A love supreme op de Chaussée d’Amour?

Vreemd toch, hoe de perceptie van wat erotisch, sensueel of ‘kinky’ is, met de tijd evolueert. Toen ik, jonge twintiger, voor het eerst werk van Liliane Vertessen aan de wand zag hangen, was ik niet geschokt, dat niet, maar wél verrast door zoveel durf. In die tijd (láng geleden!) kwam het niet vaak voor dat een kunstenares openlijk erotisch getint werk aan het publiek toonde. De goegemeente van het stadje sprak er schande over. Er werd zelfs even geopperd de tentoonstelling te sluiten wegens onbetamelijk. Schending van de goede zeden, heette zoiets toen en daar werd door de burger niet om gelachen. Wat diezelfde burger trouwens niet belette om zich met eigen ogen te gaan vergewissen van de ernst van de feiten. Het koelde zonder blazen, uiteraard, de tentoonstelling werd naar een minder zichtbare plek van het cultureel centrum verhuisd.
Laat ons eerlijk zijn: The scandal is vaak in the eye of the beholder. Wat in 1980 nog een fikse rel kon veroorzaken wordt, in onze tijd van vrij toegankelijke porno, schouderophalend, ja zelfs wat meewarig ontvangen.

In haar vroege werk etaleert Liliane Vertessen haar eigen lichaam. Zoals een ander een model zou schilderen. Daarom ben ik het oneens met Willem Elias die haar werk in zijn Aspecten van de Belgische kunst na ’45 bij de Body Art onderverdeelt.
Alhoewel Liliane Vertessen (° Leopoldsburg, 1952) waarschijnlijk de eerste was die in ons land met haar lichaam aan de slag ging, was dat lichaam an sich nooit het materiaal waarméé zij kunst maakte. Haar lichaam was gewoonweg het werk. In interviews geeft zij trouwens volmondig toe dat zij puur intuïtief te werk ging en gaat. Vertessen is geen geschoold plastisch kunstenaar of fotograaf. Zeer vroeg voelde zij zich wel een artiest, maar dan eerder in de muziek, zij studeerde piano, klassieke zang en…trombone!
Voor de concerten met de groepen waar ze mee speelde stak ze zelf haar podium-outfits in elkaar en zo werden optredens stilaan performances waarin het visuele aspect langzaam een eigen leven ging leiden. De do-it-yourself en punkattitude van de vroege jaren is gebleven, zij het dat mettertijd een zekere esthetisering geleid heeft tot een herkenbare eigen stijl.

Love, 1980, c Liliane Vertessen (kleiner)
Liliane Vertessen, Love (1980)

In de belangrijke tentoonstelling die in het fotomuseum van Charleroi loopt is deze evolutie duidelijk. Hoewel al vroeg neonteksten (of liever: woorden in neon) opduiken, gaat dit na een tijd wat op een gimmick lijken, een truukje dat net te alomtegenwoordig is.
Vertessen integreerde in haar eerste werken trouwens nogal wat goedkope clichés van de seksindustrie: glitter, kanten lingerie, pluimen… Allemaal dingen die zij had opgemerkt in de roodverlichte vitrines op de Chaussée d’Amour waar zij in haar kindertijd vaak langskwam. De neons en de opgetutte prostituees fascineren haar nog steeds.
Persoonlijk vind ik de werken die deze frivole attributen achterwege laten, vaak de sterkste zeggingskracht bezitten. De foto’s met grove raster lijken soms uit oude magazines gehaald en passen helemaal in de duistere sfeer van de tentoonstelling.
Minder geslaagd, wegens te trashy naar mijn smaak, is de centrale installatie: een in pikzwart plastic verpakt bed in de roodverlichte peeskamer van een strenge Meesteres. Kompleet met een zwarte lavabo en de vervaarlijk uitziende zweep, kan dit geen groter contrast vormen met een hoge, bijna fallusvormige constructie met babyblauwe zuilen en veren, die vreemd genoeg Wave blijkt te heten. Op een hogere verdieping treft men dan weer een gigantische glitterschoen in Louboutin-rood. Niet echt mijn ding.

