René Magritte, een crapuleuze hoerenloper?

Dat het nooit goed zou komen tussen René Magritte en mij, wist ik al heel lang.
Ik heb namelijk altijd moeite gehad met het imago van brave burgerman dat hij meedroeg. Geef toe: een schilder wiens beroemdste schilderij-met-de-pijp ‘La trahison des images’ heet (Het verraad der beelden), verdient toch enig gezond wantrouwen?

Ooit sprak ik met Georgette Berger, weduwe Magritte. Of liever: ooit was ik aanwezig bij een gesprek tussen haar en wijlen mijn vriend, de discrete kunsthandelaar en galeriehouder Louis Hutse uit Jette, die de schilder goed had gekend en nog regelmatig met zijn weduwe contact had. De Magrittes hadden een kwarteeuw op een paar honderd meter van hem gewoond, vandaar.

Plaats van het gebeuren was de hal van het Congressenpaleis onder de trappen van de Kunstberg in Brussel. Ik weet niet meer welke tentoonstelling er geopend werd, maar Georgette en Louis raakten in gesprek over schilderspraktijk van haar man.
Nu moet u weten dat Georgette Berger, hoewel ze vijfenveertig jaar met de kunstenaar getrouwd was geweest – van 1922 tot zijn dood in 1967- zeker geen al te betrouwbare bron is (was) als het om zijn oeuvre gaat! Zo schreef zij, uiteraard tegen fikse vergoeding, nogal wat certificaten uit wanneer haar een werk ter authentificatie werd getoond. Haar gevleugelde woorden “C’est sans aucun doute de René: j’étais là quand il l’a peint!” werd bijna een running joke in Brusselse kunstmiddens. Zelf heb ik een aantal tekeningen gezien waarop zij zijn handtekening in balpen had gezet “omdat het potlood erg vervaagd was”. In die tijd waren de schilderijen van haar man misschien wel al veel geld waard, maar de meesten waren reeds lang in het bezit van galeristen en verzamelaars. Zijzelf bezat amper nog werk van haar overleden echtgenoot. En ze had geld nodig. Georgette was ongetwijfeld een zeer aantrekkelijke vrouw geweest, maar op het einde van haar leven (ze werd vijfentachtig) werd het steeds moeilijker om de jonge mannen met wie zij graag omging te motiveren om haar te vergezellen in de duurste restaurants …

Enfin, In die hal probeerde Louis, die welopgevoed was, met veel tact haar te laten toegeven dat de grote kunstenaar die – volgens zijn legende althans – eenzaam in zijn eetkamer of keuken aan zijn omvangrijk oeuvre werkte, af en toe ‘wat hulp van assistenten had gekregen’. Ik herinner mij zijn woorden nog letterlijk: “Mais enfin, Georgette, vous devez quand même avouer que René s’est parfois fait aider…!” (Komaan, Georgette, u moet toch toegeven dat René soms wat hulp gekregen heeft…!) Waarna de hoogbejaarde weduwe bits repliceerde: “Mais c’est un mensonge! Où allez-vous chercher celà? Il a toujours tout peint tout seul. J’étais là!” (Maar dat is een leugen! Waar haalt u dat vandaan? Hij heeft altijd alles alleen geschilderd. Ik was erbij!)
“Mais enfin, Georgette, regardez!” vervolgde Louis, We stonden voor een fresco van haar man. “Regardez, c’est écrit là!”, zei Louis Hutse wat misnoegd over zoveel duidelijke kwade wil. En inderdaad, onder de handtekening van Magritte stond geschreven: ‘Exécutant: P.W. De Muylder’ (Uitvoerder: P.W. De Muylder). Dezelfde De Muylder, leraar schilderkunst aan en later directeur van de academie van Sint-Jans Molenbeek, die trouwens de grote werken van Magritte in het casino van Knokke uitvoerde. Zonder een woord keerde zij ons de rug toe en verdween, champagneglas in de hand, tussen het volk.
Later zou diezelfde galeriehouder voor mijn ogen een brief uit zijn kluis halen en liet mij lezen: “Mon cher … tu es le seul qui arrive à peindre comme je le veux. Je te joins les … francs (ik herinner mij de som niet meer precies) promis et encore quelques croquis.” (Mijn beste… je bent de enige die kan schilderen zoals ik het wil. Hierbij de beloofde … franken en nog wat schetsen.) Ik had maar wat graag de brief meegekregen, of een kopie ervan, want daar zat een smeuïg artikel in, maar mijn goede vriend zei mij dat daar geen sprake van kon zijn; hij bezat zélf nog een aantal schilderijen van de Meester en wou de waarde van zijn kapitaal niet kelderen… Zonder de schriftelijke bewijzen kon ik er natuurlijk niets over schrijven… Daar ging mijn primeur.
Maar dit terzijde.

magritte-bolhoed-hand

Monsieur tout-le-monde
Ik heb dus nooit veel waarde gehecht aan het beeld van een ‘monsieur-tout-le-monde’ die in de beslotenheid van zijn bescheiden huisje een teruggetrokken leventje leidde, samen met zijn vrouw Georgette. Het dagelijks uitlaten van de keeshond Loulou kon toch moeilijk zijn enig vertier zijn? Er moest toch iets anders zijn? Iets wat meer in de lijn lag van de verwachtingen als het ging om een kunstenaar die in zijn jonge jaren revolutionaire manifesten opstelde of ondertekende Was het jeugdige provocatie? Misschien, maar feit is dat achter de man met de eeuwige bolhoed een àndere René Magritte schuilging. Eentje die hij op latere leeftijd blijkbaar het liefst wou vergeten of alleszins doodzwijgen. Zelfs met zijn trouwste vrienden of biografen sprak Magritte nooit of slechts in vage termen over zijn wilde jaren. Hij stelde onomwonden: “Je hais mon passé et celui des autres!” (Ik haat mijn verleden en dat van de anderen!) Misschien was er wel een goede reden om niet meer achterom te kijken?
Één man heeft dertien jaar van zijn leven gewijd aan het ontrafelen van dit mysterie. Tussen 1985 en 1998 ondernam de Belgische psychoanalyticus Jacques Roisin een speurtocht naar ‘René avant Magritte’ en publiceerde de schokkende resultaten van zijn onderzoek in ‘René Magritte, la première vie de l’homme au chapeau melon’. Het boek van zo’n 250 pagina’s leest als een roman, hoewel de auteur er een erezaak van gemaakt heeft zijn weergave van de feiten uiterst grondig te documenteren. Vijfendertig pagina’s bibliografie en nota’s staan garant voor accurate citaten. Wanneer zijn bronnen wat twijfelachtig zijn, durft Roisin te vermelden dat de getuige bijvoorbeeld door zijn of haar hoge leeftijd wat verward overkomt of geheugenproblemen heeft. Ook confronteert hij regelmatig tegenstrijdige bronnen, de lezer kan dan wel de conclusie trekken.

