.
Van een heel andere orde in een andere zaal, en wél spectaculair, zijn de reusachtige stadsgezichten die nauwkeurig elk mogelijk detail van Antwerpen, Brussel en Amsterdam weergeven. Hier wordt duidelijk waarom de fotografie node moest uitgevonden worden.

Een tentoonstelling die vijfhonderd jaar familiegeschiedenis aan de hand van schilderijen, juwelen, artefacten of boeken omspant, wil zowel de kunstliefhebber als de geschiedkundige aanspreken. Dat is hier zeker gelukt, al is het wél even zoeken naar de beloofde Rubens (mooi, gevoelig meisjesportret) en het Dürer-Album (virtuoze techniek!) tussen het enorme aanbod.

Yves

Macht en Schoonheid
tot 20 januari 2019
M-Museum
Leopold Vanderkelenstraat 28,
3000 Leuven
(gesloten op dinsdag)
expo in het kader van het Arenbergfestival

Black out?

28.Kerstdolligheid nog meer
Stadhuis Mechelen begin december bij dreigend elektriciteitstekort…

Van Brussel wist ik het al. Van Antwerpen ook.
Wégblijven tot ruim na Nieuwjaar was de boodschap. Wegens Winterpret en overdosis Bing Crosby (voor de jongeren onder ons: denk Jingle Bells en White Christmas en je weet wat ik bedoel…)
Maar Mechelen.
De stad die er prat op gaat door de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld bestuurd te worden.
Uitgerekend Méchelen!
Een mens is nergens meer veilig. Wat een rustige wandeling van de Onze-Lievevrouwestraat (boekhandel de Zondvloed) via de Bruul naar het gezellig Marokkaans eethuisje even voorbij de Grote Markt had moeten worden, bleek op een visuele nachtmerrie uit te draaien. We hadden het voelen aankomen, natuurlijk: de eerbiedwaardige Brusselse Poort kreunde al onder wat sommigen een sfeervolle kerstverlichting zullen noemen: witte ijspegels die voornoemde witte Kerst moeten evoceren. Een mens zou voor minder een stal opzoeken om te bevallen.
Over de Bruul kan ik kort zijn. Het is een winkelstraat, dan weet je het wel! Maar wat gezegd van het huis waar de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld kantoor houdt?  De foto spreekt boekdelen, denk ik. Waar is de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld als je hem nodig hebt? Of de bevoegde Schepen van Electriciteit? Ook de Beste-Ter-Wereld, naar het schijnt. Hebben ze plots een black out? Misschien gewoon vergeten het licht te doven bij het verlaten van het Stadhuis. Niemand is perfect, zélfs niet de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld.

Yves

 

10 misvattingen over Pessoa rechtgezet (of niet)

In het straatbeeld van Lissabon is Fernando Pessoa alomtegenwoordig. De man die tijdens zijn leven de discretie zelve was en niet van zijn uiterlijk hield (hij haatte foto’s) is nu te vinden op elke straathoek. In het beste geval in de etalages van de talrijke boekhandels die de Portugese hoofdstad rijk is, als onderdeel van op toeristen gerichte marketingcampagnes. Neem daarbij de postkaarten, t-shirts, ontbijtmokken, siertegels of andere prularia die zowat overal te koop aangeboden worden en de indigestie is nabij. We zagen ooit zelfs een heuse Pessoa-set, compleet met neus, bril en snor!
Toeristen trekken selfies gezeten naast de bronzen versie van de Meester op het terras van het café a Brasileira do Chiado. Weinigen weten dat Pessoa er weliswaar kwam, maar zeker niet van harte. In een brief aan een bevriende journalist schreef hij zoiets als: “Ik hààt die plek, met al die pseudo-intelectuelen en would-be schrijvers!”. Fernando Pessoa kwam wel in een gelijknamig – ondertussen verdwenen – koffiehuis in de benedenstad, a Brasileira da Baixa. Het koffiemerk ‘a Brasileira’ (de Braziliaanse) bezat verschillende zaken.
Enfin, er valt veel recht te zetten, als het over de figuur Pessoa gaat! Het zijn soms triviale feiten die weinig essentieels toevoegen aan een beter begrip van zijn oeuvre, maar de waarheid heeft haar rechten en, zoals de Fransen zo mooi zeggen: “l’Histoire est faite de petites histoires!”…
Tijd voor een poging tot onderscheid van mythe en werkelijkheid.

