Verboden te lezen!

Waarschijnlijk had u nog nooit gehoord van het café ‘Spot Fenix Portela’ in Loures. Ik ook niet. Loures is een stad(je) ten Noorden van Lissabon. Ik ken het alleen van er over de autostrade langs te rijden op weg naar de hoofdstad of de luchthaven . Er schijnt ook een vestiging van Ikea gevestigd te zijn. U bent verwittigd!
‘Spot Fenix Portela’. Zo’n naam laat vermoeden dat er ooit een café Portela bestond dat over de kop is gegaan en uit zijn as herrezen is op dezelfde hotspot.
Die Spot Fenix Portela kwam gisteren in het nieuws via een stuk in de Portugese kwaliteitskrant ‘Diario de Noticias’, u weet wel, de krant die zich beroept op het feit dat het ooit een Nobelprijswinnaar literatuur onder zijn medewerkers telde. José Saramago begon er als letterzetter, maar kom. In het artikel (een staaltje van ‘investigative journalism’) kwam aan het licht dat Spot Fenix Portela – Portela is de naam van de luchthaven van Lissabon, Zaventem quoi, dus dat café lag oorspronkelijk misschien wel naast de landingsbaan, wat een faillissement kan uitleggen, natuurlijk – er kwam dus aan het licht dat in voornoemd café niet mag gelezen worden. U leest het goed; er mag niet gelézen worden! Geen krant, geen tijdschrift, geen boek, geen cursus. Er mag niét gelezen worden. Punt.
Een beetje onderzoeksjournalist die op zulke rariteit in horecawereld gewezen wordt door een verbolgen lezer (!) spoedt zich natuurlijk ter plekke om hier het fijne van te weten. En neemt de proef op de som.

Verboden te lezen !Spot Fenix Portela is gelegen in het lieflijk parkje Jardim Almeida Garrett. Je verzint het niet: João Baptista da Silva Leitão de Almeida Garrett (1799-1854), eerste burggraaf van Almeida Garrett, wordt beschouwd als de belangrijkste Portugese dichter van het romantisme. Hij was ook toneelschrijver, auteur van historische romans en volbloed revolutionair (let wel: van de  ‘liberale’ revolutie van 1820; hij werd twee jaar voor zijn dood tot de adel verheven). Dat uitgerekend het cafeetje in zijn park er zulk obscurantistisch gedachtegoed op na houdt wijst op zijn minst op een gebrekkig historisch besef. Cafébazen, u moet ze míj niet leren kennen!
De proef op de som bestond er voor de journalist in om een koffietje te bestellen en – wat had u gedacht – de Diario de Noticias open te slaan. Meteen werd hij tot de orde geroepen: “Não esta a ver o aviso?” Zie je het bericht niet? waarbij nors naar een waarschuwende affiche werd gewezen. ‘Não é permitido estudar ou ler (jornais, revistas, livros,…) na esplanada!’ Een totaalverbod op lectuur op het terras van het café!
Portugezen zijn van nature vriendelijke, zelfs meegaande mensen. Er zijn echter twee dingen waar ze het moeilijk mee hebben: regels en onrecht. Vooral als ze het gevoel hebben dat die regels hén onrecht aandoen. Er zijn al revoluties voor uitgebroken! Liberale en andere.
Enfin, van het ene onvriendelijke woord kwam de andere belediging en uiteindelijk werd de politie erbij gehaald, die met enige tegenzin moest vaststellen dat geen enkele wet werd overtreden, maar dat anderzijds de uitbater ook het constitutionele recht had gedragsregels op te leggen in zijn eigen zaak. Dat werd dan weer tegengesproken door de journalist die, op alles voorbereid, de diensten van de Procurador da República had geconsulteerd. Die stelden dat enkel in geval van manifeste overlast artikel 27 van de Portugese grondwet, die de Vrijheid van de burger garandeert, kan ingeperkt worden. Lezen op een terras met nog voldoende vrije zitplaatsen  en dat door een consumerende klant, valt daar voorlopig nog niet onder.
Gelukkig kennen Portugese handelszaken een verplichte ‘Livro de reclamações’ (klachtenboek) waarin de journalist zijn ongenoegen over de situatie kon ventileren, om vervolgens zijn Diario verder te gaan lezen, gezeten op het muurtje rond het terras.
En er een vlammend artikel aan te wijden.

