Attention/opgepast: fragile/breekbaar!

Elke minderbegaafde – zelfs een architect – hoort een aantal dingen te weten. Dat glas breekbaar is, bijvoorbeeld. En dat hoe méér glas, hoe meer kans op glasschade. Zeker in wat zo mooi het ‘openbaar domein’ heet te zijn. Op straat, quoi!
De ontwerpers van het vernieuwde Rogierplein denken daar blijkbaar anders over. Zeer tot hun scha en schande. Of liever: zeer tot hun schande en ónze schade.

Piere-verwaaid
Drielagig gewapend glas van centimeters dik blijkt niet bestand tegen vandalisme. Wie had dát kunnen vermoeden?     (foto: Mattie Billen)

Waarschijnlijk gesponsord door Glaverbel of Saint-Gobain (of hoe heten die glasboeren alweer?) hebben de heren (dames weten wel dat ruiten regelmatig moeten gelapt worden, het zou mij verbazen indien zij zoveel glas zouden aanwenden – op Zara Hadid na, maar die is dood en die kon zich een poetsvrouw veroorloven…), de Heren dus, van het ongetwijfeld toonaangevend architectenbureau XDGA hebben zich hier eens goed laten gaan. De stadsvandalen konden de uitnodiging niet negeren en zijn er dan ook enthousiast op ingegaan. Het was erom vrágen, natuurlijk. De overhellende glaswand moet iets suggereren (wát? een bushalte? een transparante dazibao-muur? openheid van bestuur? transparante financiering?). Het pronkstuk lijkt niet alleen bijzonder fragiel, het is het duidelijk ook. Daarenboven is de constructie zo ontworpen (waarschijnlijk als practical joke tijdens de happy hour op een ‘dress down friday’ van het bureau, dan durft een mens zich al eens te laten gaan…) dat het vervangen van de centimetersdikke glaspanelen het openbreken van het plaveisel vereist. Handig is dat. En ook goed voor de werkgelegenheid, natuurlijk. De platen zijn dan ook zo zwaar en lomp dat vermoedelijk de volledige benedenstad zal moeten ontruimd worden om ze ter plekke te krijgen. Even werd een levering per helikopter overwogen, maar dat bleek niet te kunnen omwille van de (glazen!) overkapping van het plein dat op diezelfde happy hour werd besloten door diezelfde scheve architecten.
Elke minderbegaafde hoorde te weten dat het Rogierplein/Place Rogier hét grootste tochtgat van Brussel is -enkel het halfrond van het Brussels Parlement komt in de buurt, qua windmaken. En net dát tochtgat krijgt dan zo’n overkapping die de niet geringe (eufemisme!) windstromen, die met zo’n 5 Beaufort vanaf het Noordstation langs de Belfiustoren het plein opwaaien richting Adolphe Max, naar beneden drukt, om zeker te zijn dat passanten er ten volle kunnen van ‘genieten’. Langs voornoemde schuine glazen wand worden de busreizigers verondersteld enige beschutting te vinden tegen regen en wind. Quod non! Bij regenweer – dat gebeurt wel eens in onze contreien – wordt de regen nét in die lengterichting geblazen zodat zelfs de stevigste paraplu van geen nut is. Als de bui dan over is, blijft een vieze wand achter, vol spetters regenwater vermengd met het fijn cementstof van de talrijke bouwwerven in de buurt. En geen poetsvrouw/man in de buurt om het glas met zeemlap en aftrekker te lijf te gaan! Geen wonder dat de transmigranten de catacomben van het Noordstation verkiezen boven deze glazen paddestoel. Je hebt er misschien geen Starbucks, maar je zit er tenminste droog. Alhoewel, ‘zitten’ is hier niet helemaal op zijn plaats: het project van 29.000.000 euro (volgens krantenartikels uit 2006; maak er dus gerust vijftig miljoen van) voorzag blijkbaar geen zitbanken. Er zijn nu enkel een soort stalen meerpalen om te gaan zitten, ijskoud en te laag, waarschijnlijk bedoeld om gemotoriseerde terroristen van het plein weg te houden. De vermoeide reiziger loopt er niet enkel een dubbele pleuris op, maar ook nog eens aambeien en aderspat!