Casa-Fernando-Pessoa2
Casa Fernando Pessoa – Rua Coelha da Rocha 16, Lisboa

1. Fernando Pessoa leefde in armoede.
Net als in het geval van Vincent van Gogh is dit een kwakkel! De alleenstaande van Gogh ontving een rijkelijke maandelijkse toelage van zijn broer Theo. Dat zijn tweewekelijks bordeelbezoek hem telkens 15 francs kostte, stortte hem niet meteen in de diepste armoede!
Pessoa zat wel eens krap bij kas, maar leende dan probleemloos wat geld bij meer gefortuneerde vrienden. Hij had netjes uitgerekend (de nota is bewaard) hoeveel hij uitgaf en was tot de conclusie gekomen dat vier halve dagen kantoorwerk per week volstonden om in zijn levensonderhoud te voorzien, de rest van zijn tijd kon hij dan aan de literatuur wijden. Hij beschikte over de sleutels van de bedrijven waarvoor hij werkte, zodat hij zijn uren naar eigen goeddunken kon regelen.
Erop gebrand steeds als een gentleman door het leven te gaan, wou hij er graag als dusdanig bijlopen. Zijn nagelaten papieren bevatten enkele beleefde herinneringen voor openstaande rekeningen bij een van de betere kleermakers van de stad, de nog steeds bestaande Lourenço & Santos, aan de Praça dos Restauradores. De dagelijkse bezoeken van zijn barbier-aan-huis, kunnen voor de burgerij van die tijd ook niet als buitensporig worden beschouwd. Die man ruimde elke morgen zijn kamer wat op en voorzag de schrijver van sigaretten en drank.
Pessoa verdiende bij als opsteller van reclameteksten en mede-uitgever van een handelsgids waarvoor hij advertentieruimte ronselde. Daarnaast schreef hij artikels voor verschillende kranten en vertaalde hij boeken (voornamelijk over occultisme en paranormale verschijnselen) in opdracht van Franse en Engelse uitgeverijen. Hij dacht er ook even aan zich als …astroloog te vestigen en stelde regelmatig tegen betaling horoscopen op onder de naam Raphael Baldaya.
Voor wat betreft zijn diverse literaire projecten vond Pessoa meestal geldschieters. Zo was de vader van de dichter Mário de Sa-Carneiro de financier van de twee eerste nummers van het tijdschrift Orpheu.
Zijn eigen stoomdrukkerij-uitgeverij ‘Ibis’, die hij met geld uit een erfenis opricht, gaat echter snel over de kop.
Pessoa leefde ook steeds in ‘deftige’ buurten, hetzij bij familie, hetzij op kamers. Hij verhuisde vaak, maar nooit naar goedkopere wijken zoals Alfama of Amoreiras, nochtans ook op wandelafstand van zijn geliefde Benedenstad.

2. Fernando Pessoa werkte als kantoorklerk.
Die misvatting is te wijten aan het feit dat de ik-figuur van O livro do desassossego (het boek der rusteloosheid), kantoorklerk-hulpboekhouder is in een handelszaak in de Rua dos Douradores, dezelfde buurt waar Pessoa werkte.
Pessoa was voornamelijk drietalig (Engels-Frans-Portugees) free-lance vertaler van handelscorrespondentie. Dat hij hogelijk gewaardeerd werd blijkt uit de vrijheid waarover hij beschikte in die functie. Hij zat ook nooit verlegen om werk.

3. Fernando Pessoa was homoseksueel.
Een van de langste gedichten van Pessoa, het in het Engels geschreven Antinous, gaat over het hevige verdriet van de Romeinse keizer Hadrianus bij de dood van zijn jonge minnaar Antinous. Het gedicht uit 1918 bevat duidelijk homo-erotische passages.
Onder zijn impuls verscheen bij uitgeverij Olisipo de zeer controversiële bundel Canções (Liederen) van António Botto. Pessoa moest in de pen kruipen ter verdediging van de openlijk homoseksuele schrijver. Noch diens levensstijl (hoge ambtenaar, getrouwd maar openlijk homoseksueel met veel minnaars…), noch zijn esthetiserende homo-erotische gedichten werden gesmaakt door de goegemeente.
Pessoa’s beste vriend, de eveneens homoseksuele dichter Mário de Sa-Carneiro, pleegde in 1916 zelfmoord in Parijs. Er is veel gespeculeerd over de aard van die vriendschap, maar in geen enkele brief ontdekt men iets dat zou kunnen wijzen op seksuele relaties tussen de twee mannen.
Die afwezigheid van seksualiteit is ook treffend in de brieven die Pessoa naar zijn enige gekende geliefde, Ofélia de Queiroz, stuurde tijdens hun twee periodes van verkering. Ook haar antwoorden blijven zeer zedig, zoals het een meisje van de toenmalige burgerij betaamde.
Vermoedelijk stierf Fernando als maagd.