Een voorliefde voor excrementen
René Magritte was in zijn jeugdjaren een regelrecht crapuul die, samen met zijn twee broers Paul en Raymond, zijn omgeving het leven zuur maakte. Hij hield van practical jokes waarbij zijn voorliefde voor excrementen opvalt. Drollen werden op deurklinken gesmeerd, of in kranten gewikkeld aan voordeuren gelegd en dan in brand gestoken. De organist van de kerk kreeg zelfs een volle emmer stront vanop een brug over het hoofd gekieperd…

Ook was René op zeer jonge leeftijd al een regelmatige bezoeker van de hoerenbuurt van Charleroi. Op vijftienjarige leeftijd moest hij samen met zijn oudste broer, behandeld worden voor syfilis!
Natuurlijk waren er verzachtende omstandigheden. Zo was Léopold Magritte verre van een voorbeeldige vaderfiguur. Half zakenman half oplichter, slaagde hij erin tweemaal een groot fortuin te vergaren om dat dan te verspelen in wilde braspartijen en op de paardenrenbanen van Brussel. De hautaine man werd gehaat in zijn opeenvolgende woonplaatsen, niet in het minst omdat hij zijn echtgenote op schandalige wijze behandelde. De moeder van Magritte pleegde trouwens zelfmoord door in de Samber te springen toen René veertien was. In hun woonplaats Châtelet werd onomwonden de schuld van het drama bij vader Magritte gelegd.

Allesbehalve een vlijtige student
René Magritte ontmoet Georgette Berger wanneer deze amper twaalf jaar oud is. Eerder had hij reeds een ‘affaire’ gehad met de even jonge dochter van de conciërge van het oude kerkhof van Soignies (Zinnik) – het dorpje waar hij de vakanties bij zijn grootmoeder doorbracht; ze ‘speelden’ er vaak samen in opengebroken graftombes. Zijn eerste schilderijen maakte de jongeling trouwens in datzelfde kerkhof waar hij de schilder Léon Huygens aan het werk had gezien.
Wanneer Magritte vanaf oktober 1915 naar de Brusselse Koninklijke Academie vaar Schone Kunsten trekt, is hij allesbehalve een vlijtige student. In het verlengde van zijn eerdere strapatsen blinkt hij vooral uit als het om drinkgelagen en studentikoze grappen gaat. Hij volgt er wel onregelmatig les bij Montald en Combas, maar neemt meer niet dan wél deel aan de eindproeven. Uiteindelijk houdt hij het daar in 1919 voor bekeken.
De wereldoorlog belette René niet om zijn liederlijk leven in Brussel voort te zetten. Hij aarzelde daarvoor zelfs niet opdrachten voor affiches van de Duitse bezetter te aanvaarden (Magritte had zich in 1915 ook als vrijwilliger aangeboden om in Duitsland te gaan werken, maar dat plan werd op het nippertje verijdeld door zijn vader die hem van de trein kwam plukken).
Hij liet die affiches trouwens voor een habbekrats uitvoeren door berooide medestudenten en stak het ruime verschil in zijn zak.

Naar Parijs en terug
In Brussel ontmoette hij weer Georgette, die verkoopster was in een winkel van schilder- en tekengerief. Ze werden een koppel en zij poseerde vaak voor hem. Magritte behandelde haar echter slecht: tegen haar levenslange vriendin Jacqueline Nonkels, bekende zij later dat hij haar regelmatig opsloot terwijl hij nachtenlang op stap ging met zijn vrienden. Georgette bleef ook na hun huwelijk in 1922 in de ‘Coöperative Artistique’ werken en haar loon was lang het enige regelmatig inkomen van het koppel tot Magritte in 1926 een contract kreeg bij P.G. van Hecke, die hem in ruil voor schilderijen een bescheiden maandloon uitkeerde. Van Hecke -die het contract deelde met galerie ‘Le Centaure’- hield een tweehonderdvijftigtal doeken over aan de deal, zowat een kwart van het totale oeuvre van de schilder! Met dat maandgeld kunnen de Magrittes zich nabij Parijs vestigen en kan René zich volledig aan de schilderkunst wijden. Ze vertoeven er in de kringen rond de ‘Paus’ van het surrealisme, André Breton.
Een vreemd voorval ligt aan de basis van hun terugkeer naar België en de jarenlange ruzie tussen Magritte en Breton. Deze laatste dreef op een avond de spot met het kruisje dat Georgette om de hals droeg en eiste dat ze het zou afleggen. Magritte stond op met de woorden: “Viens, Georgette. On s’en va!” Het zou twintig jaar duren vóór hij naar Parijs terugkeerde.
Het vreemde is dat René, in zijn academietijd, er zélf een duivels genoegen in schiep om de draak te steken met de godsdienst. Het leidde zelfs tot een hevige ruzie met zijn vriend en medestudent Pierre-Louis Flouquet die erg gelovig was en die door de constante aanvallen van René in een depressie geraakte.
Tijdens zijn kinderjaren in Châtelet dreef de kleine René (misschien onder invloed van zijn hevig antiklerikale vader?) regelmatig de spot met de pastoor door op de dorpel van het huis van zijn ouders de mis op te dragen, gehuld in zelfgemaakte papieren kazuifels. Hij maakte ook tientallen keren achter elkaar het kruisteken vóór het eten, tot wanhoop van de meid die onomwonden tegen zijn moeder zei: “Madame, votre fils est complètement fou!”. Misschien was er dus wel een andere reden om Parijs te verlaten en was het incident met het kruisje een voorwendsel?

