Wat een zak!

Het promomeisje was er zelf mee verveeld, gaf ze toe.
Welke wereldvreemde oen haalt het anno nu in zijn hoofd om de bezoekers van een voor het overige vreedzaam stadsfestival als Boterhammen in het Park een grote papieren zak aan te smeren, waarin een gratis(!) exemplaar van de Standaard. Oké, de krant is medesponsor van de gratis boterhammen met kaas in de Brusselse Warande en voor wat hoort wat, maar een kingsize draagtas uit luxueus gebleekt machinegestreken papier? In tijden van ecologisch en ander burgerbewustzijn had een béétje marketing manager toch kunnen vermoeden dat dat wrevel zou opwekken? Wat een zak!

zak klVoor mij had het alleszins wat bescheidener gemogen.
Waarom niet voor een servetje gekozen? Altijd handig in de blakende augustuszon, wanneer de kaas van tussen je boterham wilt weglopen. Camembert for Président, of is het omgekeerd?

Yves

Claus hoog boven de wolken

Ik ben nooit een grote fan geweest van Hugo Claus. Het verdriet van België heb ik na verscheidene pogingen definitief dichtgeklapt ter hoogte van pagina honderd. Belladonna vond ik – en vind ik nog altijd – een slordig onding waarvan mij niet duidelijk is of dat te wijten is aan de auteur, aan een gebrekkige redactie of aan beide.
Van Claus kan ik wél de poëzie smaken. De Oostakkerse Gedichten, bijvoorbeeld, zijn van een superieure kwaliteit. Vaak vind ik zijn toneelwerk sterk (de Orestes, die ik misschien niet goed begreep, niet te na gesproken; ik hou sowieso niet van bewerkingen van klassiekers). Repertoirestukken als Een bruid in de morgen of Vrijdag verouderen niet ondanks of misschien net dankzij het thema incest.

foto Mattie
Foto Mattie Billen

Toen ik dan De Wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus, ter hand nam, was het mij vooral te doen om wat anekdotische achtergrondinformatie. Uit een gesprek was gebleken dat ik eigenlijk zo goed als niets wist over de man achter de schrijver. Dat ik, nog tijdens het lezen van De Wolken, de eerste roman van Claus, De Metsiers, erbij nam, toont hoe fascinerend een naslagwerk kan zijn.

Het dient gezegd dat samensteller Mark Schaevers zijn taak grondig heeft volbracht. Het moet een monnikenwerk geweest zijn uit het slordig bijgehouden papieren geheugen van duizendpoot Claus een boeiend boekwerk te puren. Want anecdotes zijn er. Met de vleet!
Schaevers spaart zijn onderwerp ook niet. Het werk is zeker geen hagiografie geworden en Hugo Claus wordt er in alle menselijkheid geportretteerd: edelmoedig vaak, grand seigneur soms, maar evenzeer als wat hebberige kruidenier in literatuur, niet gespeend van jaloerse trekjes. Collega’s, critici, uitgevers, familie of geliefden krijgen ervan langs in ongenadige brieven en dagboekfragmenten. De lezer voelt zich vaak een onvrijwillige voyeur.
Ergens schrijft Claus dat het geenszins de bedoeling is zijn ontboezemingen te publiceren, ze zijn voor eigen gebruik. Om dan wat verder de toekomstige lezer aan te spreken…
Een wat schizofrene houding die Claus niet vreemd was. Over zijn filmcarrière schrijft hij bijvoorbeeld dat hij ze als definitief mislukt beschouwt, terwijl hij daarna nog jarenlang enorm veel energie stopt in allerlei filmprojecten.
Bij het wat gênante verslag van zijn breuk met Sylvia Kristel, blijkt ook dat hij zijn jaloersheid moeilijk onder controle houdt. De grote Franse nouvelle vague cineast Chabrol, bijvoorbeeld, wordt wat neerbuigend bejegend. Het is daarbij niet altijd duidelijk of Claus hier als mislukte filmmaker of als afgewezen minnaar zijn pen in venijn doopt.