Yves

Advertenties

Contrapunt voor wrede kijkdozen

Het minste wat je van het werk van Berlinde De Bruyckere kan zeggen, is dat het niemand onberoerd laat. De Gentse slagersdochter (°1964) beheerst de kunst om koude rillingen te combineren met poëtische beelden. Of omgekeerd. Het is niet anders met de zeer geslaagde tentoonstelling It almost seemed a lily in het Museum Hof van Busleyden in Mechelen.

Hortus

Berlinde De Bruyckere verwierf internationale faam met het exposeren van wat dode paardenlichamen leken te zijn. Door de dichtgenaaide bekken en ogen en de stompjes van poten leek het of hier een dolgedraaide taxidermist aan het werk was. De werken wekten afschuw, en dat was ook de bedoeling. Net zoals de kunstenares afschuw voelde toen zij in het In Flanders Fields museum van Ieper leerde dat tijdens de Eerste Wereldoorlog zo’n acht miljoen paarden het leven lieten.
In Mechelen gaat het er wat vreedzamer aan toe. Hier en daar zijn er wel citaten uit vroeger werk die doorschemeren in de grote assemblages, maar het uitgangspunt van deze expositie zijn de taferelen van naïeve godsvrucht die De Bruyckere tijdens de Leuvense tentoonstelling over Besloten Hofjes in 2016 leerde kennen.

Hortus conclusus soror mea, sponsa, hortus conclusus, fons signatus“, klonk het in Salomo’s Hooglied uit het Oude Testament: “Mijn zuster, o bruid! Gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.”

De Hortus Conclusus werd een geliefd onderwerp in de Middeleeuwse schilderkunst. Soms letterlijk weergegeven als een omheinde tuin met fontein, maar vaak ook symbolischer, met Maria centraal. De Moeder Maagd als stichtend voorbeeld. Jezus en zijn apostelen mochten dan misschien allemaal mannen zijn, het ideaal van de dienende, onderworpen vrouw, was nooit veraf.
Berlinde De Bruyckere gebruikt de metafoor van het Besloten Hofje als contrapunt om haar eigen creaties nog meer kracht bij te zetten. Het contrast kan niet groter zijn, het wérkt. Een achttal kleine, zestiende-eeuwse kijkdozen/triptieken tonen het onwaarschijnlijke geduld en de nauwgezetheid waarmee nonnetjes of begijnen aan een eigen weergave van de Onbevlekte Ontvangenis knutselden: met stukjes perkament, zijdedraad, hout, wasbrokaat, glas, tinfolie of zelfs turf en kersenpitten werden op aandoenlijke wijze taferelen neergezet die ook persoonlijker elementen bevatten. Zo werden vaak naamheiligen en hun attributen erin voorgesteld.

De imposante werken van De Bruyckere, een soort metershoge wrede kijkdozen, worden eveneens opgebouwd uit de meest diverse materialen. In een omlijsting van ruw hout – het lijken wel rechtop gezette platte bakken – worden zowel oud behangpapier, dekens of wassen afgietsels, als met epoxy ingestreken dierenhuiden verwerkt tot taferelen waarin vergankelijkheid en kwetsbaarheid de boventoon voeren. Van naïeve heiligenverering is hier geen sprake, integendeel. Getuigen hiervan de tien kleine potloodtekeningen uit 2017 die, van Vagina en Lelie over Poire d’amour tot Penis, een suggestief beeld oproepen van verdoken lust en passie die in de Besloten Hofjes vervat zouden zijn. Dat was ons ontgaan, eerlijk gezegd.

Deze knappe, indringende, tentoonstelling toont werk dat voor een deel eerder te zien was in het Palazzio Fortuny (van Axel Vervoordt) in Venetië, op Art Basel en op Manifesta. Het halfduister in de zalen van het prachtig gerestaureerde Hof van Busleyden leent zich perfect voor deze presentatie. Daarenboven is de tentoonstelling én de vaste collectie gratis te bezoeken op vertoon van uw Museumpas.

Yves

It almost seemed a lily / Berlinde DE BRUYCKERE
tot 12 mei 2019
Museum Hof van Busleyden
Sint-Janstraat 2a
Mechelen
www.hofvanbusleyden.be

Waar is de eenvoud?

Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.

Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden. In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en 100-en mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend 10-tallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of één of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijks volksfeest en rookt de ganse buurt uit met zijn gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.