“A love supreme” heet de tentoonstelling, en net als bij het gelijknamige album van saxofonist John Coltrane uit 1965, ziet men hier een steeds weerkerend motief dat bijna tot een mantra uitgroeit. Het eigen lichaam tot in den treure herhaald als in een donkere spiegel. Het is niet duidelijk of het weerkaatste beeld getrouw is aan het origineel. In het felste licht schuilt vaak de diepste duisternis.

Yves

Liliane Vertessen
A love supreme
tot 16 september 2018
Musée de la Photographie,
Place des Essarts – Charleroi
Een bezoek aan dit museum, geherbergd in een prachtig gerenoveerd klooster, is overigens zéér de moeite. Met een eigen collectie van 80.000 originele foto’s, waarvan een ruime selectie van 800 iconische beelden permanent tentoongesteld wordt, is dit één van de grootste fotomusea van Europa. 
www.museephoto.be

Pleinvrees

Ik hou van pleinen. Of liever: ik hou van pleintjes.
Wat is er gezelliger dan zonder plan of doel door de stad te slenteren en, verscholen om een anonieme straathoek, een pleintje met een boompje, een bankje, een klein cafeetje misschien, te ontdekken. Overal waar ik geregeld kom loop ik graag verloren. Ik hou er favoriete plekjes aan over. Niet altijd makkelijk om terug te vinden, trouwens.
In Brussel bijvoorbeeld is dat het Vrijheidsplein met het monument ter ere van Charles Rogier. Niet écht een zakdoek groot, dit plein, maar het grasperk met de bomen en de terrasjes errond, geven het een je-ne-sais-quoi dat mij zeer aanspreekt. Een ideale plek om even te verpozen tussen Madou en Congres.

brussel-vrijheidsplein

Helaas houden Brusselse beleidsverantwoordelijken er duidelijk een andere visie op na. Ze hebben meer oog voor grote pleinen en gigantische esplanades dan voor de discrete charme van eenvoudige rustplekjes in de stad. Eerder dan deze in ere te houden, kiezen ze voor het grof geweld van het megalomaan heraanleggen. En daarbij worden telkens weer dezelfde nepargumenten bovengehaald van het ‘heroveren van de openbare ruimte’ of het ‘creëren van levendige publieke ontmoetingsplekken’. De plannen worden steevast goedgekeurd ‘na een uitgebreide consultatieronde’ heet het dan. Alsof er iemand zou wonen aan het Rogierplein, in de Madou-toren of op het Poelaertplein vóór het Justitiepaleis!
Heel af en toe loopt het verkeerd af, met die consultatieronde. Dan verzetten bewoners zich tegen plannen die zonder pardon hun leefomgeving voor jaren naar de kl..en wil helpen. De dagelijkse Voddenmarkt op het Vossenplein (d’aa Mèt, zoals we hier zeggen) wordt dan, zeer tegen de zin van de initiatiefnemende Schepen, gered. Tot een volgende megalomane stadsbestuurder weer op de proppen komt met hetzelfde plan voor een ondergrondse parking. Hopende op het korte geheugen van de bewoners.

De eerste Brusselaar die onder de glazen luifel van het Rogierplein een ‘levendige ontmoetingsplek’ gaat zoeken, moet ik nog tegenkomen. Dáárvoor is, na zonsondergang de vlakbijgelegen beeldentuin van de Botanique meer geschikt, als u begrijpt wat ik bedoel?
In het beste geval biedt zo’n fraaie overkapping van het grote Niets even beschutting tegen de regen voor wie van punt A (het Noordstation) naar punt B (de Primark in de Nieuwstraat) wil stappen wanneer de metro weer eens staakt. In de zomer wil ik er zelfs niet aan denken welke temperaturen daar genoteerd zullen worden. Een microklimaat in wording!