Yves

https://www.dn.pt/pais/interior/ha-um-cafe-que-proibe-a-leitura-de-jornais-revistas-e-livros-e-pode-11134143.html

Advertenties

Fély pour les dames!

Namur (Na-meur, zoals de locals het uitspreken) is een charmant provinciestadje. Waaraan Namen/Namur de eer te danken heeft de officiële hoofdstad van het Waals Gewest te zijn, wil ik zelfs niet geweten hebben. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met afgunst tussen grotere steden.

Op een zomerzondag trekken wij dus zuidwaarts, gewapend met ons beider Sesam. De site van de Museumpas heeft ons geleerd dat het Ropsmuseum met het kleinood in de hand vrij toegankelijk is. Verdere navigatie raadt ons aan de auto buiten het centrum te stallen, op de betalende parking alwaar een ‘navette’ ons tegen enige contanten naar het centrum zal brengen. Het centrum van Na-meur is namelijk voor een groot deel autovrij, heet het. Dat was buiten de waard gerekend. Of liever: buiten de plaatselijke kermis die voornoemde parking in beslag nam. We reden dus op goed geluk het centrum in, tot aan de rand van de verkeersvrije zone. We vonden er probleemloos een parkeerplaats, die bovendien gratis bleek op zon- en feestdagen.

Het Musée Rops ligt in de smalle rue Fumal, vlak aan de Église Saint-Loup (daarover straks meer). Het gebouw is niet meer dan een uit de kluiten gewassen herenhuis. Ik schat dat het eind jaren zeventig, begin jaren tachtig van de vorige eeuw grotendeels verbouwd werd naar de huidige toestand. Verwacht dus geen blitse architecturale hoogstandjes of innovatieve museale ingrepen. Het is wat het is en het doet wat het moet doen, namelijk in goede omstandigheden het werk tonen van Félicien Rops (Fély, pour les dames). En, het dient gezegd, het Musée doet dat goed. Dat is natuurlijk helemaal te danken aan de figuur en het werk van Duivelskunstenaar Rops.
Als zoon van een textielfabrikant in het burgerlijke provinciestadje, koos Rops al snel eieren voor zijn vroeggestorven vaders geld en verkaste hij naar Brussel, waar hij even aan de Université Libre ingeschreven was. Hij begon er karikaturen te tekenen voor diverse studentikoze blaadjes en raakte bevriend met talrijke schrijvers. Daarnaast volgde hij schilderlessen bij Ernest Slingeneyer, wiens vrij ‘Atelier Saint-Luc’ wel meer avant-garde kunstenaars onderdak en modellen bood. Na zijn spraakmakende start als karikaturist – na de publicatie van een van zijn tekeningen werd hij zelfs door een beledigde officier tot een duel uitgedaagd! – werd Rops een veelgevraagd en later ook vetbetaalde illustrator. Aangezien België, in tegenstelling tot Frankrijk, geen officiële censuur kende – publiceerden veel Franse auteurs politiek of zedelijk gewaagde werken in Brussel. Uiteindelijk zou Rops naar Parijs verhuizen, dichter bij zijn vrienden dichters en zijn twee maîtresses, de gezusters Duluc, eigenaressen van een bloeiende modezaak – hij ontwierp er zelfs jurken voor!
Félicien Rops was een kind van zijn tijd, een emanatie van de vrijzinnige bourgeoisie die koketteerde met socialisme, anarchisme, theosofie, esoterisme, vrije liefde e tutti quanti…
Bij Rops resulteerde dat in meedogenloze observaties. Zijn bordeelscènes, bijvoorbeeld, zijn zowel erotisch geladen zedenschetsen als raak getypeerde tijdsdocumenten: in die tijd van gearrangeerde huwelijken, werd bordeelbezoek als normaal, ja zelfs als hygiënisch nodig beschouwd in burgerkringen. Rond hun zestiende brachten vaders hun zonen bij de Meisjes om hen in te wijden in de ‘liefde’. Seks na het huwelijk had voornamelijk als functie voor erfgenamen te zorgen, en dan nog liefst mannelijke.

