Waar is de eenvoud?

Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.

Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden. In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en 100-en mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend 10-tallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of één of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijks volksfeest en rookt de ganse buurt uit met zijn gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.

31eenvoudIeder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij 100-en kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis… Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers. Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen… In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd; in de Middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al-dan-niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.

Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai, grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shóppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.

Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nóg grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten! Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik 2 weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten… Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met Tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op TV, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord omwille van deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd -want heus veel lekkers!- en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond …the sound of silence!

Mattie

Advertenties

Eindejaarssomberte

Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan.
“Ben jij niet véél te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna 10 minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat ze om 12u22 kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (wààr ging dit heen?) maar deze bus reed finaal óók richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.
Ik mocht vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260 maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met déze bus sneller op mijn bestemming zou zijn.
Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.

“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. 14 dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed… Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen. Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer terug zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en…
Ik maakte me los van deze praatgrage man, “Ik ga je gerust laten; jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”

Ik ging vooraan zitten lezen. Werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit zodat ik me kon concentreren op mijn boek. Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren waar er nog platsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.
Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik kéék inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.

Zou ik nog wat verder lezen, was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over 10 minuten… Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.
drukke Nieuwstraat
Aan het Rogierplein sprong ik er uit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pré-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat méér opbrengst genereren?
Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg, wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent. Opnieuw -net als vorig jaar- nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.

Mattie

Macht, Rijkdom en Schoonheid

Hoe kan een familie zó rijk worden dat een fractie van haar kunstcollectie een Leuvens museum vult en nog een boeiende tentoonstelling oplevert ook?
Je mag jezelf de vraag niet stellen of daar gaat de helft van het plezier!
De Arenbergs haalden hun prestige uit hun krijgsverrichtingen ten dienste van de opeenvolgende Heersers over de Nederlanden. Hun fortuin verwierven ze voornamelijk uit de immense landeigendommen die ze in de loop der eeuwen samenbrachten. De Heren van Arenberg bezaten gronden van Vlaanderen tot Oostenrijk. Familiale allianties door strategische huwelijken deden de rest.
Naast de honderden (duizenden?) pachters die hun bijdrage in natura afstonden, exploiteerde de ondernemende familie vanaf de 16de eeuw ook ijzermijnen, bezat eigen hoogovens en steengroeven, runde een zijdeweverij in Edingen en was een van de grootste boseigenaars in Europa.
Kortom, de Arenbergs waren niet bepaald behoeftig.

Zaalzicht-macht-schoonheid

Geld gaat zelden gepaard met goede smaak, integendeel. Wanneer grote fortuinen ook grote kunstcollecties bezitten, is dat meestal te danken aan een enkele verlichte geest die er de basis van legde. Het komt niet vaak voor dat generatie op generatie dezelfde lijn van mecenaat verderzet. De Medici zijn dun gezaaid op deze planeet.
Het geslacht Arenberg, van zijn kant, heeft over de eeuwen heen bewezen dat niet altijd de meest spectaculaire kunstwerken de waarde van een collectie uitmaken, of de grootste namen.
Zo kan je op de tentoonstelling in het M-museum in Leuven, een aantal stukken zien die op zich niets wereldschokkends hebben, zelfs wat aandoenlijk ogen, en deze expositie net daardoor op een hoger niveau tillen. Ik denk hierbij aan de ‘kostuumzaal’ met aan de wand een reeks aquarellen die op nogal stuntelige, naïeve wijze de aankleding van de diverse kamers in het Brusselse Hotel Arenberg voorstellen. Compleet met de namen van de afgebeelde personages erbij. In diezelfde zaal staan op de centrale ‘catwalk’ de meest diverse kledingstukken opgesteld. Moeilijk om er niet bij te bedenken dat, in die tijd, een doorsnee boerengezin waarschijnlijk ruim een jaar zou kunnen overleven op de kostprijs van het minste vestje dat hier getoond wordt.
Van een heel andere orde in een andere zaal, en wél spectaculair, zijn de reusachtige stadsgezichten die nauwkeurig elk mogelijk detail van Antwerpen, Brussel en Amsterdam weergeven. Hier wordt duidelijk waarom de fotografie node moest uitgevonden worden.