Hoe nuchter de schrijver tegen zijn (let’s face it: ondermaats) cinematografisch oeuvre aankijkt, zo verongelijkt klinkt hij wanneer het om zijn plastisch werk gaat. Meermaals laat hij weten dat hij zich op dat vlak miskend voelt. Hij is wel zo eerlijk toe te geven dat hij slechts een nevenfiguur was binnen het grote Cobra-avontuur. Toch eigent hij zich naast Asger Jorn voor CO(penhagen) en Karel Appel voor A(msterdam) de BR(ussel) van het magische letterwoord toe. Hierbij ‘vergeet’ hij wat schijnheilig de secretaris, ideoloog en stuwende kracht van de beweging Christian Dotremont of de schilder-graficus Pierre Alechinsky, beiden BR(usselaars) te vermelden, net als een paar anderen, trouwens, en niet van de minsten!
Dat gebrek aan erkenning als plastisch kunstenaar meent hij aan zichzelf te moeten wijten en aan zijn weigering om zijn werk in het commerciëel circuit te tonen. Daar valt iets voor te zeggen, al is het, volgens mij, toch vooral zo dat hij in zijn grafisch en schilderkunstig werk zelden de oorspronkelijkheid, de poëzie of de kracht van zijn literatuur haalt. In deze was Hugo Claus de schrijver misschien het grootste obstakel voor Claus de schilder.
Maar wat schrijft hij mooi, als hij het heeft over een schilderij van Jean Bazaine (1904-2001):

Soms zakken de kleuren langs het vlak
als sneeuw die smelt op een raam.
Maar die schuine sporen van bloed daar,
die moord en die moordenaar die een flard
van zijn droom achterlaat?
(…)

Geen onverdeelde fan van Claus, zoals gezegd, maar bij nader inzien, zijn er toch een stuk of wat van zijn plusminus 150 publicaties die op mijn leeslijst komen te staan.
En dat is volledig de verdienste van voormalig Humo-journalist Mark Schaevers, die uit een enorme stapel typo- en manuscripten, kattebelletjes, zakelijke en andere brieven, onvolledige dagboeken, interviewfragmenten, familiefoto’s en vakantiekiekjes een uiterst boeiend en bijzonder fraai uitgegeven  lees- en kijkboek heeft gedestileerd. Een prestatie die hoog boven de wolken uitsteekt.

Yves

De Wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus.
Samenstelling: Mark Schaevers
Uitgeverij De Bezige Bij, 2011

Zin en onzin

(afscheid van M.)

Iedereen die regelmatig met de trein reist is wel eens geconfronteerd met de ingrijpende mededeling van de sporenorganisatie: “Verstoord treinverkeer wegens persoonsongeval”. Waarbij ‘persoonsongeval’ een eufemisme is voor ‘zelfdoding’ (hetgeen sommigen een eufemisme vinden voor ‘zelfmoord’). Vervelend voor wie zijn rit afgeschaft ziet, nog meer pech als je op de betreffende trein zit. Verschrikkelijk voor de treinbestuurder en de conducteur die minstens een trauma oplopen maar die hun werk verder professioneel moeten blijven uitvoeren en geïrriteerde reizigers te woord dienen te staan. Of die een andere job moeten zoeken omdat ze nooit meer in die cabine willen kruipen waarin ze eventueel een seconde lang zicht hadden op een mens in uiterste wanhoop waar ze met grote snelheid willens nillens op ingereden zijn. Met alle gevolgen vandien en hetgeen ze daarna onder ogen moesten zien, je mag er niet aan denken.
Het hoeft geen betoog dat er een geweldig wrede impact is op het leven van de nabestaanden, en dit niet enkel emotioneel want de kosten bij een suïcide door middel van een trein worden vaak verhaald op de familie.

Maar beeld je eens in hoe erg dit moet (geweest) zijn voor de mens die voor die aanstormende trein is gesprongen. Welke wanhoop en pijn torste die, welke onoplosbaar lijkende problemen wogen ontzettend zwaar, welke ingewikkelde complexen had die, welke emotionele strijdtonelen moeten er voorafgegaan zijn aan die ene fractie van een seconde waarin er niet meer gedacht wordt, waarbij men zich overgeeft aan een wens die misschien al maanden, wie weet zelfs jaren sluimert of op de voorgrond zit: dit moet stoppen. Het draadje dat tot nu toe nog telkens aan die mens getrokken had en hem of haar deed terugdeinzen, knapt. Er is geen weg meer terug wanneer je letterlijk het toch al zo wankele evenwicht verliest en je laat voorover vallen of springt.