‘Gene gewone’
Dat Magritte in zijn jeugd ‘gene gewone’ was, blijkt ook uit de tientallen getuigenissen over die jaren die Jacques Roisin verzamelde. Zo vertelden gewezen klasgenoten dat de jonge René door seks bezeten was en tijdens de studie zijn schriften voltekende met gewaagde tekeningen. Zijn vader bezat trouwens een grote verzameling ‘pornografische’ bladen. Die vader liet zijn gezin regelmatig achter om ‘op zakenreis’ te gaan. Hij liet daarbij zijn zenuwzieke vrouw vaak zonder geld achter, maar zijn drie zoons kregen van hem dan weer grote sommen geld toegestopt. René en zijn broers Raymond en Paul waren dus volledig op zichzelf aangewezen Uiteraard bleef dat niet zonder gevolgen: hun kattenkwaad werd alsmaar driester en hun gedrag losbandiger. René werd al zeer jong een bordeelbezoeker en pochte tegen zijn kameraden dat hij het ook met de minnares van zijn vader deed. Dat kan natuurlijk stoerdoenerij geweest zijn, maar feit is dat hij al vóór zijn vijftiende voor een venerische ziekte moest behandeld worden, net als zijn oudere broer…

Later zou Magritte over zijn kunst verklaren; “L’art n’a pas besoin d’analyse ou d’interprétation, mais de commentaire.” Als een van de weinige surrealisten zag hij niets in de theorieën van Freud en verzette zich tegen interpretatie van zijn werken vanuit het onderbewuste. Het siert Roisin, die zelf psychoanalyticus is, dat hij die invalshoek voor het grootste deel achterwege laat. Zijn onderzoek baseert zich op honderden interviews en ontmoetingen met protagonisten en getuigen.
Oedipiaanse, dieptepsychologische of Freudiaanse analyse laat hij voor rekening van de lezer. De feiten spreken ruimschoots voor zich, zal hij gedacht hebben.
We kunnen hem geen ongelijk geven.

Yves

Jacques ROISIN ‘René Magritte.
La première vie de l’homme au chapeau melon.’
(Uitgeverij Les Impressions Nouvelles, 2014)

 

Opgehokt

Rare tijden, heel de wereld geteisterd door een onzichtbare vijand die ongeveer alles lam legt. Je wil het ‘monster’ een gezicht geven of op zijn minst een ander beeld voor ogen hebben dan het groen snotterig bolletje met buisachtige uitstulpingen dat in een twisted brein als het mijne aan een latex seksspeeltje doet denken (my dirty mind which on this very moment is no joy anymore).

Vandaag voel ik me voor het eerst een beetje moedeloos en claustrofobisch. Mag ik het wat van me àf schrijven? Ik ben nl. geen beller, nooit geweest. En de zaken die ik nu zie passeren zijn al helemaal niet aan mij besteed. ZOOM, Praatbox, Jitsi, Skype, Team, Party in the house, Google-meet, Whatsapp-videocall… noch in koorverband, noch voor onlinevergaderingen in werkcontext en eigenlijk ook niet voor familiezaken – al wil ik me voor dit laatste forceren indien nodig. Ik beklaag de mensen die plots gedwongen worden om via deze tools thuis te moeten functioneren terwijl ze gelijktijdig een stel peuters, kleuters en/of tieners in toom moeten houden en schoolwerk dirigeren via nòg andere elektronische platformen! En daarbovenop nog een huishouden moeten runnen…

Tot ik ziek werd verliep mijn Coronamatisch leven nog vrij normaal. Ik ging alle dagen de deur uit naar mijn werk. Ik realiseerde me dat ik tot de happy few behoorde die nog gewoon naar buiten mochten als voorheen. Alleen, het was allesbehalve als voorheen. Op de baan werd het alsmaar wezenlozer omdat er haast geen ander levend wezen te bespeuren viel. Niet op de bus noch op de trein, maar ook niet wanneer ik me met de wagen verplaatste wegens ontoereikend openbaar vervoer. ‘s Avonds laat reed ik met de auto over lege rijvakken, ik wachtte als enige automobilist een kwartier tot een ellenlange goederentrein voorbijgesjoekt was maar er stond ondertussen niet één voertuig méér voor de barelen. Ook geen voetganger of fietser.

Overal werd er alleen nog maar gecommuniceerd over Corona si en Corona là. De briefings op het werk waren verre van ‘brief’ en ze gingen vooral over de in het Coronaverhaal passende voortdurend wijzigende afspraken, maatregelen, voorwaarden, veiligheidsvoorschriften en penaliseringen bij overtredingen daarvan binnen ons opvangcentrum. Het Coronahandboek. De Coronalijst (van -mogelijk-besmette bewoners die in quarantaine gezet werden). De Corona-Wiki…

Door de nieuwsbulletins en de duidingsprogramma’s die je overal om de oren slaan, ja die zich ronduit aan je opdringen en die alléén maar over het virus gaan, ging ik angstig worden. Hulp, ik kom alle dagen buiten! Hulp, ik begeef me dagelijks tussen 100-den mensen die de afstandsregels (althans de eerste weken) niet zo nauw nemen. Ook niet altijd nauw kúnnen nemen want verzoekers om internationale bescherming in een opvangcentrum leven noodgedwongen enorm dicht op elkaar. Ze slapen met 4 tot 7 op één kamer, ze eten in een refter die sowieso al te klein is, ze maken gebruik van gemeenschappelijk sanitair, van gemeenschappelijke TV-ruimten, van een gemeenschappelijke fitnessruimte, van gemeenschappelijke laptops, van gemeenschappelijke strijkijzers en -planken, spelmateriaal, poetsgerief… materiaal dat ik en mijn collega’s beheren, hanteren. Bovendien is het niet eenvoudig om al die ingewikkelde – en vaak veranderende- informatie aan anderstaligen uit te leggen!

In het begin mochten wij, werknemers, geen mondmasker dragen (de bewoners zouden kunnen denken dat we ziek waren en ook allemaal mondmaskers eisen, en… er wàren onvoldoende mondmaskers). Dan mochten we enkel onder strikte voorwaarden in bepaalde situaties chirurgische mondmaskers voorbinden. Nu moéten we mondmaskers (gaan) dragen!

C-bal (kl)

De vraag was op den duur niet meer òf ik ziek zou worden, dan wel wanneer.
Het onvermijdelijke gebeurde. Ik werd ziek. En ook mijn partner werd ziek en dat was erger. Want hij behoort tot een risicogroep of twee, drie.

Reeds bijna 3 volle weken ben ik nu arbeidsongeschikt verklaard en mag ik het huis niet verlaten. Nog eens zovele dagen en het is lètterlijk een ‘quarantaine’. Nooit eerder voelde ik me zo volkomen arbeidsongeschikt. Van week tot week moest ik mijn huisdokter bellen voor een evaluatie van de symptomen en telkens schreef ze een verlenging van het attest want ik was overduidelijk niet in staat om mijn werk te verrichten. Ik was “geen chick waard”. In het begin waren er koorts, hoofdpijn, spierpijn en stijve gewrichten, hoesten, geen stem meer hebben en vooral: moe zijn, àltijd moe zijn, enkel willen slapen en in de zetel hangen. Ook de hele vreemde gewaarwording dat je je reukzin volledig kwijt bent, en tevens niets meer proeft. Daarna leek het te verbeteren maar het hoesten blijft en zeker het vermoeid zijn doorkruist je plannen om terug aan de slag te kunnen. Het gaat veel op en af, het lijkt beter en dan gaat het toch weer in neerwaartse spiraal. Je wil op een dag eens proberen om al die vuile was te doen want het wordt zo’n enorme stapel. Okay, daar is een apparaat voor, maar je moet ervoor naar beneden, je moet de was sorteren en daadwerkelijk in de machine steken en er product bijvoegen, na het wasprogramma de kledingstukken aan het rek te drogen hangen enz. Aan het eind van de rit ben je uitgeput en laat je die was maar wapperen want je kan amper uit de zetel.
Wat een geluk dat er lieve vrienden zijn die boodschappen aan huis brengen. Maar zelfs het bedenken en doorzenden van een boodschappenlijst vraagt soms te veel energie.