Een tentoonstelling die vijfhonderd jaar familiegeschiedenis aan de hand van schilderijen, juwelen, artefacten of boeken omspant, wil zowel de kunstliefhebber als de geschiedkundige aanspreken. Dat is hier zeker gelukt, al is het wél even zoeken naar de beloofde Rubens (mooi, gevoelig meisjesportret) en het Dürer-Album (virtuoze techniek!) tussen het enorme aanbod.

Yves

Macht en Schoonheid
tot 20 januari 2019
M-Museum
Leopold Vanderkelenstraat 28,
3000 Leuven
(gesloten op dinsdag)
expo in het kader van het Arenbergfestival

Black out?

28.Kerstdolligheid nog meer
Stadhuis Mechelen begin december bij dreigend elektriciteitstekort…

Van Brussel wist ik het al. Van Antwerpen ook.
Wégblijven tot ruim na Nieuwjaar was de boodschap. Wegens Winterpret en overdosis Bing Crosby (voor de jongeren onder ons: denk Jingle Bells en White Christmas en je weet wat ik bedoel…)
Maar Mechelen.
De stad die er prat op gaat door de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld bestuurd te worden.
Uitgerekend Méchelen!
Een mens is nergens meer veilig. Wat een rustige wandeling van de Onze-Lievevrouwestraat (boekhandel de Zondvloed) via de Bruul naar het gezellig Marokkaans eethuisje even voorbij de Grote Markt had moeten worden, bleek op een visuele nachtmerrie uit te draaien. We hadden het voelen aankomen, natuurlijk: de eerbiedwaardige Brusselse Poort kreunde al onder wat sommigen een sfeervolle kerstverlichting zullen noemen: witte ijspegels die voornoemde witte Kerst moeten evoceren. Een mens zou voor minder een stal opzoeken om te bevallen.
Over de Bruul kan ik kort zijn. Het is een winkelstraat, dan weet je het wel! Maar wat gezegd van het huis waar de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld kantoor houdt?  De foto spreekt boekdelen, denk ik. Waar is de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld als je hem nodig hebt? Of de bevoegde Schepen van Electriciteit? Ook de Beste-Ter-Wereld, naar het schijnt. Hebben ze plots een black out? Misschien gewoon vergeten het licht te doven bij het verlaten van het Stadhuis. Niemand is perfect, zélfs niet de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld.

Yves

 

10 misvattingen over Pessoa rechtgezet (of niet)

In het straatbeeld van Lissabon is Fernando Pessoa alomtegenwoordig. De man die tijdens zijn leven de discretie zelve was en niet van zijn uiterlijk hield (hij haatte foto’s) is nu te vinden op elke straathoek. In het beste geval in de etalages van de talrijke boekhandels die de Portugese hoofdstad rijk is, als onderdeel van op toeristen gerichte marketingcampagnes. Neem daarbij de postkaarten, t-shirts, ontbijtmokken, siertegels of andere prularia die zowat overal te koop aangeboden worden en de indigestie is nabij. We zagen ooit zelfs een heuse Pessoa-set, compleet met neus, bril en snor!
Toeristen trekken selfies gezeten naast de bronzen versie van de Meester op het terras van het café a Brasileira do Chiado. Weinigen weten dat Pessoa er weliswaar kwam, maar zeker niet van harte. In een brief aan een bevriende journalist schreef hij zoiets als: “Ik hààt die plek, met al die pseudo-intelectuelen en would-be schrijvers!”. Fernando Pessoa kwam wel in een gelijknamig – ondertussen verdwenen – koffiehuis in de benedenstad, a Brasileira da Baixa. Het koffiemerk ‘a Brasileira’ (de Braziliaanse) bezat verschillende zaken.
Enfin, er valt veel recht te zetten, als het over de figuur Pessoa gaat! Het zijn soms triviale feiten die weinig essentieels toevoegen aan een beter begrip van zijn oeuvre, maar de waarheid heeft haar rechten en, zoals de Fransen zo mooi zeggen: “l’Histoire est faite de petites histoires!”…
Tijd voor een poging tot onderscheid van mythe en werkelijkheid.