31eenvoudIeder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij 100-en kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis… Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers. Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen… In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd; in de Middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al-dan-niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.

Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai, grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shóppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.

Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nóg grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten! Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik 2 weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten… Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met Tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op TV, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord omwille van deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd -want heus veel lekkers!- en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond …the sound of silence!

Mattie

Eindejaarssomberte

Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan.
“Ben jij niet véél te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna 10 minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat ze om 12u22 kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (wààr ging dit heen?) maar deze bus reed finaal óók richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.
Ik mocht vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260 maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met déze bus sneller op mijn bestemming zou zijn.
Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.

“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. 14 dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed… Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen. Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer terug zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en…
Ik maakte me los van deze praatgrage man, “Ik ga je gerust laten; jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”

Ik ging vooraan zitten lezen. Werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit zodat ik me kon concentreren op mijn boek. Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren waar er nog plaatsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.
Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik kéék inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.

Zou ik nog wat verder lezen, was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over 10 minuten… Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.
drukke Nieuwstraat
Aan het Rogierplein sprong ik er uit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pré-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat méér opbrengst genereren?
Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg, wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent. Opnieuw -net als vorig jaar- nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.

Mattie

Macht, Rijkdom en Schoonheid

Hoe kan een familie zó rijk worden dat een fractie van haar kunstcollectie een Leuvens museum vult en nog een boeiende tentoonstelling oplevert ook?
Je mag jezelf de vraag niet stellen of daar gaat de helft van het plezier!
De Arenbergs haalden hun prestige uit hun krijgsverrichtingen ten dienste van de opeenvolgende Heersers over de Nederlanden. Hun fortuin verwierven ze voornamelijk uit de immense landeigendommen die ze in de loop der eeuwen samenbrachten. De Heren van Arenberg bezaten gronden van Vlaanderen tot Oostenrijk. Familiale allianties door strategische huwelijken deden de rest.
Naast de honderden (duizenden?) pachters die hun bijdrage in natura afstonden, exploiteerde de ondernemende familie vanaf de 16de eeuw ook ijzermijnen, bezat eigen hoogovens en steengroeven, runde een zijdeweverij in Edingen en was een van de grootste boseigenaars in Europa.
Kortom, de Arenbergs waren niet bepaald behoeftig.

Zaalzicht-macht-schoonheid

Geld gaat zelden gepaard met goede smaak, integendeel. Wanneer grote fortuinen ook grote kunstcollecties bezitten, is dat meestal te danken aan een enkele verlichte geest die er de basis van legde. Het komt niet vaak voor dat generatie op generatie dezelfde lijn van mecenaat verderzet. De Medici zijn dun gezaaid op deze planeet.
Het geslacht Arenberg, van zijn kant, heeft over de eeuwen heen bewezen dat niet altijd de meest spectaculaire kunstwerken de waarde van een collectie uitmaken, of de grootste namen.
Zo kan je op de tentoonstelling in het M-museum in Leuven, een aantal stukken zien die op zich niets wereldschokkends hebben, zelfs wat aandoenlijk ogen, en deze expositie net daardoor op een hoger niveau tillen. Ik denk hierbij aan de ‘kostuumzaal’ met aan de wand een reeks aquarellen die op nogal stuntelige, naïeve wijze de aankleding van de diverse kamers in het Brusselse Hotel Arenberg voorstellen. Compleet met de namen van de afgebeelde personages erbij. In diezelfde zaal staan op de centrale ‘catwalk’ de meest diverse kledingstukken opgesteld. Moeilijk om er niet bij te bedenken dat, in die tijd, een doorsnee boerengezin waarschijnlijk ruim een jaar zou kunnen overleven op de kostprijs van het minste vestje dat hier getoond wordt.
Van een heel andere orde in een andere zaal, en wél spectaculair, zijn de reusachtige stadsgezichten die nauwkeurig elk mogelijk detail van Antwerpen, Brussel en Amsterdam weergeven. Hier wordt duidelijk waarom de fotografie node moest uitgevonden worden.