Vorige week waren er op 4 dagen tijd even zovele zelfdodingen op de rails in en om Duffel. Het haalde de pers, er waren Facebookposts. Er verscheen o.a. een kaart van Europa met aanduiding voor ieder land van het aantal zelfdodingen per 100.000 mensen per jaar (zie ook: artikel +kaart). Hieruit kwam België als een koploper naar voren. De man die dit bericht gepost had -nadat hij zelf oponthoud had geleden in het treinverkeer en wiens trein omgeleid was door ‘het vierde geval’ van de week in Duffel- stelde zich de vraag: “Wat is dat toch met ons?” Velen hadden iets zinnigs of onzinnigs daarover te melden.

De commentaren gingen in eerste instantie vooral over de betrouwbaarheid van de gehanteerde statistieken. Maar maakt het wat uit of de getallen en verhoudingen in deze heel precies zijn? Ieder geval van zelfdoding is er één te veel; er kan hier absoluut niet gerelativeerd worden!

Anderen hadden het over het egoïsme van de zelfmoordenaar: “après moi le déluge!” En “neem dan medicatie of zoek goede hulp!”.
Ja, als alles daarmee opgelost raakte dan was het leven echt één groot feest! Het is helaas zo dat er nauwelijks ‘propere’ manieren voorhanden zijn om een einde aan het leven te stellen om maar te zwijgen van de tegenstand die men nog steeds ondervindt bij het willen regelen van een euthanasie omwille van ondraaglijk psychisch lijden.

Gelukkig waren er ook meer genuanceerde berichten zoals dit: “Wij verloren als 20-ers al een vriend in die beruchte bocht van Duffel. Ik zat toevallig in de trein na die noodlottige ‘aanrijder’, en sakkerde toen, onwetend, dat ik door een idioot op de sporen, te laat dreigde te komen op mijn eerste sollicitatiegesprek. Die avond hoorde ik dat het onze vriend was. Nog altijd voelen we dat verlies, en dat van alle anderen die hem achterna gingen.”

Ook ik deed mijn zegje, maar beperkte dat tot “Djeezes, wát is er met Litouwen??” omdat dat land er wel héél erg bovenuit steekt (cijfer is 2x zo hoog als het gemiddelde van Europa). Waarna ook weer een hoop reacties die hier nu niet terzake doen.

depressedHoe wrang en zelfs wreed was het kort daarna een bericht in mijn mailbox te vinden met de zeer droevige tijding dat een (ex)collega/vriendin voor zelfdoding gekozen heeft.
In Duffel. Slik.

Vanzelfsprekend ben ik véél bezig met dit onderwerp de laatste dagen. De onvermijdelijke “Wat alsen…” die door m’n hoofd flitsen. Wreed en hard en verbijsterend hoe niks dit drama deed vermoeden, al wist ik dat ze zich slecht voelde en gingen we het gesprek erover niet uit de weg.
Veel nagedacht over vriendschap. Zoals een vriendin met wie ik dit leed deel mij schreef: “Vriendschap, wat is dat precies, wie beschouw je als vriend of eerder als kennis, hoe ver gaat een vriendschap, hoe zit het met de wederkerigheid in die vriendschappen, hoe toon je je vriendschap – hoe weet je dat jouw vriendschapsintentie/beleving zo overkomt zoals je ze bedoelt, wat zeg je binnen een vriendschap … ?”

Zo een gebeurtenis blijft alsmaar door je kop malen. Vandaar deze blogpost.

“Niet te veel mopperen” was een andere frappante post, en dat is mijn voornemen nadat ik gisteren afscheid nam van mijn betreurde vriendin. Het leven is een wrange grap, dus laten we maar lachen als we uitgehuild zijn.

Mattie

Bildarchitektur

Nieuwe vormen tijdens het interbellum:
Flouquet, Léonard, Kassák et quelques autres…