Casa-Fernando-Pessoa2
Casa Fernando Pessoa – Rua Coelha da Rocha 16, Lisboa

1. Fernando Pessoa leefde in armoede.
Net als in het geval van Vincent van Gogh is dit een kwakkel! De alleenstaande van Gogh ontving een rijkelijke maandelijkse toelage van zijn broer Theo. Dat zijn tweewekelijks bordeelbezoek hem telkens 15 francs kostte, stortte hem niet meteen in de diepste armoede!
Pessoa zat wel eens krap bij kas, maar leende dan probleemloos wat geld bij meer gefortuneerde vrienden. Hij had netjes uitgerekend (de nota is bewaard) hoeveel hij uitgaf en was tot de conclusie gekomen dat vier halve dagen kantoorwerk per week volstonden om in zijn levensonderhoud te voorzien, de rest van zijn tijd kon hij dan aan de literatuur wijden. Hij beschikte over de sleutels van de bedrijven waarvoor hij werkte, zodat hij zijn uren naar eigen goeddunken kon regelen.
Erop gebrand steeds als een gentleman door het leven te gaan, wou hij er graag als dusdanig bijlopen. Zijn nagelaten papieren bevatten enkele beleefde herinneringen voor openstaande rekeningen bij een van de betere kleermakers van de stad, de nog steeds bestaande Lourenço & Santos, aan de Praça dos Restauradores. De dagelijkse bezoeken van zijn barbier-aan-huis, kunnen voor de burgerij van die tijd ook niet als buitensporig worden beschouwd. Die man ruimde elke morgen zijn kamer wat op en voorzag de schrijver van sigaretten en drank.
Pessoa verdiende bij als opsteller van reclameteksten en mede-uitgever van een handelsgids waarvoor hij advertentieruimte ronselde. Daarnaast schreef hij artikels voor verschillende kranten en vertaalde hij boeken (voornamelijk over occultisme en paranormale verschijnselen) in opdracht van Franse en Engelse uitgeverijen. Hij dacht er ook even aan zich als …astroloog te vestigen en stelde regelmatig tegen betaling horoscopen op onder de naam Raphael Baldaya.
Voor wat betreft zijn diverse literaire projecten vond Pessoa meestal geldschieters. Zo was de vader van de dichter Mário de Sa-Carneiro de financier van de twee eerste nummers van het tijdschrift Orpheu.
Zijn eigen stoomdrukkerij-uitgeverij ‘Ibis’, die hij met geld uit een erfenis opricht, gaat echter snel over de kop.
Pessoa leefde ook steeds in ‘deftige’ buurten, hetzij bij familie, hetzij op kamers. Hij verhuisde vaak, maar nooit naar goedkopere wijken zoals Alfama of Amoreiras, nochtans ook op wandelafstand van zijn geliefde Benedenstad.

2. Fernando Pessoa werkte als kantoorklerk.
Die misvatting is te wijten aan het feit dat de ik-figuur van O livro do desassossego (het boek der rusteloosheid), kantoorklerk-hulpboekhouder is in een handelszaak in de Rua dos Douradores, dezelfde buurt waar Pessoa werkte.
Pessoa was voornamelijk drietalig (Engels-Frans-Portugees) free-lance vertaler van handelscorrespondentie. Dat hij hogelijk gewaardeerd werd blijkt uit de vrijheid waarover hij beschikte in die functie. Hij zat ook nooit verlegen om werk.

3. Fernando Pessoa was homoseksueel.
Een van de langste gedichten van Pessoa, het in het Engels geschreven Antinous, gaat over het hevige verdriet van de Romeinse keizer Hadrianus bij de dood van zijn jonge minnaar Antinous. Het gedicht uit 1918 bevat duidelijk homo-erotische passages.
Onder zijn impuls verscheen bij uitgeverij Olisipo de zeer controversiële bundel Canções (Liederen) van António Botto. Pessoa moest in de pen kruipen ter verdediging van de openlijk homoseksuele schrijver. Noch diens levensstijl (hoge ambtenaar, getrouwd maar openlijk homoseksueel met veel minnaars…), noch zijn esthetiserende homo-erotische gedichten werden gesmaakt door de goegemeente.
Pessoa’s beste vriend, de eveneens homoseksuele dichter Mário de Sa-Carneiro, pleegde in 1916 zelfmoord in Parijs. Er is veel gespeculeerd over de aard van die vriendschap, maar in geen enkele brief ontdekt men iets dat zou kunnen wijzen op seksuele relaties tussen de twee mannen.
Die afwezigheid van seksualiteit is ook treffend in de brieven die Pessoa naar zijn enige gekende geliefde, Ofélia de Queiroz, stuurde tijdens hun twee periodes van verkering. Ook haar antwoorden blijven zeer zedig, zoals het een meisje van de toenmalige burgerij betaamde.
Vermoedelijk stierf Fernando als maagd.