brussel-rogier met luifel (kl)De verkozenen des volks moeten natuurlijk sporen nalaten voor het nageslacht. Dat is een vorm van uitgestelde verloning bovenop hun schamele emolumenten. Zoals krolse katers vlaggen, laten zij bronzen inhuldigingsplaten achter. Stel je voor dat volgende generaties Brusselaars niet zouden weten dat Pascal Smet of Els Ampe het initiatief namen ter verfraaiing van hun stad!
Met het budget voor de glazen parasol aan Rogier of voor de blauwe stenen van het de Brouckèreplein kan je ongetwijfeld een halve eeuw lang een legertje stadsarbeiders in dienst nemen om uitpuilende vuilnisbakken regelmatig te legen of de eenvoudige houten zitbanken een likje verf te geven. Er hoeft zelfs geen plaatje bij dat mij uitlegt wie daar het initiatief toe nam!

Yves

O, de dode dieren

Kort voor de middag neem ik de trein naar Brussel. In het compartiment naast het mijne zit een ouder koppel gezellig te keuvelen. Ik open mijn boek en begin te lezen.

Controle van de biljetten. De oudere meneer blijkt één of ander nodig document niet te kunnen tonen en moet onmiddellijk een behoorlijke toeslag betalen. Niet zonder morren maar zich beheersend doet hij dit. Zijn partner heeft het duidelijk moeilijker met aanvaarden want ze protesteert dat zijn kaart toch tot 2021 geldig is, en dat dat strookje er uit gevallen moet zij want het hoesje is helemaal versleten. De conducteur is onverbiddelijk. Wanneer hij zich naar de volgende wagon begeeft is het koppel in een hevige discussie verwikkeld waarbij het de man amper lukt om de boze vrouw te kalmeren. “Ze zouden zich beter meer toeleggen op àndere zaken (ze wijst naar de graffiti op de vensters), het is toch schandalig dat ze een mens die al veel pech heeft en moet leven van een verhoogde tegemoetkoming een boete doen betalen omdat hij ocharme een klein stukje papier kwijt is…”. “Hij doet wat hij moet doen, hij past het reglement toe…”. Zichtbaar kokend doet zij er de verdere rit het zwijgen toe. Ik tracht te lezen.

In Brussel Centraal tref ik mijn zus en een vriendin. We gaan op weg naar het Bellevuemuseum om op het terras een hapje te eten. Helaas, de restauratie blijkt er uitzonderlijk gesloten tot eind juni.

Door het Warandepark steken we over, richting Belliardstraat. Er rijden slechts enkele auto’s over de 5 banen, waardoor het bijna rustig wandelen is op het trottoir van deze anders vreselijk drukke weg. De weinige café-resto’s hier zijn potdicht; de Europeeërs leven èlders in het weekend. In het Leopoldpark heerst een feestelijke stemming en ik hoor er bekende klanken: het is Dia de Portugal, de Camões e das Comunidades Portuguesas, een nationaal feest dat over heel de wereld gevierd wordt door de Portugees sprekende gemeenschap, naar aanleiding van de dood in 1580 van de belangrijkste Portugese schrijver Luís Vaz de Camões. Overal liggen tientallen sardienen op grote grillen te dampen. Onze honger wordt aangescherpt maar het is hier te druk, te rookrijk en… te Portugees!

Op het Jourdanplein strijken we neer voor een aperitief en een slaatje. Koffie toe. Op naar het Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in de Vautierstraat. Daar is er om 17u een concert van het stiekem Brussels stadskoor Stemmer. Met ons ticket voor “O, de dode dieren” mogen we vooraf het museum bezoeken. Eerlijk gezegd heb ik vlug genoeg van al die homo sapiens en aanverwanten met hun rare schedels, kromme ruggen en platte billen. Ook de dinosaurussen kunnen mijn aandacht niet bijster lang vatten. Ik ben hier al enkele keren geweest toen mijn kinderen klein waren. Als je één pterodactylusskelet hebt gespot, heb je ze toch allemaal gezien?

dood beest

Het concert is zoals ik het verwachtte: chaotisch vrolijk vlot, met veel background noise (infofilmpjes over dino’s, rondkrossende kindjes en de bezoekers van het museum die toevallig daar zijn), te veel en te luide interventie van een ingehuurde improvisator die op en af springt van pied-de-stallen met dino’s in glazen kasten en die overmatig door het gezang heen roept… Verplaatsingen van groepen toehoorders achter de zangers en hun klapwiekende dirigent aan. Boeiend en voor zover je het goed kan horen zeker een aangenaam repertorium aan liedjes. De receptie nadien buiten in het groen is heerlijk zonovergoten en ontspannen.