L'enlèvement - Calvaire - Félicien Rops
 L’enlèvement – Calvaire, 1882 – Félicien Rops

Ondanks de strenge controles en het wekelijks doktersonderzoek van de dames, waren venerische ziekten een plaag. Syfilis eiste toen waarschijnlijk meer doden dan aids nu.
Dood en verval in combinatie met sex zijn dan ook een geliefd thema bij Rops. Men zou het als een vermanend opgestoken vingertje kunnen zien, maar ‘Fély’ geniet ook duidelijk van het virtuoos uitbeelden van de zonde des vlezes. Niets menselijks is hem vreemd en hij grijpt dan ook de kans om de burgerlijke, katholieke moraal een welgemikte schop onder de kont te geven. Christusfiguren, aan het kruis genageld worden door wulpse deernen belaagd, waarbij het niet meteen duidelijk is of hun adoratie naar de lijdende Zoon van God gaat of naar zijn buitenmaatse erectie, Priapos waardig. Kloosterzusters laten zich goed gaan en de verzoekingen van de Heilige Antonius moet u niet ver gaan zoeken.
Dat Vrijmetselaar Rops niet echt in de smaak viel bij de weldenkende katholieke burgerij is dus een understatement. Te satanistisch, waarschijnlijk, te zeer een artists’ artist.
Wat vreemd is dan ook dat het museum, naast de vaste collectie, een expositie wijdt aan Henry de Groux, waarvan ‘Le Christ aux outrages’ (Christus beschimpt) in de vlakbijgelegen… Église Saint-Loup moet bezocht worden. De tentoonstelling met het zwaar, schreeuwerig en bombastisch, symbolistisch werk van de Groux (zoon van een goede vriend van Rops), was enigszins een afknapper, maar nam niets weg van het plezier van ons bezoek. De Saint-Loupkerk zelf is trouwens op zich al een bezoek waard. Die gewelven! Die biechtstoelen! Die zuilen! Die Jezuïeten hadden verdorie smaak! En geld, natuurlijk. Véél geld.

Yves

Musée Félicien Rops
12 Rue Fumal – 5000 Namur
open dinsdag tot zondag van 10 tot 18u (alle dagen in juli en augustus)

www.museerops.be

Attention/opgepast: fragile/breekbaar!

Elke minderbegaafde – zelfs een architect – hoort een aantal dingen te weten. Dat glas breekbaar is, bijvoorbeeld. En dat hoe méér glas, hoe meer kans op glasschade. Zeker in wat zo mooi het ‘openbaar domein’ heet te zijn. Op straat, quoi!
De ontwerpers van het vernieuwde Rogierplein denken daar blijkbaar anders over. Zeer tot hun scha en schande. Of liever: zeer tot hun schande en ónze schade.

Piere-verwaaid
Drielagig gewapend glas van centimeters dik blijkt niet bestand tegen vandalisme. Wie had dát kunnen vermoeden?     (foto: Mattie Billen)