Avant-garde is een omstreden term die vaak misbruikt wordt, of tenminste verkeerd begrepen. Het begrip werd voor het eerst in 1825 door de Franse cultuurfilosoof Saint-Simon gebruikt om een vernieuwende literaire stroming te benoemen. Hij stelde dat de avant-garde literatuur “functioneel, didactisch en daarom eenvoudig te begrijpen” hoorde te zijn. Niet bepaald wat er later van geworden is! De term werd in 1907 gekaapt door de dadaïsten van Cabaret Voltaire in Zürich. Vanaf toen kreeg het vormelijk aspect meestal de bovenhand op het inhoudelijke.
Hedendaagse kunstenaars rekenen zichzelf graag tot een zelfverklaarde avant-garde, waarbij bijna meesmuilend gedaan wordt over navolgers, hoe goed die ook mogen zijn.
Alsof ‘eerst zijn’ borg zou staan voor kwaliteit!
Waar eindigt trouwens  de voortrekkersrol van een kunstenaar of beweging vooraleer over te gaan in mainstream? En misschien belangrijker nog: wat is de blijvende invloed van die voortrekkers op latere generaties artiesten?
Om het toch wat overzichtelijk te houden spreken kunsthistorici over de ‘historische avant-garde’ wanneer ze het (grosso modo) hebben over de kunststromingen die elkaar opvolgden tussen het ontstaan van het kubisme en de Tweede Wereldoorlog. De snelle opeenvolging van -ismen maakt dat het vak kunstgeschiedenis vaak meer lijkt op een rijmwoordenboek dan op een cursus stijlkennis.
Oordeel zelf: na impressionisme en  post-impressionisme, kwamen er achtereenvolgens, maar niet noodzakelijk in die volgorde en uiteraard met de nodige overlappingen: kubisme, dadaïsme, futurisme, orfisme, neoplasticisme, elementarisme, suprematisme, constructivisme, modernisme, machinisme, socialistisch realisme, surrealisme, (al dan niet abstract)expressionisme, magisch realisme, spatialisme, minimalisme, cynetisme en ik vergeet waarschijnlijk nog een paar regionale varianten, zonder het te willen hebben over de obligate tegenbewegingen:  soms leken het wel sektes waarbij afvalligen even snel op de brandstapel belandden  als na het tweede concilie van Trente…
De historische avant-garde in onze contreien kende haar hoogtepunt in de kringen rond voornamelijk twee tijdschriften: het Franstalige ‘7 Arts’ en het Vlaamse ‘Het overzicht’. Ik schrijf bewust ‘Vlaams’ omdat de initiatiefnemers duidelijke wortels hadden in het Cultureel Flamingantisme. Dat sommige medewerkers later regelrecht in de collaboratie belandden, doet hier weinig ter zake.
Uiteraard verschenen er overal in Europa en elders gelijkaardige tijdschriften om nieuwe stromingen en bewegingen te promoten. Ze verdwenen meestal sneller dan ze opdoken. Het mag een  wonder heten dat beide Belgische bladen het zo lang uithielden en internationale bijval kenden. Van ‘Het ‘Overzicht’ verschenen vierentwintig nummers op vier jaar tijd en ‘7Arts’ bereikte wekelijks (!) acht jaar lang abonnees over gans Europa en zelfs daarbuiten.
Misschien dankten de initiatieven hier te lande wel hun succes aan het feit dat ze niet al té streng in de leer waren. Mondriaan en van Doesburg, bijvoorbeeld, waren zo rigide in hun opvattingen, dat hun blad  ‘De Stijl’ soms meer op de kroniek van een permanente familieruzie leek dan op het orgaan van een serieuze kunststroming. Mondriaan verliet trouwens ‘De Stijl’ met slaande deuren toen Theo van Doesburg ook diagonalen introduceerde in zijn schilderijen. Een onaanvaardbare frivoliteit voor de asceet die wel van salondansen hield, maar waarvan de partners zeiden dat hij danste zoals hij schilderde.

flouquet-7644dig-l_small@2x
P-L. Flouquet – Architectuur – Vormen

Pierre-Louis Flouquet (Parijs 1900 -Dilbeek 1967) was een studiegenoot van Magritte, met wie hij een tijdlang een atelier deelde. Hij was de drijvende kracht achter tal van tijdschriften (waaronder ‘7 Arts’ op zijn 22ste!) en introduceerde via boeken en artikels het modernisme in België. Zijn intellectuele benadering van de schilderkunst temperde hij door zijn wens een moderne beeldtaal te introduceren in alle aspecten van het dagelijks leven. Na de Eerste Wereldoorlog lag het land volledig in puin, natuurlijk, en velen snakten naar wat kleur en optimisme na de horror. Tijdens zijn legerdienst in Frankrijk leerde hij kubistische en futuristische kunstenaars kennen. Hij knoopte er blijvende vriendschapsbanden aan, contacten die later zouden uitmonden in een internationaal netwerk van avant-garde kunstenaars. De brede interesse van Flouquet en zijn vertrouwdheid met de internationale kunstscène, lieten hem binnen zijn eigen werk uitstijgen boven het provincialisme en de wat kneuterige anekdotiek van sommige van zijn collega’s in België. Hij beperkte zich trouwens ook niet tot schilderen of grafiek: Als dichter, organisator van exposities, publicist, architectuurcriticus en uitgever, verwierf hij een invloed die moeilijk te overschatten valt. Misschien heeft alomtegenwoordigheid zijn eigen artistieke carrière zelfs wat in de weg gestaan.