4. Fernando Pessoa was (voor een deel) van Joodse origine.
Pessoa koketteerde zélf met een vermeende Joodse komaf: in een literaire vragenlijst omschreef hij zichzelf als hebbende “vaag Portugees-Joodse gelaatstrekken te wijten aan een kwart Joods bloed aan moederszijde”.
Misschien stamde zijn moeder af van zogenaamde ‘novo cristianos’ (onder dwang tot het christendom bekeerde Joden) en haalde hij die kennis uit familieverhalen? In het oer-katholieke Portugal van die tijd werd daar – de inquisitie indachtig – niet openlijk over gesproken. Tenslotte werd de wet op ‘Vrijwillige Terugkeer van verjaagde Joden’ pas in 2003 unaniem door het Portugese parlement aangenomen! Alleszins wordt Pessoa als Joods schrijver opgenomen in de lijst van Jewish poets and lyricists van de Joodse website http://www.jinfo.org. Er staat wel bij: “Jewish ancestry/degree unclear”. Misschien is het dus waar, misschien ook niet.

5. Fernando Pessoa bedacht zijn vier belangrijkste heteroniemen op één nacht tijd.
In een beroemde brief van 13 januari 1935 aan Adolfo Casais Monteiro, schrijft Pessoa dat hij op 8 maart 1914, staande aan een hoge lessenaar, als in extase begon te schrijven en dat vervolgens “de bucolische dichter Alberto Caeiro in hem verscheen.” In diens naam schreef hij achtereenvolgens een dertigtal gedichten. Vervolgens verscheen Ricardo Reis, een neo-klassiek volgeling van de Meester en ook de modernist Álvaro de Campos, wiens gedicht dan ook op een (moderne) schrijfmachine werd getikt: de Ode Triunfal.
Dit verhaal over de ‘oerknal’ van het oeuvre van Pessoa is jarenlang als waar overgeleverd. Wetenschappelijk onderzoek bewees onomstotelijk dat Pessoa hier zijn zoveelste mystificatie heeft opzet. Tekstanalyse toont dat sommige gedichten door de schrijver geantidateerd zijn om dat romantische verhaal te doen kloppen. Hij gebruikte trouwens van in zijn prilste jeugd fictieve personages als alter ego’s, hetzij om de eenzaamheid te verdrijven, hetzij om er een fictieve correspondentie mee te voeren. O poeta é um fingidor (de dichter is een veinzer).

6. Fernando Pessoa was een alcoholist.
Niemand zag Pessoa ooit dronken (er zijn alleszins geen getuigenissen van gekend), daarvoor was hij te zeer gentleman. Wel is zeker dat de schrijver teveel dronk. Vooral ’s nachts wanneer hij schreef. Pessoa leed aan slapeloosheid en schreef en dronk hele nachten door. Overdag had hij de gewoonte om tussen het werk door even “naar Abel” te gaan. Een vrijpostige jonge bediende wierp hem ooit toe: “Maar Doutor Pessoa, u drinkt als een spons!”, waarop de schrijver onverstoorbaar repliceerde: “Als een spons? Als een ganse sponzenwinkel, zal je bedoelen. En met het magazijn erbij!” Zijn drankgebruik had blijkbaar geen noemenswaardige invloed op zijn werk: iedereen bleef vol lof over zijn kwaliteiten als vertaler en hij werd regelmatig aanbevolen voor nieuwe opdrachten.
Op de achterzijde van een foto die hij zijn geliefde Ofélia liet bezorgen, noteerde hij de woordspeling: “Em fragrante delitro!” (“Op literdaad betrapt!”). De opname toont hem, een glas wijn aan de lippen, staand aan de toonbank van Abel da Fonseca, een wijnbar in de discrete Rua da Bandeira, op wandelafstand van kantoor. Een afdruk van de foto hangt er nog achter de toog.