Een tentoonstelling die vijfhonderd jaar familiegeschiedenis aan de hand van schilderijen, juwelen, artefacten of boeken omspant, wil zowel de kunstliefhebber als de geschiedkundige aanspreken. Dat is hier zeker gelukt, al is het wél even zoeken naar de beloofde Rubens (mooi, gevoelig meisjesportret) en het Dürer-Album (virtuoze techniek!) tussen het enorme aanbod.

Yves

Macht en Schoonheid
tot 20 januari 2019
M-Museum
Leopold Vanderkelenstraat 28,
3000 Leuven
(gesloten op dinsdag)
expo in het kader van het Arenbergfestival

Black out?

28.Kerstdolligheid nog meer
Stadhuis Mechelen begin december bij dreigend elektriciteitstekort…

Van Brussel wist ik het al. Van Antwerpen ook.
Wégblijven tot ruim na Nieuwjaar was de boodschap. Wegens Winterpret en overdosis Bing Crosby (voor de jongeren onder ons: denk Jingle Bells en White Christmas en je weet wat ik bedoel…)
Maar Mechelen.
De stad die er prat op gaat door de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld bestuurd te worden.
Uitgerekend Méchelen!
Een mens is nergens meer veilig. Wat een rustige wandeling van de Onze-Lievevrouwestraat (boekhandel de Zondvloed) via de Bruul naar het gezellig Marokkaans eethuisje even voorbij de Grote Markt had moeten worden, bleek op een visuele nachtmerrie uit te draaien. We hadden het voelen aankomen, natuurlijk: de eerbiedwaardige Brusselse Poort kreunde al onder wat sommigen een sfeervolle kerstverlichting zullen noemen: witte ijspegels die voornoemde witte Kerst moeten evoceren. Een mens zou voor minder een stal opzoeken om te bevallen.
Over de Bruul kan ik kort zijn. Het is een winkelstraat, dan weet je het wel! Maar wat gezegd van het huis waar de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld kantoor houdt?  De foto spreekt boekdelen, denk ik. Waar is de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld als je hem nodig hebt? Of de bevoegde Schepen van Electriciteit? Ook de Beste-Ter-Wereld, naar het schijnt. Hebben ze plots een black out? Misschien gewoon vergeten het licht te doven bij het verlaten van het Stadhuis. Niemand is perfect, zélfs niet de Beste-Burgemeester-Ter-Wereld.

Yves

 

10 misvattingen over Pessoa rechtgezet (of niet)

In het straatbeeld van Lissabon is Fernando Pessoa alomtegenwoordig. De man die tijdens zijn leven de discretie zelve was en niet van zijn uiterlijk hield (hij haatte foto’s) is nu te vinden op elke straathoek. In het beste geval in de etalages van de talrijke boekhandels die de Portugese hoofdstad rijk is, als onderdeel van op toeristen gerichte marketingcampagnes. Neem daarbij de postkaarten, t-shirts, ontbijtmokken, siertegels of andere prularia die zowat overal te koop aangeboden worden en de indigestie is nabij. We zagen ooit zelfs een heuse Pessoa-set, compleet met neus, bril en snor!
Toeristen trekken selfies gezeten naast de bronzen versie van de Meester op het terras van het café a Brasileira do Chiado. Weinigen weten dat Pessoa er weliswaar kwam, maar zeker niet van harte. In een brief aan een bevriende journalist schreef hij zoiets als: “Ik hààt die plek, met al die pseudo-intelectuelen en would-be schrijvers!”. Fernando Pessoa kwam wel in een gelijknamig – ondertussen verdwenen – koffiehuis in de benedenstad, a Brasileira da Baixa. Het koffiemerk ‘a Brasileira’ (de Braziliaanse) bezat verschillende zaken.
Enfin, er valt veel recht te zetten, als het over de figuur Pessoa gaat! Het zijn soms triviale feiten die weinig essentieels toevoegen aan een beter begrip van zijn oeuvre, maar de waarheid heeft haar rechten en, zoals de Fransen zo mooi zeggen: “l’Histoire est faite de petites histoires!”…
Tijd voor een poging tot onderscheid van mythe en werkelijkheid.