Waarschijnlijk gesponsord door Glaverbel of Saint-Gobain (of hoe heten die glasboeren alweer?) hebben de heren (dames weten wel dat ruiten regelmatig moeten gelapt worden, het zou mij verbazen indien zij zoveel glas zouden aanwenden – op Zara Hadid na, maar die is dood en die kon zich een poetsvrouw veroorloven…), de Heren dus, van het ongetwijfeld toonaangevend architectenbureau XDGA hebben zich hier eens goed laten gaan. De stadsvandalen konden de uitnodiging niet negeren en zijn er dan ook enthousiast op ingegaan. Het was erom vrágen, natuurlijk. De overhellende glaswand moet iets suggereren (wát? een bushalte? een transparante dazibao-muur? openheid van bestuur? transparante financiering?). Het pronkstuk lijkt niet alleen bijzonder fragiel, het is het duidelijk ook. Daarenboven is de constructie zo ontworpen (waarschijnlijk als practical joke tijdens de happy hour op een ‘dress down friday’ van het bureau, dan durft een mens zich al eens te laten gaan…) dat het vervangen van de centimetersdikke glaspanelen het openbreken van het plaveisel vereist. Handig is dat. En ook goed voor de werkgelegenheid, natuurlijk. De platen zijn dan ook zo zwaar en lomp dat vermoedelijk de volledige benedenstad zal moeten ontruimd worden om ze ter plekke te krijgen. Even werd een levering per helikopter overwogen, maar dat bleek niet te kunnen omwille van de (glazen!) overkapping van het plein dat op diezelfde happy hour werd besloten door diezelfde scheve architecten.
Elke minderbegaafde hoorde te weten dat het Rogierplein/Place Rogier hét grootste tochtgat van Brussel is -enkel het halfrond van het Brussels Parlement komt in de buurt, qua windmaken. En net dát tochtgat krijgt dan zo’n overkapping die de niet geringe (eufemisme!) windstromen, die met zo’n 5 Beaufort vanaf het Noordstation langs de Belfiustoren het plein opwaaien richting Adolphe Max, naar beneden drukt, om zeker te zijn dat passanten er ten volle kunnen van ‘genieten’. Langs voornoemde schuine glazen wand worden de busreizigers verondersteld enige beschutting te vinden tegen regen en wind. Quod non! Bij regenweer – dat gebeurt wel eens in onze contreien – wordt de regen nét in die lengterichting geblazen zodat zelfs de stevigste paraplu van geen nut is. Als de bui dan over is, blijft een vieze wand achter, vol spetters regenwater vermengd met het fijn cementstof van de talrijke bouwwerven in de buurt. En geen poetsvrouw/man in de buurt om het glas met zeemlap en aftrekker te lijf te gaan! Geen wonder dat de transmigranten de catacomben van het Noordstation verkiezen boven deze glazen paddestoel. Je hebt er misschien geen Starbucks, maar je zit er tenminste droog. Alhoewel, ‘zitten’ is hier niet helemaal op zijn plaats: het project van 29.000.000 euro (volgens krantenartikels uit 2006; maak er dus gerust vijftig miljoen van) voorzag blijkbaar geen zitbanken. Er zijn nu enkel een soort stalen meerpalen om te gaan zitten, ijskoud en te laag, waarschijnlijk bedoeld om gemotoriseerde terroristen van het plein weg te houden. De vermoeide reiziger loopt er niet enkel een dubbele pleuris op, maar ook nog eens aambeien en aderspat!

Yves

Contrapunt voor wrede kijkdozen

Het minste wat je van het werk van Berlinde De Bruyckere kan zeggen, is dat het niemand onberoerd laat. De Gentse slagersdochter (°1964) beheerst de kunst om koude rillingen te combineren met poëtische beelden. Of omgekeerd. Het is niet anders met de zeer geslaagde tentoonstelling It almost seemed a lily in het Museum Hof van Busleyden in Mechelen.

Hortus

Berlinde De Bruyckere verwierf internationale faam met het exposeren van wat dode paardenlichamen leken te zijn. Door de dichtgenaaide bekken en ogen en de stompjes van poten leek het of hier een dolgedraaide taxidermist aan het werk was. De werken wekten afschuw, en dat was ook de bedoeling. Net zoals de kunstenares afschuw voelde toen zij in het In Flanders Fields museum van Ieper leerde dat tijdens de Eerste Wereldoorlog zo’n acht miljoen paarden het leven lieten.
In Mechelen gaat het er wat vreedzamer aan toe. Hier en daar zijn er wel citaten uit vroeger werk die doorschemeren in de grote assemblages, maar het uitgangspunt van deze expositie zijn de taferelen van naïeve godsvrucht die De Bruyckere tijdens de Leuvense tentoonstelling over Besloten Hofjes in 2016 leerde kennen.