En wat een geluk dat mijn liefste meestal kookt en de heerlijkste maaltijden op tafel tovert. Tot hij (te) ziek werd en zelfs diende opgenomen te worden in het ziekenhuis.
Dàt is het allerergste, je wil niet weten hoe het voelt om je geliefde in een ambulance te zien verdwijnen en hoe een slap zwaaiend handje als een mogelijk lang of in het ergste geval zelfs definitief afscheid aanvoelt. Want deze onzichtbare vijand heeft al veel mensen weggerukt. Pijnlijk.
Y. wordt snel beter. Momenteel bevindt hij zich in die akelige omgeving waar verplegenden en dokters er eerder als brandweermensen uitzien met hun bevreemdende uitrusting. Er wordt keigoed voor de patiënten gezorgd maar er mag helemaal géén bezoek komen en de organisatie loopt soms spaak omdat er een hele reorganisatie gebeurde waarbij vaak minder mensen het hele logistieke en verzorgende gebeuren op een àndere afdeling op een heel andere wijze moeten bolwerken. Chapeau voor hen allen!
Ik ben blij dat mijn partner niet op intensive care ligt, hij is bij de ‘gelukkigen’ voor wie er vrijwel zeker een gunstige prognose is.

Een nieuw tijdperk lijkt aangebroken. Vroeger toen de dieren nog spraken wordt nu vroeger toen we elkaars grimassen en glimlachen nog konden onderscheiden, toen we elkaar nog een welgemeend schouderklopje konden geven, elkaar tijdens het groeten nog over de rug konden wrijven of in elkaars armen konden vliegen nadat we elkaar een poosje niet gezien hadden. Toen kinderen nog onbezorgd mochten ravotten en op elkaar springen, proeven van elkaars lolly, elkaar kopje onder duwen in het zwembad. Toen leerlingen bij een toets nog een poging konden doen af te kijken van hun ijverige buur. Toen we onze ouders nog onbeperkt mochten knuffelen, ook al waren ze reeds 80 en ouder, al dan niet in een rust- en verzorgingstehuis… Toen we in trein of bus nog rustig een praatje konden slaan met wie naast of tegenover ons zat. Toen mensen niet hoefden te aarzelen om een beetje te flirten op een bank in het park. Toen we nog lekker konden wegzakken in een cinemastoel en geïrriteerd een boze blik konden werpen op een luidruchtig chipsetende cultuurbarbaar vlak naast ons.
Nu zal een (denkbeeldige?) meetstok deel gaan uitmaken van het dagelijks leven.

Maar. Alles wordt beter. Als we ooit de maskers mogen afzetten.

Mattie

Een doodgewone griezel

Ik had al van Carl Moll gehoord.
Of liever: zijn naam was mij niet onbekend als medestichter van de Wiener Secession. Hij werd wel eens vernoemd in teksten over die ‘Gouden Eeuw’ van Wenen.
Toen ik echter recentelijk de tentoonstellingscatalogus ‘Von Schiele bis Wotruba’ doorbladerde, viel mijn oog op een schilderij van Moll.
Niet bij de paginagrote reproducties, neen: die expositie ging over werken op papier uit de collecties van de Weense Albertina. De kleine zwart-wit foto zag ik ingelast in de inleidingstekst. Het was ook niet het doek an sich dat mijn aandacht trok, dan wel een opmerkelijk detail erop.
Het schilderij heet voluit ‘Selbstbildnis im Atelier’ en dateert uit 1906. Het stelt een geconcentreerd schrijvende man voor, zittend aan een tafel in een burgerlijk interieur. Het is goed geschilderd, zonder meer, met wat invloeden van Vermeer: de ruimte wordt verdeeld door twee hoge, elegante gordijnen met rijke franjes. De doorkijk naar de achterste ruimte versterkt de suggestie van diepte, mede door de fraai geschilderde lichtinval en het dambordmotief van een marmeren vloer. Er hangen wat schilderijen aan de muur en op de donkere buffetkast staat het beeld dat mijn aandacht trok: een knielende jongeling van George Minne. (Dáárachter een schilderij van van Gogh, maar dat zou ik pas later leren bij het lezen van de tekst).

“La curiosité est un vilain défaut” placht mijn Bonne-maman te zeggen, waarbij mijn vader steevast repliceerde “Ou une grande qualité!”. Niet dat onze nieuwsgierigheid dan bevredigd werd met een antwoord op onze ongetwijfeld gênante vraag, maar kom…
Eenmaal mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld wou ik wel wat meer weten over die Carl Moll, die zichzelf portretteerde in zijn atelier waar geen spoor van artistieke bedrijvigheid te bespeuren viel. Geen ezel, geen tekenplanken, verfdozen, borstels of penselen, geen vieze vodden of spatje verf. De studeerkamer van een rijke burgerman met smaak, dàt was het.
Wat opzoekingswerk later bleek die Moll tóch wel een kunstschilder te zijn. En nog geen slechte ook.

Erg close.
Carl Moll (1861-1945) was de telg van een Weense  familie met brede culturele interesses. Zijn oom landschapsschilder ontwaarde reeds vroeg zijn tekentalent en gaf hem zijn eerste lessen, waarna hij naar de Academie trok. Al snel kreeg hij privé-lessen van zijn leraar aldaar, Emil Jacob Schindler (1842-1892), wiens assistent hij werd en bij wie hij ook inwoonde.  In de Weense salons werd gefluisterd dat de jonge Moll wel erg close was met de echtgenote van zijn leraar,  de operazangeres Anna Sofie Bergen – naar verluid absoluut niet vies van jong artiestenvlees in de kuip. Toen haar man op vijftigjarige leeftijd overleed, duurde het niet al te lang (drie jaar, om precies te zijn) of die ‘lustige Witwe’ hertrouwde met de vierendertigjarige Moll. Hij werd zo ook de stiefvader van haar oudste dochter Alma, begaafde componiste en schrijfster, die later tot groot ongenoegen van haar stiefvader met Gustav Mahler huwde, daarna met Walter Gröpius en tenslotte met Franz Werfel.
Carl Moll schilderde dus, in een stijl die nogal wat verwantschap vertoonde met het post-impressionisme, maar dan eentje die de pointillistische aberraties achterwege liet. Moll hield van een stevige toets en van een wat pasteuze verfbehandeling, zonder daarin te strak in de leer te zijn. Getuige hiervan zijn zelfportret in het atelier, hierbij afgebeeld. Naast het schilderen beoefende Carl Moll ook de houtgravure en bereikte hierin een zeer eigen zeggingskracht.