Casa-Fernando-Pessoa2
Casa Fernando Pessoa – Rua Coelha da Rocha 16, Lisboa

1. Fernando Pessoa leefde in armoede.
Net als in het geval van Vincent van Gogh is dit een kwakkel! De alleenstaande van Gogh ontving een rijkelijke maandelijkse toelage van zijn broer Theo. Dat zijn tweewekelijks bordeelbezoek hem telkens 15 francs kostte, stortte hem niet meteen in de diepste armoede!
Pessoa zat wel eens krap bij kas, maar leende dan probleemloos wat geld bij meer gefortuneerde vrienden. Hij had netjes uitgerekend (de nota is bewaard) hoeveel hij uitgaf en was tot de conclusie gekomen dat vier halve dagen kantoorwerk per week volstonden om in zijn levensonderhoud te voorzien, de rest van zijn tijd kon hij dan aan de literatuur wijden. Hij beschikte over de sleutels van de bedrijven waarvoor hij werkte, zodat hij zijn uren naar eigen goeddunken kon regelen.
Erop gebrand steeds als een gentleman door het leven te gaan, wou hij er graag als dusdanig bijlopen. Zijn nagelaten papieren bevatten enkele beleefde herinneringen voor openstaande rekeningen bij een van de betere kleermakers van de stad, de nog steeds bestaande Lourenço & Santos, aan de Praça dos Restauradores. De dagelijkse bezoeken van zijn barbier-aan-huis, kunnen voor de burgerij van die tijd ook niet als buitensporig worden beschouwd. Die man ruimde elke morgen zijn kamer wat op en voorzag de schrijver van sigaretten en drank.
Pessoa verdiende bij als opsteller van reclameteksten en mede-uitgever van een handelsgids waarvoor hij advertentieruimte ronselde. Daarnaast schreef hij artikels voor verschillende kranten en vertaalde hij boeken (voornamelijk over occultisme en paranormale verschijnselen) in opdracht van Franse en Engelse uitgeverijen. Hij dacht er ook even aan zich als …astroloog te vestigen en stelde regelmatig tegen betaling horoscopen op onder de naam Raphael Baldaya.
Voor wat betreft zijn diverse literaire projecten vond Pessoa meestal geldschieters. Zo was de vader van de dichter Mário de Sa-Carneiro de financier van de twee eerste nummers van het tijdschrift Orpheu.
Zijn eigen stoomdrukkerij-uitgeverij ‘Ibis’, die hij met geld uit een erfenis opricht, gaat echter snel over de kop.
Pessoa leefde ook steeds in ‘deftige’ buurten, hetzij bij familie, hetzij op kamers. Hij verhuisde vaak, maar nooit naar goedkopere wijken zoals Alfama of Amoreiras, nochtans ook op wandelafstand van zijn geliefde Benedenstad.

2. Fernando Pessoa werkte als kantoorklerk.
Die misvatting is te wijten aan het feit dat de ik-figuur van O livro do desassossego (het boek der rusteloosheid), kantoorklerk-hulpboekhouder is in een handelszaak in de Rua dos Douradores, dezelfde buurt waar Pessoa werkte.
Pessoa was voornamelijk drietalig (Engels-Frans-Portugees) free-lance vertaler van handelscorrespondentie. Dat hij hogelijk gewaardeerd werd blijkt uit de vrijheid waarover hij beschikte in die functie. Hij zat ook nooit verlegen om werk.

3. Fernando Pessoa was homoseksueel.
Een van de langste gedichten van Pessoa, het in het Engels geschreven Antinous, gaat over het hevige verdriet van de Romeinse keizer Hadrianus bij de dood van zijn jonge minnaar Antinous. Het gedicht uit 1918 bevat duidelijk homo-erotische passages.
Onder zijn impuls verscheen bij uitgeverij Olisipo de zeer controversiële bundel Canções (Liederen) van António Botto. Pessoa moest in de pen kruipen ter verdediging van de openlijk homoseksuele schrijver. Noch diens levensstijl (hoge ambtenaar, getrouwd maar openlijk homoseksueel met veel minnaars…), noch zijn esthetiserende homo-erotische gedichten werden gesmaakt door de goegemeente.
Pessoa’s beste vriend, de eveneens homoseksuele dichter Mário de Sa-Carneiro, pleegde in 1916 zelfmoord in Parijs. Er is veel gespeculeerd over de aard van die vriendschap, maar in geen enkele brief ontdekt men iets dat zou kunnen wijzen op seksuele relaties tussen de twee mannen.
Die afwezigheid van seksualiteit is ook treffend in de brieven die Pessoa naar zijn enige gekende geliefde, Ofélia de Queiroz, stuurde tijdens hun twee periodes van verkering. Ook haar antwoorden blijven zeer zedig, zoals het een meisje van de toenmalige burgerij betaamde.
Vermoedelijk stierf Fernando als maagd.