Pessoa-em fragrante delitro
Pessoa in Abel da Fonseca (wijnbar Rua da Bandeira)

7. Fernando Pessoa was vrijmetselaar.
Het staat vast dat Pessoa aangetrokken was door filosofie en occultisme. Meer nog dan nu, deden aan het begin van de twintigste eeuw de wildste verhalen de ronde over de vrijmetselarij. De geheimdoenerij binnen de Loge was zowel oorzaak als gevolg van de haat die in katholieke kringen aan het genootschap werd toegedragen. Ook inzake zijn eventueel lidmaatschap onderhield Pessoa de dubbelzinnigheid. Hij was niet vies van enige controverse. Toen Salazar een wet liet goedkeuren om het lidmaatschap van ‘geheime genootschappen’ (lees: de vrijmetselarij) aan banden te leggen, veroordeelde Pessoa in een krantenartikel deze maatregel in de scherpste bewoordingen, zonder zich tot het filosofisch genootschap te bekennen.
In een enquête opgezet door een literair tijdschrift uit Coimbra, beantwoordt hij de vraag over lidmaatschap van sociale, filosofische  of religieuze verenigingen, met: “ingewijd (van Meester tot Meester) in de hogere graden”. Een grapje, waarschijnlijk…
In de brief waarmee hij zijn relatie met Ofélia definitief verbreekt, schrijft hij dan weer: “Mijn Werk luistert naar Meesters die noch vergeven, noch vergeten; je wordt niet verondersteld dat te begrijpen”. Beide uitspraken mogen gerekend worden tot restanten van de symbolistische romantiek uit zijn jeugdjaren.
Portugese vrijmetselaars, hierover aan de tand gevoeld, antwoordden zonder de minste aarzeling:  “Fernando Pessoa werd nooit ofte nimmer ingewijd in een Portugese vrijmetselaarsloge! Helaas.”

8. Fernando Pessoa liet een hutkoffer met 27.543 pagina’s tekst na.
In 1975 droegen de erfgenamen van de schrijver de beruchte ‘baú’, waarin de schrijver zijn papieren bewaarde, aan de Portugese Staat over. Tegen een fikse vergoeding, welteverstaan. Die hutkoffer bevatte 27.543 tekstfragmenten, neergeschreven op alle mogelijke dragers: van notaboekjes, oude enveloppen, achterkanten van drukwerk, tot stomerijrekeningen: Pessoa recycleerde avant-la-lettre!
Helaas vormden deze schrijfsels niet het volledige nalatenschap: in de veertig jaar na zijn dood konden nogal wat mensen bij de paperassen van Pessoa! Wetenschappelijke onderzoekers, studenten en ook familie van de schrijver hadden regelmatig toegang tot de kist. Kisten zou correcter gesteld zijn, want uit de getuigenis van zijn nicht weten we dat Pessoa, behalve de grote hutkoffer nog over minstens één kleinere kist beschikte om papieren in op te bergen. Van die kist en haar inhoud is geen spoor. De familie maakte ook regelmatig manuscripten te gelde: getuige daarvan de grote veiling die zou worden gehouden in Londen. Die ging niet door omdat de tante van Pessoa het geheel aan de Portugese Staat verkocht. Ondertussen waren wel interessante fragmenten van het werk verdwenen. Het gevolg is dat, alle inspanningen ten spijt, wij nooit over het volledige werk van het Portugese genie zullen kunnen beschikken.

9. Fernando Pessoa voorspelde zijn sterfdatum.
Als verwoed astroloog, stelde Fernando Pessoa talloze horoscopen op. Niet alleen van mensen: ook van Portugal bijvoorbeeld, of om de slaagkansen van een project in te schatten. Zijn eigen horoscoop vertrok blijkbaar van onnauwkeurige gegevens, zodat hij er opnieuw een opstelde, met telkens variaties van enkele minuten wat betreft zijn geboorteuur. Hij voorspelde zo zijn eigen overlijden eind november 1935!

10. Fernando Pessoa’s laatste woorden waren om zijn bril te vragen.
De laatste geschreven woorden van Pessoa waren in een wat archaïsch literair Engels gesteld : “I know not what tomorrow will bring!”
Op zijn sterfbed in het Hospital San Luis dos Franceses vroeg hij om zijn bril en blies zijn laatste adem uit.