Stemmer

Aangezien openbaar vervoer naar mijn verre thuis op een zondagavond niet evident is moet ik me plots reppen en geraak ik op het nippertje op een lijnbus. De plaatsen zijn bijna allemaal bezet en ik ga naast een jong meisje zitten dat me vriendelijk toeknikt. Ik haal mijn boek boven en begin te lezen. Plots begint het meisje te praten, met dat typisch accent dat zwarten hebben als ze Vlaams spreken. Verward kijk ik op uit mijn boek; ze richt zich tot de jongen die achter haar zit. Broer en zus waarschijnlijk; ze hebben het over schoolresultaten en het gebrek aan inzet. Een pittige conversatie waarin de verwijten niet van de lucht zijn. Het ontaardt in een regelrechte ruzie waarbij ik me gedeisd hou om niet in de klappen te delen.

Ik ben blij wanneer ik 3 kwartier later kan uitstappen, amper gevorderd in mijn boek.

Mattie

Pure poëzie

Van Leo Copers (°1947) kocht ik ooit het meest efemere werk dat men zich kan voorstellen: adem. En dan nog niet eens de adem van de kunstenaar.
Copers was toen reeds bekend omwille van zijn indrukwekkende kunst. Vaak spectaculaire werken waarin een zeis of een gasfles voorkwam, of glasscherven of een machinegeweer. Gevaarlijk werk, dus. Maar nooit ontbrak de poëzie: de zeis zweefde in de ruimte rond, ketste tegen een vloer waarop een hoopje kleurrijke pigmenten ons eraan herinnerde hoe vluchtig alle mooie dingen zijn. Met glasscherven maakte hij grote, elegante siervazen, het gas stak een vijver of de zee in brand. Altijd spectaculair en mooi, maar nooit goedkope effectenjagerij. U hoort het, ik ben een fan.
Ook zijn ironie kon ik best smaken. Zo creëerde hij een begraafplaats voor musea, schilderde hij een zelfportret van van Gogh waarvan de fluokleuren enkel onder een blacklight zichtbaar zijn, of stak hij muziekinstrumenten en meubilair à la Magritte in brand voor een film. Een lege hoek van de museumzaal werd heldhaftig verdedigd door een mitrailleuse achter zandzakjes (dát werk vond dan weer zijn evenknie in gelijkaardig gestapelde goudstaven…).

begrafenis van René Magritte
Beeld uit de film “Begrafenis van René Magritte” (Leo Copers, 1971)

Terug naar het begin: adem dus. Het zat zo: in een mooi linnen foedraal had de kunstenaar, naast een monografie, ook een box gestoken met daarin een aan beide zijden gegraveerde glasplaat. De Griekse tekst werd slechts even zichtbaar door het glas te bewasemen. Adem/Lucht stond er, maar je kon beide woorden uiteraard nooit samen zien. Pure poëzie!

In het SMAK brengen ze nu een tentoonstelling rond de ‘gevaarlijke’ werken van Leo Copers. Meer bepaald de periode 1969-1974 komt hier aan bod. Misschien een wat korte tijdspanne? Tenslotte werkt Copers al meer dan een halve eeuw aan een oeuvre van schilderijen, beelden, installaties en performances. Alleszins een must-see.

Is het ongewilde ironie? Het Gentse museum organiseert ook een rondleiding voor blinden en slechtzienden. En dat voor de expo van een kunstenaar die als performance ooit een rondleiding gaf in een pikdonker museum, met een blinde als gids! (in de verte klinkt een sardonisch lachje.)

Leo Copers | 1969-1974
S.M.A.K.  Gent
Van 2 juni tot 2 september 2018

Yves