4. Fernando Pessoa was (voor een deel) van Joodse origine.
Pessoa koketteerde zélf met een vermeende Joodse komaf: in een literaire vragenlijst omschreef hij zichzelf als hebbende “vaag Portugees-Joodse gelaatstrekken te wijten aan een kwart Joods bloed aan moederszijde”.
Misschien stamde zijn moeder af van zogenaamde ‘novo cristianos’ (onder dwang tot het christendom bekeerde Joden) en haalde hij die kennis uit familieverhalen? In het oer-katholieke Portugal van die tijd werd daar – de inquisitie indachtig – niet openlijk over gesproken. Tenslotte werd de wet op ‘Vrijwillige Terugkeer van verjaagde Joden’ pas in 2003 unaniem door het Portugese parlement aangenomen! Alleszins wordt Pessoa als Joods schrijver opgenomen in de lijst van Jewish poets and lyricists van de Joodse website http://www.jinfo.org. Er staat wel bij: “Jewish ancestry/degree unclear”. Misschien is het dus waar, misschien ook niet.

5. Fernando Pessoa bedacht zijn vier belangrijkste heteroniemen op één nacht tijd.
In een beroemde brief van 13 januari 1935 aan Adolfo Casais Monteiro, schrijft Pessoa dat hij op 8 maart 1914, staande aan een hoge lessenaar, als in extase begon te schrijven en dat vervolgens “de bucolische dichter Alberto Caeiro in hem verscheen.” In diens naam schreef hij achtereenvolgens een dertigtal gedichten. Vervolgens verscheen Ricardo Reis, een neo-klassiek volgeling van de Meester en ook de modernist Álvaro de Campos, wiens gedicht dan ook op een (moderne) schrijfmachine werd getikt: de Ode Triunfal.
Dit verhaal over de ‘oerknal’ van het oeuvre van Pessoa is jarenlang als waar overgeleverd. Wetenschappelijk onderzoek bewees onomstotelijk dat Pessoa hier zijn zoveelste mystificatie heeft opzet. Tekstanalyse toont dat sommige gedichten door de schrijver geantidateerd zijn om dat romantische verhaal te doen kloppen. Hij gebruikte trouwens van in zijn prilste jeugd fictieve personages als alter ego’s, hetzij om de eenzaamheid te verdrijven, hetzij om er een fictieve correspondentie mee te voeren. O poeta é um fingidor (de dichter is een veinzer).

6. Fernando Pessoa was een alcoholist.
Niemand zag Pessoa ooit dronken (er zijn alleszins geen getuigenissen van gekend), daarvoor was hij te zeer gentleman. Wel is zeker dat de schrijver teveel dronk. Vooral ’s nachts wanneer hij schreef. Pessoa leed aan slapeloosheid en schreef en dronk hele nachten door. Overdag had hij de gewoonte om tussen het werk door even “naar Abel” te gaan. Een vrijpostige jonge bediende wierp hem ooit toe: “Maar Doutor Pessoa, u drinkt als een spons!”, waarop de schrijver onverstoorbaar repliceerde: “Als een spons? Als een ganse sponzenwinkel, zal je bedoelen. En met het magazijn erbij!” Zijn drankgebruik had blijkbaar geen noemenswaardige invloed op zijn werk: iedereen bleef vol lof over zijn kwaliteiten als vertaler en hij werd regelmatig aanbevolen voor nieuwe opdrachten.
Op de achterzijde van een foto die hij zijn geliefde Ofélia liet bezorgen, noteerde hij de woordspeling: “Em fragrante delitro!” (“Op literdaad betrapt!”). De opname toont hem, een glas wijn aan de lippen, staand aan de toonbank van Abel da Fonseca, een wijnbar in de discrete Rua da Bandeira, op wandelafstand van kantoor. Een afdruk van de foto hangt er nog achter de toog.