Yves

Dood van een genie.

Ik heb een hekel aan het woord genie. Het veelvuldig rondstrooien met het epitheton ‘geniaal’ om, in het beste geval, getalenteerde kunstenaars te eren, heeft de betekenis ervan volledig uitgehold. Tegenwoordig is elke hond met een hoed op bij wijze van spreken een genie. Als de pluimpjes maar kleurrijk genoeg zijn!

portret van Pessoa
Almada Negreiros, Portret van Fernando Pessoa

Maar hoe omschrijf je dan wél een schrijver wiens oeuvre drieëntachtig jaar na zijn overlijden nog steeds niet volledig is gepubliceerd? Een loser?
Niet dat er geen pogingen toe ondernomen zijn; reeds snel na zijn dood waren enkele van zijn bewonderaars eraan begonnen. Over de kwaliteit en diversiteit van het werk bestond nauwelijks twijfel,  in zijn laatste levensjaren was Pessoa herontdekt door een jongere generatie schrijvers en critici , ook in het buitenland.

Maar Fernando Pessoa (1882-1935) had zélf het probleem geschapen. In de beruchte kist(en) uit zijn nalatenschap werden zomaar eventjes een slordige achtentwintigduizend (!) tekstfragmenten ontdekt. Slordig mag hier trouwens zeer letterlijk genomen worden. De weinige volledig geredigeerde teksten – toch ook al ettelijke honderden – waren vaak neergeschreven in een abominabel, bijna onleesbaar handschrift.
De meeste tekstfragmenten waren echter aanzetten tot later uit te werken artikels, essays, kritieken, verhalen, toneelstukken, gedichten, traktaten of esthetische theorieën. Zelden gedateerd. Het leek erop dat de man die van ‘raciocinar’ (logisch denken) en tot in den treure redeneren zijn handelsmerk had gemaakt, er maar niet in slaagde zijn lawine aan ideeën en ingevingen te kanaliseren. Waarschijnlijk ook de reden waarom hij niet toekwam met een enkel schrijversleven en er daarom een aantal heteroniemen naast bedacht om aan zijn geestesvruchten een stem te geven. De vier belangrijkste zijn wel bekend: Alberto Caeros, Ricardo Reis, Álvaro de Campos en Bernardo Soares. Bij een recent bezoek aan de Casa Fernando Pessoa in Lissabon, leerden we de ware omvang van het fenomeen kennen. Daar waar de Nederlandse vertaler en Pessoa-kenner August Willemsen in een essay* van zo’n twintigtal heteroniemen gewag maakte, toonde de bibliothecaris ons een recent werk** dat 136 afsplitsingen van Pessoa recenseerde! Sommigen hadden enkel een brief of een artikel geschreven, of een enkel gedicht. Anderen, waaronder natuurlijk de vier belangrijksten, een volledig zelfstandig oeuvre.
Vanuit die erfenis een verantwoorde uitgave van het volledig werk uitgeven is – excusez le mot – geen kattenpis!
Want tijdens zijn leven heeft Pessoa natuurlijk ook wel wat gepubliceerd. Velen dachten in de ‘baú’ (hutkoffer) alle onuitgegeven teksten van de schrijver aan te treffen. “Elke dag worden onuitgegeven manuscripten ontdekt (…) overal dezelfde verwondering: wat vroeger bekend was is slechts een deel van zijn werk!” schrijft Leyla Perrone-Moisés in de tentoonstellingscatalogus De wereld van Pessoa, ter gelegenheid van Europalia Portugal ’91.

Pessoa-em fragrante delitro
“Em fragrante delitro”
(“Op ‘literdaad’ betrapt”, schreef Pessoa op een foto bestemd voor Ophelia de Queiróz, zijn enige geliefde)

Pessoa publiceerde veel, zij het in obscure tijdschriften, die een kort leven beschoren waren. Zo telde Orpheu in 1915 maar twee nummers naast een derde dat nooit verscheen wegens geen financiering meer. Toch was het tijdschrift van ongelooflijk belang: het introduceerde de moderniteit in het Portugese, nogal provincialistisch en ingedommeld, culturele wereldje. De uitgave veroorzaakte een schok, waarbij in conservatieve schande werd gesproken van het ‘pornografische’ karakter van sommige bijdragen.