Jos Leonard_1925
Jos Léonard – Compositie 25

Jos Léonard ( Antwerpen 1892- Brussel 1957) verdedigde in geschriften fel een autonome en zuiver abstracte kunst. Het is dan ook wat vreemd  te moeten vaststellen dat hij in zijn artistiek werk – hij werkte daarbuiten ook als toegepast graficus – eigenlijk zelden volledig loskomt van de figuratie. In sommige hier getoonde werken is dat bijna gênant: de grote aquarel ‘Landschap met echo’ bijvoorbeeld toont ons een berglandschap met daarin een nietig personage (de schilder?) dat tegen de bergtoppen op schreeuwt. De echo komt in golven terug. Anekdotische elementen, zoals een drietal sparren, een houten hek in de alpenwei of een gebouw met de letters Hotel erop,  herleiden het op zich interessante uitgangspunt van de weergave van klankgolven tot een soort te drukke, kinderlijke herinnering aan een vakantie-uitstap. Er ontbreekt enkel een zwartgevlekt  koetje om de miskleun volledig te maken. Onbegrijpelijk, omdat, in enkele zeldzame gevallen, schilderijen van Léonard die realiteit wél kunnen sublimeren in prachtige, sobere composities. Vreemd, of misschien ook niet wanneer men weet dat Léonard, die ook als graficus actief was, vanaf 1924 zijn energie voornamelijk stak in het zakelijk uitbouwen van een succesvol grafisch bureau, Studio Novio dat, tot in Amerika toe, hoge ogen gooide met vernieuwend grafisch werk.

10669_295_200_FSImage_0_beeld-2-copyright-annette-kradisch
Lajos Kassák – Bildarchitektur, 1923

Van de  Hongaarse modernist Lajos Kassák (NovéZámky188- Budapest 1967) had ik nog nooit gehoord, noch van zijn tijdschrift ‘Ma’ (Vandaag). Zijn werk leunt formeel aan bij dat van Flouquet (met wie hij contacten onderhield) en Léonard, hoewel deze laatste een minder strakke vormentaal hanteerde. Méér dan het confronteren van plastisch verwant werk, evoceert deze tentoonstelling een tijdsgeest. Kassák publiceerde in 1922 een eigen theorie van de geometrische abstractie met als titel ‘Bilderarchitektur’, niet toevallig het jaar van de lancering van ‘7 Arts’ door Flouquet (die hij twee jaar eerder in Parijs ontmoet had) en van het legendarische ‘Tweede Congres voor Moderne Kunst’ met aansluitende tentoonstelling van de ‘Kring voor Moderne Kunst’ van Jozef Peeters in Antwerpen.
Beschuldigd van burgerlijk revisionisme zag Kassák zich, na de val van de Hongaarse Radenrepubliek in 1919, verplicht Budapest te ontvluchten voor Wenen, waar hij zijn uitgeversactiviteiten en zijn schilderen kon verderzetten. Als autodidact pinde hij zich niet vast op één stijl en produceerde zonder vooroordelen in diverse technieken en vormen naargelang de omstandigheden. In die zin is zijn werk uitermate modern. Nadat hij in 1926 naar Budapest terugkeerde, werd hij eerst een prominente stem in het intellectuele leven van het land. Zijn onafhankelijke geest maakte dat hij later zowat monddood werd gemaakt door de officiële instanties.

De inspirerende rol van de historische avant-garde op alle aspecten van ons dagelijks leven is verre van uitgespeeld. Denk maar aan de invloed ervan op architectuur en design, mode, reclame of gebruiksgrafiek. Ook kunstverzamelaars beginnen te beseffen dat binnen de grote artistieke bewegingen van de eerste helft van de twintigste eeuw nog veel te ontdekken valt. Deze tentoonstelling toont naast de drie affichehoofden Flouquet, Léonard en Kassák, ook werk van enkele verwante artiesten, zoals bijvoorbeeld de nog steeds onderbelichte Victor Servranckx. Dat valt toe te juichen en laat hopen op meer!

Yves

Architectuur van het beeld tijdens het interbellum
tot 4 – 11 – 2018
Mu.ZEE
Romestraat 11, Oostende
www.muzee.be

 

 

 

 

Zwart en wit, en alles wat daartussen ligt

Verborgen schat: Léon Spilliaert in de Venetiaanse Gaanderijen in Oostende.