4. Fernando Pessoa was (voor een deel) van Joodse origine.
Pessoa koketteerde zélf met een vermeende Joodse komaf: in een literaire vragenlijst omschreef hij zichzelf als hebbende “vaag Portugees-Joodse gelaatstrekken te wijten aan een kwart Joods bloed aan moederszijde”.
Misschien stamde zijn moeder af van zogenaamde ‘novo cristianos’ (onder dwang tot het christendom bekeerde Joden) en haalde hij die kennis uit familieverhalen? In het oer-katholieke Portugal van die tijd werd daar – de inquisitie indachtig – niet openlijk over gesproken. Tenslotte werd de wet op ‘Vrijwillige Terugkeer van verjaagde Joden’ pas in 2003 unaniem door het Portugese parlement aangenomen! Alleszins wordt Pessoa als Joods schrijver opgenomen in de lijst van Jewish poets and lyricists van de Joodse website http://www.jinfo.org. Er staat wel bij: “Jewish ancestry/degree unclear”. Misschien is het dus waar, misschien ook niet.

5. Fernando Pessoa bedacht zijn vier belangrijkste heteroniemen op één nacht tijd.
In een beroemde brief van 13 januari 1935 aan Adolfo Casais Monteiro, schrijft Pessoa dat hij op 8 maart 1914, staande aan een hoge lessenaar, als in extase begon te schrijven en dat vervolgens “de bucolische dichter Alberto Caeiro in hem verscheen.” In diens naam schreef hij achtereenvolgens een dertigtal gedichten. Vervolgens verscheen Ricardo Reis, een neo-klassiek volgeling van de Meester en ook de modernist Álvaro de Campos, wiens gedicht dan ook op een (moderne) schrijfmachine werd getikt: de Ode Triunfal.
Dit verhaal over de ‘oerknal’ van het oeuvre van Pessoa is jarenlang als waar overgeleverd. Wetenschappelijk onderzoek bewees onomstotelijk dat Pessoa hier zijn zoveelste mystificatie heeft opzet. Tekstanalyse toont dat sommige gedichten door de schrijver geantidateerd zijn om dat romantische verhaal te doen kloppen. Hij gebruikte trouwens van in zijn prilste jeugd fictieve personages als alter ego’s, hetzij om de eenzaamheid te verdrijven, hetzij om er een fictieve correspondentie mee te voeren. O poeta é um fingidor (de dichter is een veinzer).

6. Fernando Pessoa was een alcoholist.
Niemand zag Pessoa ooit dronken (er zijn alleszins geen getuigenissen van gekend), daarvoor was hij te zeer gentleman. Wel is zeker dat de schrijver teveel dronk. Vooral ’s nachts wanneer hij schreef. Pessoa leed aan slapeloosheid en schreef en dronk hele nachten door. Overdag had hij de gewoonte om tussen het werk door even “naar Abel” te gaan. Een vrijpostige jonge bediende wierp hem ooit toe: “Maar Doutor Pessoa, u drinkt als een spons!”, waarop de schrijver onverstoorbaar repliceerde: “Als een spons? Als een ganse sponzenwinkel, zal je bedoelen. En met het magazijn erbij!” Zijn drankgebruik had blijkbaar geen noemenswaardige invloed op zijn werk: iedereen bleef vol lof over zijn kwaliteiten als vertaler en hij werd regelmatig aanbevolen voor nieuwe opdrachten.
Op de achterzijde van een foto die hij zijn geliefde Ofélia liet bezorgen, noteerde hij de woordspeling: “Em fragrante delitro!” (“Op literdaad betrapt!”). De opname toont hem, een glas wijn aan de lippen, staand aan de toonbank van Abel da Fonseca, een wijnbar in de discrete Rua da Bandeira, op wandelafstand van kantoor. Een afdruk van de foto hangt er nog achter de toog.