CarlMoll
Carl Moll: Selbstbildnis im atelier, 1906

Wiener Secession, van Gogh, Minne.
In 1897 stichtten Carl Moll (ondervoorzitter en organisator) en Gustav Klimt (voorzitter), samen met een aantal andere kunstenaars, in navolging van gelijkaardige afscheidingsbewegingen in Berlijn en München, de ‘Wiener Secession’ als reaktie op het volgens hen verstard en provincialistisch kultureel klimaat in de Oostenrijkse hoofdstad en met name bij het ‘Wiener Künstlerhaus’. Het zou leiden tot de ‘Gouden Eeuw’ der Oostenrijkse kunst. Al duurde die eeuw dan maar een veertigtal jaren.
Moll werd toen al bekeken als een talentvolle organisator, een vooruitziend intrigant die vanop de achtergrond ook goed voor zichzelf zorgde. Zijn rol in de schaduw als organisator van de eerste Secession-tentoonstellingen (ook wel eens ‘Sezession’ geschreven) staat buiten kijf. Het eerste evenement, in 1898, bracht een indrukwekkende staalkaart van de toenmalige avant-garde in Europa, met namen als Auguste Rodin, Fernand Khnopff,  Mc Neil Whistler of Arnold Böcklin.
Zo introduceerde hij ook het werk van van Gogh in Wenen, al dient wel gezegd dat die eerst in Brussel was te zien op het jaarlijkse Salon van ‘les XX’  in 1890. Groot schandaal op het openingsbanket trouwens, waar Charles de Groux, die van Gogh een dwaas en ‘un agent provocateur’ noemde, weigerde tentoon te stellen “naast de bloempotten met zonnebloemen van zo’n knoeier”. De aanwezige Toulouse-Lautrec daagde hem prompt uit tot een duel, daarin bijgestaan door de schilder Paul Signac die heldhaftig verklaarde dat indien Lautrec zou gedood worden, hij zijn plaats zou innemen om  van Gogh’s eer te redden. Wat een mooie tijden!
Kortom, een beetje commotie was altijd wel goede reclame.
Wat Minne betreft ging het er rustiger aan toe: in 1898 ontdekt door de Duitse criticus annex kunsthandelaar  Meier-Graefe, was zijn werk reeds te zien in diens Parijse winkel ‘la maison moderne’. Speciaal voor zijn ‘Knapenfontein’ (opdracht van de rijke verzamelaar die later ook de ‘Wiener Werkstatte’ zou financieren) bedacht Olbrich in 1900 een rond paviljoen en werden de vijf beelden van knielende jongelingen in plaaster gegoten – met een  lichtjes afwijkende vorm van de voeten, zodat die net over de rand van het waterbekken zouden uitkomen. De presentatie zou een enorme indruk maken op pers, publiek en vele kunstenaars. Met name in het werk van Oskar Kokoschka en van Egon Schiele lieten de knielende knapen duidelijke sporen na.

Palacio-Stoclet-6
Paleis Stoclet, Brussel. Architect: Josef Hofman, 1905-1911

Wiener Werkstatte
In 1905 verliet Moll met slaande deuren de Secession, met in zijn zog Klimt en heel wat andere kunstenaars. Hij was ondertussen tot artistiek directeur aangesteld van de toonaangevende Galerie Miethke en was een bepalende figuur geworden binnen de Weense kunstwereld. De Wiener Werkstatte, de commerciële uitloper van de Secession, waar hij mede inspirator van was, samen met zijn vriend architekt Josef Hofman, verschafte veel van die (ex)-leden van de Secession lucratieve opdrachten. Het Paleis Stoclet in Brussel, bijvoorbeeld, werd quasi volledig bemeubeld en versierd door de vrienden van Hofman en Moll: Klimt, Khnopff, Metzner en anderen, waaronder ook Minne, wiens knielende jongeling de vestibule  nog altijd versiert.
Langzamerhand werd Carl Moll incontournable. Zo was hij verantwoordelijk voor de selectie van de kunstenaars die Oostenrijk vertegenwoordigden op Wereldtentoonstellingen en was hij de curator van de Oostenrijkse inzending voor de biënnale van Venetië in 1932.

Wrok.
Door de inflatie en devaluaties zag Moll in 1917 zowat zijn volledig vermogen  verdampen en moest hij zelfs zijn omvangrijke kunstcollectie laten veilen. De wrok hierom zou hem later in de armen van Hitler’s NSDAP drijven en begin dertiger jaren een aktieve nazi van hem maken. Niet zonder enige tegenstrijdigheden, weliswaar.
Hij organiseerde in 1934, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Kokoschka, een grote tentoonstelling van diens werk in de Österreichischer Werkbund, de Unie van artiesten, architecten en kunstambachters naar Duits model. Voorwaar een gedurfde onderneming: Kokoschka (die lange tijd in Berlijn had gewoond) werd toen reeds door de nazi’s als een ‘entartete Kunstler’ beschouwd en was veiligheidshalve net van Wenen naar Praag verhuisd.

Zeer goed bewust van wat hem te wachten stond, koos de oude Carl Moll voor de dood. Toen de Russische troepen in 1945 op het punt stonden Wenen in te nemen, pleegde hij zelfmoord, samen met zijn zoon en schoondochter.
Daarna kwamen Moll en zijn werk in het vagevuur terecht. Ze werden verzwegen en kwamen zelden of nooit nog aan bod in overzichtstentoonstellingen. Een lot dat wel meer artiesten uit die periode te beurt viel.

Yves

Hoe zelfoverschatting en intellectuele leegte tot (slechte) kunst te verheffen.