Pessoa-em fragrante delitro
Pessoa in Abel da Fonseca (wijnbar Rua da Bandeira)

7. Fernando Pessoa was vrijmetselaar.
Het staat vast dat Pessoa aangetrokken was door filosofie en occultisme. Meer nog dan nu, deden aan het begin van de twintigste eeuw de wildste verhalen de ronde over de vrijmetselarij. De geheimdoenerij binnen de Loge was zowel oorzaak als gevolg van de haat die in katholieke kringen aan het genootschap werd toegedragen. Ook inzake zijn eventueel lidmaatschap onderhield Pessoa de dubbelzinnigheid. Hij was niet vies van enige controverse. Toen Salazar een wet liet goedkeuren om het lidmaatschap van ‘geheime genootschappen’ (lees: de vrijmetselarij) aan banden te leggen, veroordeelde Pessoa in een krantenartikel deze maatregel in de scherpste bewoordingen, zonder zich tot het filosofisch genootschap te bekennen.
In een enquête opgezet door een literair tijdschrift uit Coimbra, beantwoordt hij de vraag over lidmaatschap van sociale, filosofische  of religieuze verenigingen, met: “ingewijd (van Meester tot Meester) in de hogere graden”. Een grapje, waarschijnlijk…
In de brief waarmee hij zijn relatie met Ofélia definitief verbreekt, schrijft hij dan weer: “Mijn Werk luistert naar Meesters die noch vergeven, noch vergeten; je wordt niet verondersteld dat te begrijpen”. Beide uitspraken mogen gerekend worden tot restanten van de symbolistische romantiek uit zijn jeugdjaren.
Portugese vrijmetselaars, hierover aan de tand gevoeld, antwoordden zonder de minste aarzeling:  “Fernando Pessoa werd nooit ofte nimmer ingewijd in een Portugese vrijmetselaarsloge! Helaas.”

8. Fernando Pessoa liet een hutkoffer met 27.543 pagina’s tekst na.
In 1975 droegen de erfgenamen van de schrijver de beruchte ‘baú’, waarin de schrijver zijn papieren bewaarde, aan de Portugese Staat over. Tegen een fikse vergoeding, welteverstaan. Die hutkoffer bevatte 27.543 tekstfragmenten, neergeschreven op alle mogelijke dragers: van notaboekjes, oude enveloppen, achterkanten van drukwerk, tot stomerijrekeningen: Pessoa recycleerde avant-la-lettre!
Helaas vormden deze schrijfsels niet het volledige nalatenschap: in de veertig jaar na zijn dood konden nogal wat mensen bij de paperassen van Pessoa! Wetenschappelijke onderzoekers, studenten en ook familie van de schrijver hadden regelmatig toegang tot de kist. Kisten zou correcter gesteld zijn, want uit de getuigenis van zijn nicht weten we dat Pessoa, behalve de grote hutkoffer nog over minstens één kleinere kist beschikte om papieren in op te bergen. Van die kist en haar inhoud is geen spoor. De familie maakte ook regelmatig manuscripten te gelde: getuige daarvan de grote veiling die zou worden gehouden in Londen. Die ging niet door omdat de tante van Pessoa het geheel aan de Portugese Staat verkocht. Ondertussen waren wel interessante fragmenten van het werk verdwenen. Het gevolg is dat, alle inspanningen ten spijt, wij nooit over het volledige werk van het Portugese genie zullen kunnen beschikken.

9. Fernando Pessoa voorspelde zijn sterfdatum.
Als verwoed astroloog, stelde Fernando Pessoa talloze horoscopen op. Niet alleen van mensen: ook van Portugal bijvoorbeeld, of om de slaagkansen van een project in te schatten. Zijn eigen horoscoop vertrok blijkbaar van onnauwkeurige gegevens, zodat hij er opnieuw een opstelde, met telkens variaties van enkele minuten wat betreft zijn geboorteuur. Hij voorspelde zo zijn eigen overlijden eind november 1935!

10. Fernando Pessoa’s laatste woorden waren om zijn bril te vragen.
De laatste geschreven woorden van Pessoa waren in een wat archaïsch literair Engels gesteld : “I know not what tomorrow will bring!”
Op zijn sterfbed in het Hospital San Luis dos Franceses vroeg hij om zijn bril en blies zijn laatste adem uit.

Yves