Geen groter contrast te bedenken dan de krioelende massa op het strand en de Zeedijk (waar is de tijd dat Oostende doorging als de meest elegante badplaats van Europa, trekpleister van de beau-monde en de demi-monde en van avonturiers van allerlei pluimage die in hun kielzog hun slag probeerden te slaan?
De Venetiaanse Gaanderijen maakten toen deel uit van de obligate ochtendwandeling van wie wou zien en vooral gezien worden. Nu huist er, naast een elegant en ongetwijfeld zeer duur restaurant, een tentoonstellingsruimte met een wat vreemde indeling.

Voor deze tentoonstelling met werk van Léon Spilliaert (Oostende 1881-Brussel 1946) worden twee in het halfduister gehulde langwerpige, hoge zalen  verbonden door twee ruimtes die als een soort antichambre de bezoeker enige voorkennis bijbrengen aan de hand van een tijdlijn en een wandgrote opname van de Koningin der Badsteden, getrokken vanop het balkon van het toenmalige casino door de beroemde fin-de-sièclefotograaf Antony.

De hier tentoongestelde werken komen uit de collectie van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Ze werden door de in geldnood verkerende weduwe van Spilliaert van de hand gedaan, nét voor de kunstenaar door de Antwerpse galerie Campo werd herontdekt en anderen met het grote geld gingen lopen.
Kunsthandelaars noemen dit soort ensembles wat smalend een ‘fonds d’atelier’. Onverkochte, soms minderwaardige werken, vaak voorontwerpen of schetsen, maar ook publicaties en archiefstukken die door de erfgenamen te gelde worden gemaakt.
In dit geval kan men bezwaarlijk spreken van tweede keus, maar het is duidelijk dat niet álle werken per se moesten getoond worden. Anderzijds biedt het natuurlijk een unieke kans om minder getoonde (of mij zelfs totaal onbekende) facetten van de productie van de kunstenaar te kunnen ontdekken.
Zo is er een uitgave te zien van een pedagogisch verantwoord kinderboek dat Spilliaert tekende. De brave bourgeois-kindjes werden verondersteld de tekeningen van Spilliaert in te kleuren!
Niet dat het werk veel voorstelde, volgens mij, maar een Spilliaert onder de kerstboom is toch wat anders dan een album van Suske en Wiske…

Zelfportret Léon Spilliaert (1907) - coll. Mu.ZEE
Zelfportret Léon Spilliaert (1907) – coll. Mu.ZEE

Hoewel Léon Spilliaert vooral naam maakte met schilderijen, lavis en aquarellen, vaak opgehoogd met kleurpotlood of pastel, blijkt hier wat een fantastische tekenaar verborgen zat achter de zwaarmoedige, soms ronduit depressieve werken.
Wanneer hij zijn jonge echtgenote portretteert, vaak als naaister met geconcentreerde blik op naald en draad, stralen de tekeningen een huiselijke rust en een grote tederheid uit. Waarschijnlijk kon zij zijn innerlijke demonen de baas. Soms is een detail veelzeggend: een enkel is frivool neergezet, wat speelse nekharen komen uit een strakke blouse loeren. Duidelijk tekeningen die, in de intimiteit geboren, niet de weg naar het publiek moesten zoeken.
In de werken die aansluiten bij de meer gekende Spilliaert, is de erotische ondertoon anders wél  aanwezig, met vaak morbide elementen en figuren. Helemaal in de stijl van de symbolistische literatuur waar hij zo van hield en die hij ook vaak zou illustreren.

Absoluut topstuk van deze expositie is een frontaal getekend levensgroot zelfportret uit de collectie van het onvolprezen Mu.ZEE. Het toont de kunstenaar zoals we hem het beste kennen: een getormenteerde blik in de ogen, strak in het zwarte pak, met een rood potlood in de hand.
Het kan bijna gelden als een geconcentreerd beeld van zijn leven: een beetje illusieloos, met hier en daar een sprankeltje kleur. Tussen zwart en wit en alles wat daartussen zit…  Virtuoos slachtoffer van zijn tijdsgewricht. Wat een tekenaar, wat een genie!

Yves

Léon SPILLIAERT
De verzameling van de Koninklijke Bibliotheek van België,
Venetiaanse Gaanderijen
tot 30/9/2018

www.oostende.be/cultuur