Een kunstminnende mens moet bij de tijd blijven. Dat je daarvoor een zakenkrant moet lezen, zegt veel over de kwaliteit van de Vlaamse media, maar kom…
Aangetrokken door het perspectief van het gratis Kaaiman-boekje met de gebundelde columns van Koen Meulenaere kwam het er weer eens van: de ‘Tijd’ aan de zaterdagse ontbijttafel. De roze krant (de Financial Times achterna) gaat op zaterdag vergezeld van een reclamevehikel genaamd Sabato (יום שבת, in het Hebreeuws). Het type magazine dat vroeger ‘glossy’ werd genoemd, zij het dat het tegenwoordig op lekker zacht aanvoelend mat papier wordt gedrukt. Het voelt aan als drielagig toiletpapier. Het bevat trouwens ook heel wat shit. Over de nieuwste trends in binnen- en buitenhuisdecoratie, parfumerie en cosmetica, damesmode en dus ook Kunst. Of wat daarvoor moet doorgaan.
Deze week ging het, in een rijkelijk geïllustreerd artikel, over Jan De Cock (Nomen est omen). Ik vermoed dat de zelfverklaarde Meester Beeldhouwer in alle bescheidenheid heeft gemeend dat het tijd werd om de goegemeente kond te maken van zijn nieuwe inzichten. Het is waar: we waren hem bijna vergeten. Dat lag natuurlijk volledig aan ons. We hebben nu eenmaal niet de gewoonte zélf op zoek te gaan naar nieuws over Meester Oplichters in de Kunsten. Daar heb je gespecialiseerde critici, riooljournalisten, broodschrijvers of copywriters voor.

38.jan de cock (gec)
Jan De Cock voor een recent schilderij (foto Alexander D.Hiet)

Hoe verder ik las, hoe meer ik de indruk kreeg dat de Laatste der Vlaamse Primitieven (his words) het slachtoffer was geworden van een practical joke. Nietsvermoedend werd hij voor zijn doelgroep (de welstellende, West-Vlaamse neringdoener) te kakken gezet als de zelfingenomen beotiër die hij is. Het is altijd leuker en efficiënter als zulke blaaskaken de poten van hun zelfgetimmerde troon dóórzagen. Tenslotte is Jan Frederik De Cock (zijn nieuwe merknaam, werd ons minzaam medegedeeld) ook een Meester Schrijnwerker, dus van poten doorzagen heeft hij wel kennis. Hij heeft dat trouwens ten overvloede bewezen toen hij in Brussel op een niet te evenaren wijze een samenwerking met de Sint Lukas/Sint Lucasscholen opzette. Wat aanvankelijk een grootmoedig, altruïstisch project leek, draaide binnen de kortste keren uit op een fiasco, waarbij de kunstschool en de gemeenschap voor nogal wat onvoorziene kosten opdraaiden. De boel (het Brussels Art Institute) werd uiteindelijk opgedoekt, waarna de Meester een ‘burgermanifest’ van zeven pagina’s publiceerde waarin hij iedereen – zonder enige uitzondering behalve zichzelf – tot achterlijke debielen uitriep, om vervolgens een klacht mét burgerlijke partijstelling tegen vier mediagroepen neer te leggen wegens “het doodzwijgen van de inlandse culturele elite (…), wij vreemden”. De tekst en de klacht werden op hoongelach onthaald, niet in het minst door de woordenbrij en de wartaal waarin De Cock zijn ideeën probeerde te formuleren. De Cock leek alle krediet verloren te hebben, letterlijk en figuurlijk. Hij diende gebouw en inboedel te laten veilen.

Enfin, zoals men in Brussel pleegt te zeggen, blijkbaar had hij toch nog wat centen over om een voormalige Olivetti-fabriek en een Palladiaans huis in de buurt van Turijn te kunnen kopen om daar een gelijkaardig project op te zetten. Hoe het daar verder mee zit, komen we in het artikel niet te weten. Wél worden we ten overvloede rondgeleid in zijn nieuwste stek in Brugge. Een huurhuis ditmaal, we komen zelfs de naam van de Knokse immomakelaar te weten – voor wat hoort wat, in die middens. In zijn oneindige goedheid heeft de “Grootste Beeldhouwer van zijn generatie” (sic) besloten het provinciestadje te vereren met zijn aanwezigheid en er een culturele Renaissance op gang te brengen. Helemaal in zijn eentje. En belangeloos, dat spreekt. Oké, zijn huis en kelder zijn volgestouwd met onverkochte rommel, maar die mag nu weg voor een zacht(er) prijsje. De Cock werkt nu namelijk zonder galerie, dus dat scheelt algauw een stevige slok op de borrel. Zijn doelgroep zal het graag horen! Of zijn eerdere kopers de solden evenzeer zullen smaken is nog maar de vraag! Zijn strapatsende Hoogheid had al de waarde van hun aankopen gekelderd, en nu dít…
“Ik wil weg uit het verstikkende kapitalistische systeem van galeries en veilingen dat de kunstwereld verziekt heeft.” verzucht de man die inderdaad geen galerie meer bereid vindt hem te vertegenwoordigen. Hij heeft er over de jaren wel een paar tientallen versleten, en niet de minsten, die in zijn peptalk en talrijke Manifesten geloofden. Of deden alsof.
Maar vrees niets: ondertussen houdt zijn bevriende immobiliënmakelaar de zaken draaiende en heeft de Meester een eerste leerling toegelaten die hij het vak zal leren. “voorlopig gratis” verduidelijkt de Cock. Op termijn moeten het er twaalf worden.
Een messias heeft nood aan volgelingen, maar of de blijde boodschap zal blijven aanslaan?

Yves

The Factory aan de reien
Sabato/De Tijd 21/12/2019

 

Het meisje zónder parel

Er zijn aangenamer dingen in het leven dan het lezen van testamenten of boedelbeschrijvingen.
Wanneer het om lang vervlogen tijden gaat, zijn deze gortdroge teksten vaak de enige betrouwbare bronnen om het sociaal-economisch referentiekader van een kunstenaarsloopbaan te leren kennen. Biografieën hebben vaak de neiging de zaken óf te romantisch óf te miserabilistisch voor te stellen. Denk hierbij vooral aan ‘La Bohème’, met berooide artiesten op tochtige zolderkamers, tuberculose incluis.

Waar het de ‘Gouden’ Eeuw betreft komt daar gelukkig (voor ons) bij dat de inwoners van de Zeventien Provinciën blijkbaar onverbiddelijke querulanten waren die elkaar voor het minste geringste processen aandeden en klachten en tegenklachten formuleerden. Het waren inderdaad gouden tijden voor advocaten en notarissen. Deze laatsten werden om de haverklap opgetrommeld om getuigenverklaringen te noteren in verband met aangedaan onrecht of uit de hand gelopen ruzies. Het kon over de vreemdste zaken gaan.
Zo las ik een verklaring van twee getuigen dat de schoonmoeder van Johannes Vermeer door haar opvliegende echtgenoot bont en blauw was geslagen en halfnaakt het huis uit gejaagd, omdat ze zich beklaagd had niet te kunnen slapen omwille van de kippen die hij boven de bedstee hield! In die tijd leek niemand dat vreemd te vinden, dat van die kippen.