Naast bijdragen aan literaire tijdschriften en kranten liet Pessoa slechts weinig verschijnen: 35 English Poems en Antinous, in eigen beheer uitgegeven, hadden zijn doorbraak in Engeland moeten betekenen (Fernando Pessoa was niet gespeend van enige megalomanie) maar werden daar genegeerd. Het leverde hem welgeteld twee krantenrecensies op: een in de Times en eentje in de … Glasgow Herald. Niet bepaald een triomfantelijk onthaal.

Alles voelen, op alle wijzen!
De enige keer dat Fernando Pessoa zich expliciet met een literaire beweging identificeerde, was toen hij in 1917 in een krant de verdediging opnam van zijn eigen heteroniem Álvaro de Campos, wiens Ultimatum! voor een rel zorgde in weldenkende kringen. Hij ondertekende zijn bijdrage met: Fernando Pessoa, Sensationist.
Het Movimento Sensacionista, door Pessoa zelf gesticht, was, eenvoudig gesteld, de Portugese versie van het Futurisme. De Campos’ Ultimatum! was trouwens rechtstreeks geïnspireerd door het Futuristisch Manifest dat Marinetti in 1909 in de Franse krant Le Figaro had gepubliceerd. Naast de bevriende schrijvers uit de entourage van Pessoa, maakten ook plastische kunstenaars zoals Almada Negreiros of de grapjas/schilder Santa Rita Pintor deel uit van de beweging.
Pessoa’s sensationisme onderscheidt zich van zijn collega futuristen door een tot in het extreme doorgevoerde symbiose van denken en voelen. Het maakt zijn oeuvre meer tot writers’ writings, minder spectaculair en toegankelijk, misschien. Die permanente analyse van gevoelens en gedachten is de essentie van het werk, waarbij de uitspraak van Álvaro de Campos “alles voelen, op alle wijzen!” ook kan gelezen worden als “alles denken, ook het voelen, alles voelen, ook het denken!”.
Velen zullen er een wat puberale ingewikkelddoenerij in willen zien. Feit is dat, na het decadente en epicuristische symbolisme van het einde van de negentiende eeuw, de kunstwereld in Portugal best enige intellectuele diepgang kon gebruiken. De mannen (er is mij in die periode geen vrouwelijke artieste bekend in Portugal) van Orpheu trokken de lijn onder het verleden trouwens niet zo abrupt als Ultimatum! van de Campos/Pessoa zou laten vermoeden: zelfs Pessoa publiceerde er teksten in die nog schatplichtig waren aan bv. Maeterlinck, waarvan hij een grote bewonderaar was.

We kunnen stellen dat zijn ingewikkeld rollenspel met heteroniemen Pessoa parten gespeeld heeft. Hij is bij wijze van spreken verstrikt geraakt in een zodanig ingenieuze constructie, dat het quasi onmogelijk leek er zonder kleerscheuren uit te komen. Elke figuur had zijn rol die gespeeld moest worden. Zo nodig liet de schrijver hen verdwijnen, sterven (Caeiro), emigreren (de Campos) of in ballingschap vertrekken (Reis).
Het moet een enorme mentale belasting geweest zijn voor iemand met een naar eigen zeggen zwakke psyche.

Yves

*August Willemsen, Fernando Pessoa: Het ik als vreemde. Ed. Arbeiderspers
**Jerónimo Pizarro & Patricio Ferrari, Eu sou uma antologia. 136 Autores Fictícios. Ed. Tinta da China.

Fernando Pessoa °13/06/1888 – ◊29/11/1935

Volgende week: Fernando Pessoa, mythe en werkelijkheid

De gruwelijke sprookjes van Paula Rego

Wie zich rept kan nog tot eind november op een dertigtal kilometer van de Portugese hoofdstad Lissabon, in het lieflijke kuststadje Cascais, de gruwelijke sprookjes van Paula Rego ontdekken. Geen beter excuus om een citytrip naar Lisboa te boeken!

In 1976 dong de (toen nog) Portugese kunstenares naar een werkbeurs bij de befaamde Fundação Gulbenkian. Zij vroeg en bekwam de nodige middelen om onderzoek te doen naar traditionele volksverhalen en sprookjes. Paula Rego genoot toen al enige bekendheid met werk gebaseerd op thema’s uit de Oudheid. Gaandeweg schakelde ze over naar een eigen mythologie die door Sprookjes en volksverhalen werd bevolkt.