Hortus conclusus soror mea, sponsa, hortus conclusus, fons signatus“, klonk het in Salomo’s Hooglied uit het Oude Testament: “Mijn zuster, o bruid! Gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.”

De Hortus Conclusus werd een geliefd onderwerp in de Middeleeuwse schilderkunst. Soms letterlijk weergegeven als een omheinde tuin met fontein, maar vaak ook symbolischer, met Maria centraal. De Moeder Maagd als stichtend voorbeeld. Jezus en zijn apostelen mochten dan misschien allemaal mannen zijn, het ideaal van de dienende, onderworpen vrouw, was nooit veraf.
Berlinde De Bruyckere gebruikt de metafoor van het Besloten Hofje als contrapunt om haar eigen creaties nog meer kracht bij te zetten. Het contrast kan niet groter zijn, het wérkt. Een achttal kleine, zestiende-eeuwse kijkdozen/triptieken tonen het onwaarschijnlijke geduld en de nauwgezetheid waarmee nonnetjes of begijnen aan een eigen weergave van de Onbevlekte Ontvangenis knutselden: met stukjes perkament, zijdedraad, hout, wasbrokaat, glas, tinfolie of zelfs turf en kersenpitten werden op aandoenlijke wijze taferelen neergezet die ook persoonlijker elementen bevatten. Zo werden vaak naamheiligen en hun attributen erin voorgesteld.

De imposante werken van De Bruyckere, een soort metershoge wrede kijkdozen, worden eveneens opgebouwd uit de meest diverse materialen. In een omlijsting van ruw hout – het lijken wel rechtop gezette platte bakken – worden zowel oud behangpapier, dekens of wassen afgietsels, als met epoxy ingestreken dierenhuiden verwerkt tot taferelen waarin vergankelijkheid en kwetsbaarheid de boventoon voeren. Van naïeve heiligenverering is hier geen sprake, integendeel. Getuigen hiervan de tien kleine potloodtekeningen uit 2017 die, van Vagina en Lelie over Poire d’amour tot Penis, een suggestief beeld oproepen van verdoken lust en passie die in de Besloten Hofjes vervat zouden zijn. Dat was ons ontgaan, eerlijk gezegd.

Deze knappe, indringende, tentoonstelling toont werk dat voor een deel eerder te zien was in het Palazzio Fortuny (van Axel Vervoordt) in Venetië, op Art Basel en op Manifesta. Het halfduister in de zalen van het prachtig gerestaureerde Hof van Busleyden leent zich perfect voor deze presentatie. Daarenboven is de tentoonstelling én de vaste collectie gratis te bezoeken op vertoon van uw Museumpas.

Yves

It almost seemed a lily / Berlinde DE BRUYCKERE
tot 12 mei 2019
Museum Hof van Busleyden
Sint-Janstraat 2a
Mechelen
www.hofvanbusleyden.be

Waar is de eenvoud?

Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.

Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden. In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en 100-en mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend 10-tallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of één of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijks volksfeest en rookt de ganse buurt uit met zijn gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.

31eenvoudIeder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij 100-en kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis… Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers. Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen… In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd; in de Middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al-dan-niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.

Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai, grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shóppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.

Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nóg grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten! Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik 2 weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten… Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met Tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op TV, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord omwille van deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd -want heus veel lekkers!- en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond …the sound of silence!

Mattie

Eindejaarssomberte

Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan.
“Ben jij niet véél te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna 10 minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat ze om 12u22 kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (wààr ging dit heen?) maar deze bus reed finaal óók richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.
Ik mocht vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260 maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met déze bus sneller op mijn bestemming zou zijn.
Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.