Naast klachten over huiselijk geweld en luide kippen, hadden notarissen natuurlijk ook als taak de talrijke transacties tussen hun medeburgers in onbetwistbare vorm op papier te zetten. Aankopen van huizen, huurcontracten of leningen zijn zo, netjes gedocumenteerd, tot ons gekomen en leren ons veel over armoede of welstand van deze of gene. Wanneer het echt mis liep, bijvoorbeeld bij een faillissement, een echtscheiding of een overlijden, werd nauwgezet een staat opgemaakt van huisraad, linnengoed, kleding en bezittingen, ten behoeve van schuldeisers, rechthebbenden of erfgenamen.
Zo weten we met zekerheid dat het ‘Meisje met de Parel’ van Vermeer, misschien wel een meisje was, maar zeker géén parel droeg!

'Het Meisje met de Parel', Johannes VERMEER, (ca 1665-1667)
‘Het Meisje met de Parel’, Johannes VERMEER, (ca 1665-1667)

Vermeer stierf namelijk berooid. Zijn echtgenote probeerde nog wel een schilderij van haar overleden man aan de inventaris te onttrekken, maar dat lukte maar half: haar moeder zou nog jaren moeten procederen om de ‘Allegorie op de Schilderkunst’  tot haar bezit te mogen rekenen.

De schulden die de schilder had nagelaten – voornamelijk het gevolg van de kosten om zijn eigen grootvader uit de gevangenis te houden – waren van die orde dat zijn vrouw zich onvermogend moest laten verklaren.
Vermeer bezat dus geen parel. Cultuurparels bestonden niet in de zeventiende eeuw, dat werd pas vorige eeuw mogelijk gemaakt, dankzij de Japanner Mikimoto. En een natuurparel van die grootte zou zo zeldzaam zijn geweest dat die enkel voor de superrijken zou weggelegd zijn. Eén zo’n parel zou in een klap méér dan alle geldzorgen van Catharina Bolsens hebben opgelost. Geen parel, dus. Maar wat draagt het meisje zonder parel dan wél?
Er bestonden in die tijd natuurlijk namaakparels uit gevernist glas of zilver. Glas geeft wel een heel ander soort glans dan wat Vermeer hier zo secuur neerzet en zilver was ook vreselijk duur! Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om een tinnen sieraad. Gepolijst tin heeft namelijk een prachtige, ietwat grijze glans. Probeer het eens met het bordje Oost West, Thuis Best van oma: wassen met een sopje van warm water en soda, afspoelen met warm water, laten drogen en inwrijven met zuurvrije was (bijenwas of blanke was), tenslotte oppoetsen met een zachte doek.

Yves

 

Big Daddy.

Sinds jaar en dag wou ik naar Jabbeke. Naar het Permekemuseum, meer bepaald.
Telkens ik met de auto op weg naar de kust het bord ‘Jabbeke’ voorbijsjeesde, dacht ik: Daar moet ik nu toch eens naartoe, naar Jabbeke! En telkens kwam er wel iéts tussen: we werden in Oostende verwacht en waren al aan de late kant, of het was te warm, of te koud, of het regende… Enfin, om maar te zeggen, het kwam er niet van.
En zie: Op de terugweg van een trip naar de Franse Côte d’Opale was er geen enkel excuus voorhanden om de afrit Jabbeke rechts te laten liggen. Het weer zat mee, niet te warm of te koud. We waren wat vroeg, misschien, maar dat euvel werd opgelost door een koffiepauze in café Concordia. De locals keken zelfs niet op van twee cultuurtoeristen. De waardin ook niet, trouwens. Maar kom, we hadden tijd zat vóór het Museum na de lunchpauze weer openging, dus wat zouden we onze uitstap laten vergallen?

IMG_1057k
Het Permekemuseum in Jabbeke, vroeger woonhuis-atelier van Constant Permeke

Bij Permeke waren ze ook nog met de vaat bezig, dachten we. Het duurde even, maar toen kwam er toch een lieve dame de deur openen. Een en al enthousiasme over haar museum, het dient gezegd, want het is zeldzaam, museumpersoneel dat niet kijkt alsof je hen lastigvalt, of je zelfs niet lijkt te zien. Neen, de joviale jongedame was een en al bereidwilligheid.

Topwerken
Permeke, de letterlijk grote man van het Vlaams expressionisme, een imposante figuur die zichzelf goed in de picture wist te werken. Met een oeuvre waarvan de kwaliteit wel durft te schommelen, maar dat hebben ze in dit museum goed weten op te vangen door enkel een selectie op te hangen van zijn beste schilderijen. Geen van de zovele landschappen waarmee hij op latere leeftijd de Vlaamse goedboerende neringdoener om de oren sloeg, neen, het accent ligt hier op vroeg werk.
Als de schilder Permeke een groot kunstenaar mag genoemd worden, dan wel omwille van twee werken:  vooreerst ‘de Verloofden’ uit het Brusselse Museum voor Schone Kunsten. Verwacht geen lieflijk dubbelportret van verliefd kijkende jongelui. De verloofden van Permeke weten wat de meedogenloze wereld voor hen in petto heeft: niets. Zij koesteren geen illusies over rozengeur en maneschijn. Hen wacht enkel hard labeur en een hoop kinderen. Ze weten het en berusten in hun lot. Permeke wist het ook en schildert hen bonkig in elkaar gearmd op een vierkant doek met vuile, bruine kleuren. “De schilder moet met zijn voeten in de stront staan!” schreef de schilder ooit…