Pessoa-em fragrante delitro
Pessoa in Abel da Fonseca (wijnbar Rua da Bandeira)

7. Fernando Pessoa was vrijmetselaar.
Het staat vast dat Pessoa aangetrokken was door filosofie en occultisme. Meer nog dan nu, deden aan het begin van de twintigste eeuw de wildste verhalen de ronde over de vrijmetselarij. De geheimdoenerij binnen de Loge was zowel oorzaak als gevolg van de haat die in katholieke kringen aan het genootschap werd toegedragen. Ook inzake zijn eventueel lidmaatschap onderhield Pessoa de dubbelzinnigheid. Hij was niet vies van enige controverse. Toen Salazar een wet liet goedkeuren om het lidmaatschap van ‘geheime genootschappen’ (lees: de vrijmetselarij) aan banden te leggen, veroordeelde Pessoa in een krantenartikel deze maatregel in de scherpste bewoordingen, zonder zich tot het filosofisch genootschap te bekennen.
In een enquête opgezet door een literair tijdschrift uit Coimbra, beantwoordt hij de vraag over lidmaatschap van sociale, filosofische  of religieuze verenigingen, met: “ingewijd (van Meester tot Meester) in de hogere graden”. Een grapje, waarschijnlijk…
In de brief waarmee hij zijn relatie met Ofélia definitief verbreekt, schrijft hij dan weer: “Mijn Werk luistert naar Meesters die noch vergeven, noch vergeten; je wordt niet verondersteld dat te begrijpen”. Beide uitspraken mogen gerekend worden tot restanten van de symbolistische romantiek uit zijn jeugdjaren.
Portugese vrijmetselaars, hierover aan de tand gevoeld, antwoordden zonder de minste aarzeling:  “Fernando Pessoa werd nooit ofte nimmer ingewijd in een Portugese vrijmetselaarsloge! Helaas.”

8. Fernando Pessoa liet een hutkoffer met 27.543 pagina’s tekst na.
In 1975 droegen de erfgenamen van de schrijver de beruchte ‘baú’, waarin de schrijver zijn papieren bewaarde, aan de Portugese Staat over. Tegen een fikse vergoeding, welteverstaan. Die hutkoffer bevatte 27.543 tekstfragmenten, neergeschreven op alle mogelijke dragers: van notaboekjes, oude enveloppen, achterkanten van drukwerk, tot stomerijrekeningen: Pessoa recycleerde avant-la-lettre!
Helaas vormden deze schrijfsels niet het volledige nalatenschap: in de veertig jaar na zijn dood konden nogal wat mensen bij de paperassen van Pessoa! Wetenschappelijke onderzoekers, studenten en ook familie van de schrijver hadden regelmatig toegang tot de kist. Kisten zou correcter gesteld zijn, want uit de getuigenis van zijn nicht weten we dat Pessoa, behalve de grote hutkoffer nog over minstens één kleinere kist beschikte om papieren in op te bergen. Van die kist en haar inhoud is geen spoor. De familie maakte ook regelmatig manuscripten te gelde: getuige daarvan de grote veiling die zou worden gehouden in Londen. Die ging niet door omdat de tante van Pessoa het geheel aan de Portugese Staat verkocht. Ondertussen waren wel interessante fragmenten van het werk verdwenen. Het gevolg is dat, alle inspanningen ten spijt, wij nooit over het volledige werk van het Portugese genie zullen kunnen beschikken.

9. Fernando Pessoa voorspelde zijn sterfdatum.
Als verwoed astroloog, stelde Fernando Pessoa talloze horoscopen op. Niet alleen van mensen: ook van Portugal bijvoorbeeld, of om de slaagkansen van een project in te schatten. Zijn eigen horoscoop vertrok blijkbaar van onnauwkeurige gegevens, zodat hij er opnieuw een opstelde, met telkens variaties van enkele minuten wat betreft zijn geboorteuur. Hij voorspelde zo zijn eigen overlijden eind november 1935!

10. Fernando Pessoa’s laatste woorden waren om zijn bril te vragen.
De laatste geschreven woorden van Pessoa waren in een wat archaïsch literair Engels gesteld : “I know not what tomorrow will bring!”
Op zijn sterfbed in het Hospital San Luis dos Franceses vroeg hij om zijn bril en blies zijn laatste adem uit.

Yves