“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. 14 dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed… Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen. Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer terug zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en…
Ik maakte me los van deze praatgrage man, “Ik ga je gerust laten; jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”

Ik ging vooraan zitten lezen. Werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit zodat ik me kon concentreren op mijn boek. Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren waar er nog plaatsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.
Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik kéék inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.

Zou ik nog wat verder lezen, was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over 10 minuten… Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.
drukke Nieuwstraat
Aan het Rogierplein sprong ik er uit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pré-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat méér opbrengst genereren?
Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg, wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent. Opnieuw -net als vorig jaar- nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.

Mattie

Macht, Rijkdom en Schoonheid

Hoe kan een familie zó rijk worden dat een fractie van haar kunstcollectie een Leuvens museum vult en nog een boeiende tentoonstelling oplevert ook?
Je mag jezelf de vraag niet stellen of daar gaat de helft van het plezier!
De Arenbergs haalden hun prestige uit hun krijgsverrichtingen ten dienste van de opeenvolgende Heersers over de Nederlanden. Hun fortuin verwierven ze voornamelijk uit de immense landeigendommen die ze in de loop der eeuwen samenbrachten. De Heren van Arenberg bezaten gronden van Vlaanderen tot Oostenrijk. Familiale allianties door strategische huwelijken deden de rest.
Naast de honderden (duizenden?) pachters die hun bijdrage in natura afstonden, exploiteerde de ondernemende familie vanaf de 16de eeuw ook ijzermijnen, bezat eigen hoogovens en steengroeven, runde een zijdeweverij in Edingen en was een van de grootste boseigenaars in Europa.
Kortom, de Arenbergs waren niet bepaald behoeftig.

Zaalzicht-macht-schoonheid

Geld gaat zelden gepaard met goede smaak, integendeel. Wanneer grote fortuinen ook grote kunstcollecties bezitten, is dat meestal te danken aan een enkele verlichte geest die er de basis van legde. Het komt niet vaak voor dat generatie op generatie dezelfde lijn van mecenaat verderzet. De Medici zijn dun gezaaid op deze planeet.
Het geslacht Arenberg, van zijn kant, heeft over de eeuwen heen bewezen dat niet altijd de meest spectaculaire kunstwerken de waarde van een collectie uitmaken, of de grootste namen.
Zo kan je op de tentoonstelling in het M-museum in Leuven, een aantal stukken zien die op zich niets wereldschokkends hebben, zelfs wat aandoenlijk ogen, en deze expositie net daardoor op een hoger niveau tillen. Ik denk hierbij aan de ‘kostuumzaal’ met aan de wand een reeks aquarellen die op nogal stuntelige, naïeve wijze de aankleding van de diverse kamers in het Brusselse Hotel Arenberg voorstellen. Compleet met de namen van de afgebeelde personages erbij. In diezelfde zaal staan op de centrale ‘catwalk’ de meest diverse kledingstukken opgesteld. Moeilijk om er niet bij te bedenken dat, in die tijd, een doorsnee boerengezin waarschijnlijk ruim een jaar zou kunnen overleven op de kostprijs van het minste vestje dat hier getoond wordt.
Van een heel andere orde in een andere zaal, en wél spectaculair, zijn de reusachtige stadsgezichten die nauwkeurig elk mogelijk detail van Antwerpen, Brussel en Amsterdam weergeven. Hier wordt duidelijk waarom de fotografie node moest uitgevonden worden.

Een tentoonstelling die vijfhonderd jaar familiegeschiedenis aan de hand van schilderijen, juwelen, artefacten of boeken omspant, wil zowel de kunstliefhebber als de geschiedkundige aanspreken. Dat is hier zeker gelukt, al is het wél even zoeken naar de beloofde Rubens (mooi, gevoelig meisjesportret) en het Dürer-Album (virtuoze techniek!) tussen het enorme aanbod.

Yves

Macht en Schoonheid
tot 20 januari 2019
M-Museum
Leopold Vanderkelenstraat 28,
3000 Leuven
(gesloten op dinsdag)
expo in het kader van het Arenbergfestival