IMG_1035g
‘De Sjees’, olie op doek, 163 x 126cm, (1926), Constant Permeke

Daarnaast is er ‘de Sjees’, hier in het museum te zien. Het groot werk is zowat de tegenpool van ‘de Verloofden’. Een wat ouder boerenkoppel in goeden doen trekt erop uit in hun ‘chaise’, een karretje, voortgetrokken door een vrolijk paardje. Ze gaan op z’n zondags gekleed – hij met das en hoed, zij met gouden kruis op de weelderige boezem – naar de kermis of naar een huwelijksfeest? Het werk is in alle opzichten atypisch voor de kunstenaar. Het draagt sporen van het kubisme in zich en op coloristiek vlak is het een gewaagd experiment. Het blauw van de zomerse hemel loopt via de smaragdgroene horizon over in de gele grond. Centraal in het tafereel staat een dravend paard, de blonde manen in de wind. Boer en boerin in het zwart gestoken, diep onder de zeilkap van de kar vormen een donker contrapunt voor de vosse vacht van de viervoeter en de felle omgevingskleuren. Zowel thematisch als qua uitvoering situeert dit schilderij zich dichter bij het werk van zijn Latemse kompanen Frits Vanden Berghe of Gust De Smet dan bij de rest van zijn omvangrijke productie.
Op latere leeftijd begon Constant Permeke te beeldhouwen. De monumentaliteit die hij altijd al in zijn tweedimensionale figuren had gelegd, vertaalde hij nu naar ruimtelijke beelden. Laat ons eerlijk zijn: Permeke was vooral een schilder en zijn beeldhouwwerken zijn soms indrukwekkend knap, zoals het houten zelfportret in ‘taille directe’ in dezelfde kamer als ‘de Sjees’. Vaker lijden de beelden aan overstilering en worden daardoor nogal decoratief. Het lijkt wel of de kunstenaar niet op tijd wist te stoppen en maar bleef de plooien van het werk gladstrijken. Een eenzaam beeldje in gietijzer is dan weer aandoenlijk met zijn onafgewerkte gietnaden. Het ruwe materiaal maakt dan veel goed.

Prachtig en onbegrijpelijk.

IMG_1048rk
‘Big Daddy’, hout,(2019), Els Dietvorst

Het grote beeldhouwatelier staat er nu wit en leeg bij, de beelden van Permeke zijn voornamelijk in de tuin en in het woonhuis te zien. De ruimte toont nu wél het projekt ‘Wintrum Frod’ van Els Dietvorst en Orla Barry . Het houten beeld van schaap ‘Big Daddy’ vormt als het ware een inleiding op de prachtige film “The Rabbit and the Teasel” (53 min.) die er vertoond wordt. Dietvorst en haar partner Orla Barry woonden een aantal jaren bij de familie van deze laatste in Ierland en kweekten er schapen. De relatie hield niet stand, maar het leverde wel een pakkende film op, waarvan je niet weet wat je er moet of kan van begrijpen, net als die hoge labyrintische spiraal uit voile rond een zwart abstract beeld in het midden van de zaal. Mooi, maar, voor mij, onbegrijpelijk. Dat mag.

Yves

Provinciaal Permekemuseum
Gistelsteenweg 341
8490 JABBEKE

Wintrum Frod  tot 3/11/2019

Verboden te lezen!

Waarschijnlijk had u nog nooit gehoord van het café ‘Spot Fenix Portela’ in Loures. Ik ook niet. Loures is een stad(je) ten Noorden van Lissabon. Ik ken het alleen van er over de autostrade langs te rijden op weg naar de hoofdstad of de luchthaven . Er schijnt ook een vestiging van Ikea gevestigd te zijn. U bent verwittigd!
‘Spot Fenix Portela’. Zo’n naam laat vermoeden dat er ooit een café Portela bestond dat over de kop is gegaan en uit zijn as herrezen is op dezelfde hotspot.
Die Spot Fenix Portela kwam gisteren in het nieuws via een stuk in de Portugese kwaliteitskrant ‘Diario de Noticias’, u weet wel, de krant die zich beroept op het feit dat het ooit een Nobelprijswinnaar literatuur onder zijn medewerkers telde. José Saramago begon er als letterzetter, maar kom. In het artikel (een staaltje van ‘investigative journalism’) kwam aan het licht dat Spot Fenix Portela – Portela is de naam van de luchthaven van Lissabon, Zaventem quoi, dus dat café lag oorspronkelijk misschien wel naast de landingsbaan, wat een faillissement kan uitleggen, natuurlijk – er kwam dus aan het licht dat in voornoemd café niet mag gelezen worden. U leest het goed; er mag niet gelézen worden! Geen krant, geen tijdschrift, geen boek, geen cursus. Er mag niét gelezen worden. Punt.
Een beetje onderzoeksjournalist die op zulke rariteit in horecawereld gewezen wordt door een verbolgen lezer (!) spoedt zich natuurlijk ter plekke om hier het fijne van te weten. En neemt de proef op de som.

Verboden te lezen !Spot Fenix Portela is gelegen in het lieflijk parkje Jardim Almeida Garrett. Je verzint het niet: João Baptista da Silva Leitão de Almeida Garrett (1799-1854), eerste burggraaf van Almeida Garrett, wordt beschouwd als de belangrijkste Portugese dichter van het romantisme. Hij was ook toneelschrijver, auteur van historische romans en volbloed revolutionair (let wel: van de  ‘liberale’ revolutie van 1820; hij werd twee jaar voor zijn dood tot de adel verheven). Dat uitgerekend het cafeetje in zijn park er zulk obscurantistisch gedachtegoed op na houdt wijst op zijn minst op een gebrekkig historisch besef. Cafébazen, u moet ze míj niet leren kennen!
De proef op de som bestond er voor de journalist in om een koffietje te bestellen en – wat had u gedacht – de Diario de Noticias open te slaan. Meteen werd hij tot de orde geroepen: “Não esta a ver o aviso?” Zie je het bericht niet? waarbij nors naar een waarschuwende affiche werd gewezen. ‘Não é permitido estudar ou ler (jornais, revistas, livros,…) na esplanada!’ Een totaalverbod op lectuur op het terras van het café!
Portugezen zijn van nature vriendelijke, zelfs meegaande mensen. Er zijn echter twee dingen waar ze het moeilijk mee hebben: regels en onrecht. Vooral als ze het gevoel hebben dat die regels hén onrecht aandoen. Er zijn al revoluties voor uitgebroken! Liberale en andere.
Enfin, van het ene onvriendelijke woord kwam de andere belediging en uiteindelijk werd de politie erbij gehaald, die met enige tegenzin moest vaststellen dat geen enkele wet werd overtreden, maar dat anderzijds de uitbater ook het constitutionele recht had gedragsregels op te leggen in zijn eigen zaak. Dat werd dan weer tegengesproken door de journalist die, op alles voorbereid, de diensten van de Procurador da República had geconsulteerd. Die stelden dat enkel in geval van manifeste overlast artikel 27 van de Portugese grondwet, die de Vrijheid van de burger garandeert, kan ingeperkt worden. Lezen op een terras met nog voldoende vrije zitplaatsen  en dat door een consumerende klant, valt daar voorlopig nog niet onder.
Gelukkig kennen Portugese handelszaken een verplichte ‘Livro de reclamações’ (klachtenboek) waarin de journalist zijn ongenoegen over de situatie kon ventileren, om vervolgens zijn Diario verder te gaan lezen, gezeten op het muurtje rond het terras.
En er een vlammend artikel aan te wijden.

Yves

https://www.dn.pt/pais/interior/ha-um-cafe-que-proibe-a-leitura-de-jornais-revistas-e-livros-e-pode-11134143.html