Paula Rego - branca de neve
Paula Rego, Snow White and Her Stepmother, 1995

Sprookjes en populaire cultuur zouden haar blijvend inspireren.
Verwacht hierbij echter geen zeemzoeterige vertelseltjes voor brave kinderen: naast een moraliserende boodschap hebben de sinds mensenheugenis doorvertelde verhaaltjes dit gemeen dat ze steevast een ferme portie gruwel bevatten, naast amper verdoken seksuele toespelingen. Het lijkt erop dat de kunstenares de thematiek aangrijpt om eigen angsten te lijf te gaan. Niet iedereen zal het hiermee eens zijn, maar bij mij riep de rol van de afwezige vader beklemmende vragen op. Vooral omdat die in Paula’s jeugd niét afwezig was: het volledige gezin verhuisde naar Londen toen zijn ingenieurscarrière hem daar riep.
In de grote zaal van de Casa das Histórias Paula Rego draait een video op groot scherm. Je ziet er de artieste in haar Londens atelier. Samen met haar assistenten bouwt ze een hele constructie met zwevende vrouwenlichamen, opgezette vogels en een barende man. In de commentaar zegt ze dat ze het fascinerend zou vinden indien mannen ook eens zouden zwanger raken en bevallen…
In dezelfde zaal hangt een reeks over Roodkapje. De eerste tekening heet ‘a happy family’ en toont de oma, de moeder en het dochtertje met rode kapmantel. Roodkapje. Van de vader geen spoor te bekennen, dat kan geen toeval zijn. Wel van een vervaarlijk uitziende getatoeëerde man die later onder de wolfsvacht Roodkapje aanrandt. Daarna volgt een tekening waarbij de moeder (en niet een Jager, zoals in het sprookje!) de wolf te lijf gaat met een riek. Een laatste toont diezelfde moeder, op een moderne bureaustoel gezeten, getooid met de ruige vacht van de wolf. ‘Als een trofee’ zegt het bijhorende tekstplaatje.
Paula Rego voerde haar onderzoek grondig en analyseerde zowel de sprookjes van Hans-Christian Andersen, van de gebroeders Grimm, de Fransman Perrault, als deze van een obscure Italiaanse auteur uit de quatrocento, naast verhalen uit de Portugese mondelinge traditie.
De Sneeuwwitjes, Repelsteeltjes, Roodkapjes allerhande passeren de revue, samen met minder voor de hand liggende figuren. Of had ú al gehoord van Principe Porco? Een prins als een varken geboren? Diens zoektocht naar de Ware Liefde die hem zijn prinselijk uiterlijk moest bezorgen, inspireert Paula Rego tot prachtige, liederlijke litho’s, waarin zij haar tekentalent en kleurgevoel ten volle kan tonen. Absoluut meesterlijk!

Met haar werk rond sprookjes en volksverhalen heeft Paula Rego de bakens van het genre verzet. Daar waar bijvoorbeeld Salvador Dalí met zijn illustraties bij ‘Pantagruel’ van François Rabelais nog dicht bij de tekst bleef, heeft zij resoluut de verhalen naar haar hand gezet. Ze blijven herkenbaar, maar hebben er een persoonlijke dimensie bij gekregen, gevoed door (on)verwerkte trauma’s, angsten en verlangens. De verhalen worden hier een voorwendsel voor introspectie.

Casa Paula Rego - Architect Souto de Moura
Casa Paula Rego – Architect Eduardo Souto de Moura (2005-2009)

De bezoeker moet er wat voor over hebben, maar de verplaatsing loont de moeite: bovenop de werken van Paula Rego komt hij/zij in een atypisch, maar wondermooi museum terecht, gebouwd door tweevoudig Pritzker Prize-winnaar Eduardo Souto de Moura. Het gebrek aan bewegwijzering ernaartoe moet men er maar bijnemen.
Het kustplaatsje Cascais is trouwens een wandeling waard.

Yves

Tot eind november (waarna opnieuw de vaste collectie te zien is)
in Casa das Histórias Paula Rego
Avenida da Republica 300
Cascais – Portugal

www. casasdashistoriaspaularego.com